Onze kerken en de Wet persoonsregistraties
1990-07-06
De maatschappij verandert enuiteraard - ook de wetgeving. Kerken krijgen met beide veranderingen te maken. Of ze dat nu leuk vinden of niet. Eén van de wetten, waar ook de kerken mee te maken krijgen is de Wet persoonsregistraties. Wat precies de consequenties van die wet voor de kerken zullen zijn, is nog niet geheel duidelijk. Toch tekenen zich ook nu al een aantal ontwikkelingen af. Ontwikkelingen, die ook duidelijk maken, dat de wetgever minder oog krijgt voor wat een kerk als geloofsgeméénschap is.- Jaargang 34
- nummer 14
1. Een wet met een breed bereik
Op 28 december 1988 stond de Wet persoonsregistraties in het staatsblad (Stb. 665). Een wet, waarnaaren dat was ook een kant van de zaak - was uitgezien. De nieuwe Grondwet (van 1983) schrijft in art. 10, lid 2, een dergelijke wet ook voor. En wel "ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens".
Het derde lid van dat artikel 10 schrijft voor dat die wet regels moet bevatten inzake de aanspraken van personen om kennis te nemen van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik, dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van dergelijke gegevens.
Aanspraken, waar ook kerkelijke administraties en kerkelijke bureaux mee te maken kunnen krijgen.
Het is nu eenmaal zo, dat het, sinds het ontstaan van computers met de daarbij behorende mogelijkheden, heel gemakkelijk is om hele adressenbestanden te copiëren evenals andere in die persoonsbestanden voorkomende gegevens.
En daar zal - om het zacht uit te drukken - niet iedereen gelukkig mee zijn.
In zo'n persoonsbestand kunnen heel onschuldige gegevens voorkomen, maar ook zeer 'gevoelige gegevens'.
Een dagblad of tijdschrift heeft een lijst of bestand van de abonnees, een garage een lijst met klanten (inclusief het type auto dat u hebt én de eventuele achterstanden in betaling) zoals ook een bank lijsten zal kennen van hen aan wie een persoonlijke lening is verstrekt etc.
Ook Uw huisarts heeft de nodige (evt. onnodige) gegevens over U opgeslagen evenals het kerkelijk bureau en de penningmeester van de gemeente waar U lid van bent.
Ook een ouderling zal wellicht over een 'sectieboekje' of iets soortgelijks beschikken met de namen, de data van doop en evt. belijdenisdoen e.d. Voor predikanten, pastorale medewerkers en diakenen geldt hetzelfde. Ze zullen soms heel simpele gegevens noteren. Bij voorbeeld over de datum, waarop ze U voor het laatst een (huis)bezoek hebben gebracht (Wanneer was dat ook al weer?). Of uit welk bijbelgedeelte toen is gelezen. Vier van de vijf keer voorlezen uit Psalm 23 kán nuttig zijn maar is meestal toch iets minder geslaagd.
Dat behalve een goed gebruik ook misbruik van gegevens mogelijk is staat eveneens wel vast. Vandaar die wet: een poging van de wetgever om op een heel brede materie met ongetwijfeld ook griezelige kanten toch weer een zekere greep te krijgen.
2. De kerken en de Wet persoonsregistraties
Nu was het bij het ontwerpen van die wet niet voor iedereen vanzelfsprekend dat die wet ook voor de kerken zou moeten gelden. Zo heeft het GPV-kamerlid Schutte er bij de parlementaire behandeling van het wetsontwerp voor gepleit de wet niet op de kerken van toepassing te doen zijn of om althans voor die kerken de nodige nuanceringen aan te brengen.
Zonder succes overigens. De wet geldt ook voor de kerken. Toch was wel duidelijk, dat niet alle persoonsregistraties over één kam konden worden geschoren. Een abonnementenadministratie is niet te vergelijken met die van een psychiater over zijn patiënten of van die van een school over haar leerlingenbestand.
De wet doet dat ook niet.
Zo kan het voorkomen dat men in bepáálde gevallen verplicht is een reglement te maken. Daarin kan dan vermeld worden wat het doel is van de administratie en welke soorten gegevens en van wie daarin kunnen worden opgenomen.
In andere gevallen kan men volstaan met het voldoen aan een 'meldingsplicht'.
Men dient dan aan de op grond van de wet ingestelde Registratiekamer 1 te melden dat men een persoonsregistratie heeft, welke gegevens daarin voorkomen en wat het doel van die registratie is.
