Gereformeerd kerkepad

1989-01-20
  • Jaargang 33
  • nummer 2
In dit nummer van 'Opbouw' het eerste uit een serie van 4 artikelen over kerkgebouwen die ten behoeve van de Gereformeerde eredienst werden gebouwd. Het eerste deel gaat over de kerken uit de jaren na de Afscheiding.

De 19de eeuw
Niet eerder in de Nederlandse geschiedenis werden zoveel kerkgebouwen gebouwd als in de 19de eeuw. Voor de Franse tijd werden andere dan Nederlands Hervormde kerkdiensten slechts oogluikend toegestaan. Men mocht wel diensten houden, maar de gebouwen mochten niet opvallen. Torens en luidklokken waren in ieder geval verboden. De vele achter de huizen gelegen Doopsgezinde schuilkerken tonen ons nog altijd iets van deze geschiedenis.
In de 1ge eeuw kwam er op het punt van de kerkbouw een gelijkberechtiging van alle kerkgenootschappen.
Toch behield de overheid aanvankelijk een stevige vinger in de pap. Zo werd in 1824 bij Koninklijk besluit bepaald dat geen nieuwe kerken gebouwd of bestaande gewijzigd mochten worden zonder voorafgaande goedkeuring. In de praktijk kwam dit erop neer dat de ingenieurs van Waterstaat tevens de kerkgebouwen ontwierpen. Deze kerkgebouwen zijn de geschiedenis ingegaan als de zgn. 'waterstaatskerken '. Van deze kerken zijn er nog tientallen te vinden in Nederland.
Ze vallen doorgaans op door de 'neo-classicistische vormgeving' (ontleend aan de architektuur van het Romeinse rijk; dit komt bv. tot uiting in de pilaren aan de voorzijde, zoals bij de Mozes en Aäronkerk in Amsterdam en de Nieuwe Kerk in Zierikzee). Veel openbare gebouwen uit deze tijd (bv. stadhuizen) kenmerken zich door dezelfde bouwstijl. Dat brengt Prof. Van den Berg tot de kritische uitspraak dat het hier in architektonisch opzicht eigenlijk niet om kerkgebouw,en gaat: deze gebouwen zijn immers vergelijkbaar met een beurs, een postkantoor of een stationshal (1).
Later - toen het Koninklijk Besluit niet meer van kracht was - bouwde de Rooms-Katholieke kerk in veel .
dorpen en steden imponerende kerkgebouwen, 'veelal in neogotische stijl, met hoge daken en nog hogere torenspitsen. De gebouwen van de Afgescheidenen zijn aanmerkelijk soberder. In het boek 'De 19de eeuwse kerkelijke bouwkunst in Nederland' (2)vinden we dan ook weinig Gereformeerde kerkgebouwen.
Het is de verdienste van de samenstellers van 'Honderdvijftig jaar gereformeerde kerkbouw' (3) dat zij in een schitterend uitgevoerd boek ook dit stukje kerkgeschiedenis hebben willen vastleggen. Het boek vormt de basis voor deze serie artikelen op 'Opbouw'.

Niet als kerkgebouw herkenbaar
De eerste jaren waren voor de Afgescheidenen een tijd van vervolging.
Hun openbare kerkdiensten werden zelden toegestaan. Vaak was de groep ook te klein en te arm om een eigen kerkgebouw te kunnen betalen.
Men kwam bijeen in schuren, in een koetshuis of zelfs in een café.
Ook later zien we dat veel kerkgebouwen toch nog nauwelijks als zodanig herkenbaar zijn. Soms gaan ze schuil achter een gewoon woonhuis of achter een boerderij; in andere situaties wijkt het kerkgebouw qua bouwstijl nauwelijks af van de andere bebouwing. Dat kon .
zowel op het platteland het geval zijn (bv. in Almkerk en in Haarlemmermeer-Oostzijde) als in de stad, waar de kerk niet zelden in de huizenrij werd opgenomen.

