Een christelijke gedragsregel (2)
1989-01-20
Van de handelende persoon naar de verrichte daad - Jaargang 33
- nummer 2
Men ziet uit het aangevoerde materiaal, dat de hier genoemde kwaliteiten (betrouwbaar // eerlijk; waardig // eerbaar) allereerst en meest op personen worden betrokken; pas van daaruit ook op de daden van zo gekwalificeerde figuren. Dat laatste is ook hier het geval. Men zou het zo kunnen stellen : de gelovige, in Christus gereinigd van de zonde, moet in al zijn daden zich betrouwbaar // eerlijk, waardig // eerbaar betonen, ja op alle mogelijkheden zó bezig te zijn bedacht wezen.
A II c
We gaan nu naar A II,waar Paulus onze aandacht richt op de vraag: hoe komt ons doen bij onze omgeving over, wat denken en zeggen de mensen ervan?
Wat c betreft: het woord 'deugd' als weergave van 'aretè' heeft het nadeel, dat het bij ons vrijwel uitsluitend ethisch getint is. Slechts in enkele uitdrukkingen, als b.v. "dat doet mij deugd (= goed)", ziet men nog, dat het oorspronkelijk ruimer was. Wat overigens ook blijkt in het werkwoord 'deugen' en in het bijvoeglijk naamwoord 'deugdelijk'. Welnu, die breedte heeft 'aretè' ook.
Het woord duidt hoge kwaliteit aan.
Als hoedanig van personen gebezigd, kan het o.a. 'flinkheid, dapperheid' betekenen.
Nu ziet men hier echter een verschuiving optreden van het objectieve naar het subjectieve: men gaat het woord ook gebruiken voor het aanzien dat men zich door z'n voortreffelijke kwaliteiten of gedrag verwerft (2a).
In het NT is dat ook het geval. Daar vinden we het woord behalve hier alleen nog in de brieven van Petrus.
In I 2, 9 komt het voor in een citaat uit Jes. 43, 21, waar sprake is van "Gods lof verkondigen" ..De LXX gebruikt daar voor 'lof' : 'aretè'. En U ziet meteen, hoe dicht we daar raken aan ónze tekst, waar 'aretè (c) gecombineerd wordt met 'epainos' (= lof, d)
In 111, 3 treffen we het woord aan gecombineerd met 'doxa' (= heerlijkheid luister; of : eer).
In genoemde beide teksten gaat het over de 'aretè' van God, resp. van Christus. In II 1, 5 echter - waarover straks nader - gaat het over 'aretè' van ons, mensen, evenals dat in Fil. 4, 8 het geval is.
Nu, in onze tekst is ook - gezien de hele context A II - dat subjectieve element in het spel. De vraag is niet zozeer: welke intrinsieke waarde heeft een persoon of diens handeling?, maar veeleer : hoe hoog slaat men die aan? Vandaar mijn weergave: "iets dat men hoog schat".
A ll b 'eufèmos'
De parallelie met d is bepalend voor de interpretatie van b. De weergave 'welluidend' (NGB, zakelijk dezelfde als in de Stat.-vert.) is daarom te verwerpen. Men moet zijn licht opsteken bij 2 Cor. 6, 8, waar het corresponderende zelfstandig naamwoord ('eufèmia') gebruikt wordt in de zin van 'goed gerucht', d.w.z. goede naam en faam. Eigenlijk betekent het woord 'eu-fèmos' heel letterlijk 'van goede faam'.
Tweeërlei weegsteen?
Ik zou me kunnen voorstellen dat, wanneer iemand de vereisten sub A II leest, hij geneigd is Paulus te vragen: "Wat nu, Paulus? Tracht u nu toch mensen te behagen?" (vgl.
Gal. 1, 10; 1 Thess. 2, 4) Toch is het niet zo, dat de apostel hier in A II op een principieel ander spoor ziet dan in A I..Veeleer geeft hij onder II het maatschappelijk te verwachten effect van onze handelingen aan, als ze genormeerd zijn volgens I. Eén blik in Rom. 13,3 kan dat duidelijk maken voor d: "Wilt gij zonder vrees voor de overheid zijn?
Doe het goede; dan zult gij lof van haar ontvangen". Paulus verheft het oordeel van mensen niet tot norm voor ons handelen; maar hij rekent er wél op, dat ons aan Gods evangelie genormeerde gedrag ook in onze niet-christelijke omgeving gewaardeerd zal worden.
Zo wijst ook Petrus op de mogelijkheid, dat mannen die zich in eerster instantie niet aan het evangelie gewonnen gaven toch "de reine godvrezende wandel" van hun gelovig geworden vrouwen "opmerken"; en dat ze zó, door dáden en niet door woorden, alsnog voor Christus gewonnen worden (I 3, 1.2).
"Het geloof levert kwaliteit" zegt deze zelfde apostel (II 1 5) (3) het kweekt goede eigenschappen aan, waar de maatschappij van profiteert; die ook opvallen, zodat men zegt: "hé, wat hebben wij in die christenen toch flinke medeburgers getroffen; en wat zijn dat geschikte lui" (vgl. Fil. 4,5 "uw geschiktheid zij alle mensen bekend").