Een andere mogelijkheid bestaat in die gevallen, waarin de desbetreffende persoonsregistratie valt onder het zgn. 'Besluit genormeerde vrijstelling'.
Een algemene maatregel van bestuur, berustend op een tweetal artikelen van de wet (22 en 27), waarbij persoonsregistraties worden aangewezen, waarop de artikelen 19 (persoonsregistraties met verplicht reglement), 24 (persoonsregistraties, die moeten worden aangemeld bij de Registratiekamer) en 25 (persoonsregistraties, waarbij tal van wijzigingen binnen 4 weken moeten worden doorgegeven) niet van toepassing zijn.
Dat 'Besluit genormeerde vrijstelling' kent een aantal persoonsregistraties, die in dat besluit nader zijn omschreven. Alleen indien die persoonsregistraties aan de daarin genoemde kenmerken voldoen, geldt voor hen de vrijstelling op bovengenoemde punten. Daar kunnen ook kerkelijke persoonsregistraties onder vallen, mits ze aan de nader te noemen kenmerken voldoen.
Wie overigens veronderstelt, dat die uitzondering vooral ingegeven is om aan de kerken en hun vrijheid tegemoet te komen vergist zich. Het doel was primair de lasten in verband met de uitvoering van de wet beperkt te houden.
Overigens zal er in de loop van dit jaar vermoedelijk nog een tweede uitvoeringsmaatregel verschijnen, gebaseerd op art. 7 van de wet. De inhoud daarvan staat echter nog niet (geheel) vast. Een ontwerp van die maatregel stond woensdag 6 juni jl.
in de Staatscourant. Een 'Ontwerp-Besluit gevoelig.e gegevens,2. Ook die algemene maatregel van bestuur zal voor de kerken van belang zijn.
Het Besluit heeft nl. betrekking op wat men 'gevoelige gegevens' noemt. Dat zijn dan volgens art. 7 van de wet 'gegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, seksualiteit of intiem levensgedrag, alsmede persoonsgegevens van medische, psychologisch, strafrechtelijke op tuchtrechtelijke aard'. Een opsomming, die op zich zelf al wel een nadere beschouwing waard is.
In het ontwerp staat nl. o.a. dat persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging slechts mogen worden opgenomen in:
a. persoonsregistraties, gehouden door of ten behoeve van kerkgenootschappen, zelfstandige onderdelen daarvan of andere genootschappen op geestelijke grondslag betreffende de daartoe behorende personen;
b. andere persoonsregistraties voor zover zulks noodzakelijk is met het oog op de geestelijke verzorging van de betrokken personen.
Een beperking, die niet alleen type rend is voor de opstelling van de wétgever tegenover geloof en godsdienst, maar ook een blijk is van de geringer wordende betekenis, die aan geloof en godsdienst wordt toegekend, In (vele) andere zaken wordt vermelding van het lidmaatschap van een kerk, iemands geloof of godsdienst, kennelijk niet van belang of zelfs in strijd met het recht op privacy geacht.
3. Art. 3 van het Besluit genormeerde vrijstelling
In het reeds genoemde Besluit genormeerde vrijstelling komen diverse soorten persoonsregistraties aan de orde. Persoonsregistraties, waarop die artikelen 19, 24 en 24 van de Wet niet van toepassing zijn. Dat Besluit rept o.a. over administraties van leden of begunstigers, van abonnementsadministraties, salartsadmlnistraties, boekhoudingen van debiteuren en crediteuren en administraties van afnemers en leveranciers.
In art. 3 van dat Besluit worden ook genoemd "Administraties van leden of begunstigers van kerkgenootschappen en andere genootschappen op geestelijke grondslag".
Nogmaals, de vrijstelling geldt ook in die gevallen alleen, indien in de registratie geen andere persoonsgegevens zijn opgenomen dan die van hun leden - de geboorteleden daaronder begrepen - en de begunstigers én hen, die voldoen aan de (verderop) in dat artikel vermelde vereisten. De desbetreffende gegevens zijn dan o.a. de naam, voornamen, voorletters, titulatuur, geslacht, geboortedatum, woonplaats. Voorts eventueel ándere dan de reeds in dat artikel genoemde gegevens, "waarvan opneming wordt vereist ingevolge het statuut van het betrokken genootschap".