Zelfs een tegenstander van het evangelie, die graag kwaad ervan spreekt, zal 'bijdraaien' (dat staat er eigenlijk), wanneer het gedrag van christenen hem anders te zien geeft dan hij verwacht had, Tit. 2, 8. En slaven moeten het hun meesters naar de zin maken, niet protesteren, niets wegnemen, maar alle goede trouw betonen, om zo de leer van God, onzen Redder, in alle opzichten aantrekkelijk te maken ('te versieren' staat er letterlijk), v. 9.10.
Zo'n gedrag, dat ook niet-christenen ervaren als maatschappelijk waardevol, beveelt Paulus dan ook rustig aan" (4), Sterker nog: als hij in 1 Tim. 3 vereisten opnoemt- voor kandidaat-ouderlingen, dan vinden we daaronder ook deze: "dat hij een goed getuigenis moet hebben van hen die bulten zijn" (v. 7). Het is toch ook een van de rijkste ervaringen in ons leven, als ons geloof in onze daden zo'n uitstraling naar 'buiten' blijkt te hebben, dat wij de waardering én sympathie van niet gelovigen, tussen wie wij leven en werken, winnen.
B b 'paralambanoo'
Het woord dat de apostel onder B b gebruikt zou op zichzelf heel goed op het 'opsteken' van iets uit andermans lessen kunnen',slaan. In die zin komt het bij Paulus zelfs vaak voor. Intussen geloof ik, gezien de correspondentie op 'zien' in B d, dat Paulus ditmaal het oog heeft op het 'overnemen' - eigenlijk is dat de heel letterlijke vertaling van het woord! - van gewoonten die men van den apostel had 'afgekeken'. In dié zin vinden we het woord in Mc. 7,4, waar eigenlijk staat: "en zo zijn er nog veel meer; gebruiken die ze hebben overgenomen om aan vast te houden". En men verstaat het woord ook wel het best zo in 2 Thess. 3, 6: "de overlevering die gij van ons ontvangen hebt", gezien wat volgt in v. 7 : "gij weet immers zelf, hoe ons voorbeeld behoort gevolgd te worden". .
Inderdaad heeft Paulus juist met zijn voorbeeld zijn leer in sterke mate ondersteund. (Ook zijn medewerkers Timotheüs en Titus wekt hij op dat te doen, .1Tim. 4, 12; Tit. 2, 7.) Meermalen horen we van hem dan ook de oproep "doet 'zoals ik jullie heb voorgedaan". Behalve hier en vgl. ook v. 9 - lezen we die in 1 Cor. 4, 16 en 11, 1. Trouwens ook in Filipp. 3, 17! En zo blijkt in 4, 9de ring zich te sluiten van de perikoop die in 3, 17 begon.
Noten
2a) Dit verschijnsel is te verklaren uit het feit dat de Oudgriekse maatschappij en z.g. 'shame-culture' was, d.w.z. een samenleving waarin iemand waard was wat men hem waard vond. Zie daarover E.R. Dodds, The Greeks and the Irrational (Sather Classical Lectures 25), Berkeley-Los Angeles 1951, 17-8; S.L. Radt, Zo herkenbaar - en toch ook weer niet (Afscheidscollege RUG), Groningen 1988.
3) De vertaling "schraagt door uw geloof de deugd" (NBG) acht ik niet juist. Veel slechter nog is de Willibrord-vertaling "om uw geloof te voeden met deugd". Het werkwoord dat Paulus hier gebruikt bete-.
kent 'toeleveren' (vgl. 2 Cor. 9, 10; Gal. 3,5); in de NBG resp. vertaald met 'verschaffen' en 'schenken').
Waar het hier om geestelijke kwaliteiten gaat, zou ik willen vertalen: 'aankweken'. Dus: "kweekt door uw geloof flinkheid aan". Door je geloof moet je een 'puike' kerel worden.
4) In dit verband noem ik ook het doorgaans misverstane 1 Tim. 2,2 ;,opdat wij een stil en rustig leven mogen leiden". Men denkt vaak, dat bedoeld is: opdat de kerk dank zij het optreden van de overheid een politiek stabiel en rustig klimaat mag vinden, waarin ze zich kan ontplooien. Maar wanneer men de hier gebruikte termen natrekt, komt men tot de conclusie, dat het Paulus erom begonnen is, dat de christenen zich binnen de maatschappij van hun dagen kalm en rustig zuilen gedragen; dat overheden en medeonderdanen zullen merken: wij hebben in die christenen niet met oproerkraaiers te maken. Ik wijs ter adstructie op 1 Tess. 4, 10-12 "wij vermanen u, broeders.., er een eer in te stellen rustig te blijven en uw eigen zaken te behartigen (d.w.z. zich niet bemoeien met dingen waar men niets mee nodig heeft; met name: zich niet laten meetronen in subversieve activiteiten) ..., opdat gij u fatsoenlijk gedraagt tegenover hen die bulten zijn ... ". (Voor de hier gegeven interpretatie van 'eigen zaken behartigen' verwijs ik naar het woord 'allotriepiskopos' (eigenlijk: iemand die zich met andermans zaken bemoeit) in 1 Petr.4, 15.Deze figuur staat daar in het gezelschap van 'moordenaar, dief en boosdoener'.)