Beweegt men zich binnen die kring van gegevens, dan is de kerk 'vrijgesteld' van de verplichting zich aan te melden. Bevat een kerkelijke registratie méér dan de daaronder vallende gegevens, dan is aanmelding weer wel noodzakelijk.
4. Het 'statuut' van het betrokken genootschap
De vermelding van dat 'statuut' is een soort 'open eind'. Een uitvoerig statuut geeft dus een ruimere vrijstelling dan een beperkt statuut. Wat het statuut precies is wordt niet omschreven.
Dat was ook moeilijk. De regeling geldt immers voor tal van kerken, in allerlei variaties en soorten.
Kerken en genootschappen, die hun eigen interne regelingen hebben.
Soms in de vorm van een meer centrale regeling, soms met per kerk of genootschap in sterke mate geïndividualiseerde regelingen.
Kerken kunnen dus zelf hun vrijstelling vergroten, door meer in dat 'statuut' op te nemen. En daar kan metterdaad wel reden voor bestaan.
Zo valt het op, dat bij de in dat art. 3 van het Besluit genormeerde vrijstelling wel genoemd worden de "naam, voornamen, voorletters, titulatuur, geslacht, geboortedatum, adres, postcode, woonplaats, telefoonnummer en bank- en girorekeningnummer"
maar niet de burgerlijke staat, het al of niet gehuwd zijn.
5. Registraties voor persoonlijk gebruik
Wel is het zo dat registraties voor persoonlijk gebruik buiten de wettelijke regeling vallen. Een predikant, een ouderling of diaken die aantekeningen maakt van zijn bezoeken etc.
'voor persoonlijk gebruik' kan dat dus rustig doen. Zoals ook een registratie 'voor huiselijk gebruik' er niet onder valt. Worden die gegevens echter systematisch en voor functioneel gebruik genoteerd, en zijn ze als zodanig ook bestemd voor degene die hem of haar in functie opvolgt, dan geldt de registratie weer wel als een registratie in de zin van de wet, waarvoor aanmelding verplicht is. De ouderling die mondeling bepaalde gegevens inzake de leden van zijn wijk of sectie doorgeeft aan zijn opvolger kan dat dus rustig doen. Maakt hij er een officiële en systematische registratie van, dan kan hij dus in strijd met de wet komen, wanneer die persoonsregistratie niet is aangemeld.
6. Achtergronden
Deze en andere ontwikkelingen in de wetgeving geven metterdaad reden tot nadere bezinning. Niet alleen voor kerkeraden. Merkwaardig is, dat de wetgever de laatste jaren zich nog al ingespannen heeft voor zaken als privatisering en deregulering.
Het feit, dat de PTT een postbank werd is daarvan een voorbeeld. Een blijk van een 'terugtredende overheid'.
Tegelijk zijn er daarnaast andere ontwikkelingen, waarbij de overheid zich veel intenser gaat bemoeien met het persoonlijk leven van de burger. De wetgeving tegen discriminatie van de komende Algemene wet gelijke behandeling zijn daar voorbeelden van. Wetten kunnen ook instrument zijn om het maatschappelijk gebeuren te 'sturen', te beïnvloeden. Ze kunnen ook gebruikt worden om de mentaliteit en overtuigingen van burgers te beïnvloeden. Ten goede en ten kwade. Het is goed daar rekening mee te houden. Zaken als 'scheiding tussen kerk en staat', wat men daar dan ook onder heeft verstaan, zijn geen onveranderlijke grootheden.
Zoals ook de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging grenzen kent, die verlegd kunnen worden. De Wet persoonsregistraties is daarvan een goede illustratie. Niet alleen in bovengenoemde opzichten, want er zou nog wel wat meer over zijn te zeggen3. Dat vraagt echter een ruimer kader.
1 Per adres Sir Winston Churchililaan 362, Postbus 3011, 2080 GA te Rijswijk (Z.-H.). Daar kan men zo nodig ook bepaalde formulieren verkrijgen voor die aanmelding.
2 Tot 5 juli 1990 kan men zich voor commentaar op dat ontwerp tot de Registratiekamer wenden.
3 Zo bepaalt art. 3, lid 6 van het Besluit genormeerde vrijstelling dat persoonsgegevens uiterlijk twee jaren nadat het lidmaatschap is beëindigd of de betrokkene te kennen heeft gegeven, dat hij niet langer als begunstigde wil worden beschouwd uit die registratie worden geweigerd. Een voorschrift, dat voor andere geloofsgemeenschappen nog veel meer problemen zal kunnen oproepen.