Van schuilkerk tot trots kerkgebouw
In het hoofdstuk over de kerkgebouwen van de afgescheidenen illustreert Dr. C.A. van Swigchem (4) de snelle ontwikkeling van de gereformeerde kerkgebouwen aan de hand van twee plaatselijke voorbeelden: Middelstum en Bunschoten-
Spakenburg. In beide dorpen kwam men voor 1840 bijeen bij gemeenteleden aan huis. Toen werd erkenning aangevraagd en verkregen en werd het eerste eigen kerkgebouw gebouwd. Deze gebouwen zijn sober en onopvallend. Er volgt verscheidene malen een uitbreiding. In Middelstum wordt in 1870 een nieuw kerkgebouw gebouwd onder leiding vaneen architekt (dit was een vrij nieuwe situatie; veel gereformeerde kerkgebouwen werden door een plaatselijke timmerman ontworpen). Het is een kerkgebouw 'dat er zijn mag': 600 zitplaatsen en een toren aan de straatzijde. Kennelijk was er ook sprake van weerstand tegen de bouw van een dergelijk kerkgebouw, want de plaatselijke predikant spreekt bij het in gebruik nemen van het kerkgebouw van het brengen van offers der liefde, in plaats van het zich in bekrompenheid afvragen: "wat is het goedkóopst?"
Ook wijst hij op de funktie van de torenspits, die op verre afstand de wereld verkondigt: "Hier staat een huis Gods, een poort des hemels!" Ook in Bunschoten (waar deburqerneester tot de Afgescheidenen behoort) wordt tot nieuwbouw overqeqaan. Een dertig meter hoge toren domineert het dorpsbeeld, de burgemeester krijgt een eigen bank toebedeeld en er wordt een orgel in de kerk geplaatst.
Tussen 1870 en 1880 worden enkele grote kerkgebouwen gebouwd, zoals de (later vrijgemaakt) Gereformeerd kerk aan de Molenstraat in Assen en de Plantagekerk in Zwolle.
Deze kerkgebouwen van de Afgescheidenen zijn nadrukkelijk aanwezig in het dorps- en stadsbeeld ...

Interieur
Het interieur van de oorspronkelijke kerken van de Afgescheidenen was sober. De vraag die centraal stond was hoe er met beperkte middelen zoveel mogelijk zitplaatsen gekreëerd konden worden. Meestal was er een middenpad (of twee paden) met aan weerszijden rijen banken, terwijl de kansel voor in de kerk stond. Volgens calvinistische traditie was de gehele bouw gericht op de verkondiging; Steensma (5) spreekt dan ook van een 'preekruimte'. Hij verklaart deze bouwtrant niet alleen uit de beschikbare financiële middelen, maar tevens uit het feit dat in de 1ge eeuw de praktijk van de viering van' het Heilig Avondmaal in onbruik was geraakt en dat deze situatie ook van invloed ls geweest op de Gereformeerde kerkbouw. Van ruimte voor een liturgisch centrum was dan. ook nauwelijks sprake: de banken stonden tot vlak onder de kansel.

Orgels
"We don't believe in organs", zei een gemeentelid van de Free Church of Scotland In-Stornoway op de Hebriden tegen ons. En inderdaad: in de geheel gevulde dorpskerk zingen 1200 kerkgangers onder leiding van een voorzanger 'Iike the waves of the sea'. Een orgel hebben ze niet nodig, ze geloven er niet in.
De huidige situatie op de Hebriden kan vergeleken worden met de gang van zaken bij een aantal atqescheiden gemeenten in de vorige eeuw.
Het orgel heeft plaatselijk op een heel verschillend tijdstip zijn intrede gedaan binnen hun eredienst, waarbij tevens moet worden opgemerkt dat ook in de Nederlands Hervormde kerk het orgel in de vorige eeuw nog geen algemeen gebruik was.
Dat de invoering van het orgel niet altijd zonder slag of stoot is gegaan is bekend. Dr. A.J. Gierveld wijdt er een boeiend hoofdstuk aan (6).
Soms had de invoering van het orgel - evenals de kerkbouw - te maken met de 'konkurrentie' met de plaatselijke Nederlands hervormden.
Dit dreigde (overigens pas in deze eeuw) ook op Urk te gebeuren, maar Hessel Snoek verzamelde hier uit de bijbel alle gegevens over muziek en kwam tot de slotsom dat instrumentale muziek 'geen voortbrengsel Gods' was. Zo wees hij erop dat de vader van het orgel Jubal was, een afstammeling van Kaïn. Zijn argumentatie heeft uiteindelijk niet geholpen: het orgel kwam er toch. .
Dat de orgels van heel verschillende kwaliteit waren, mag .ook als bekend worden verondersteld. Ooit bouwde een plaatselijke vishandelaar een orgel; dit bleek geen sukses. Veel afgescheiden gemeenten schaften zich om financiëIe redenen een tweedehands orgel aan. Dat tweede- of derdehands orgels niet slecht behoeven te zijn is gebleken in Garneren: de Nederlands Gereformeerden kunnen daar iedere zondag luisteren naar een juweel van een orgel uit 1754 (in het boek wordt ten onrechte gesproken over de vrijgemaakt-gereformeerde kerk).


Weinig bewaard gebleven
Van de oorspronkelijke kerkgebouwen van de Afgescheidenen is weinig meer overgebleven. Vaak was de konstruktie niet sterk of werd het kerkgebouw al spoedig te klein. Men verlengde dan het kerkgebouw, of er werd - als er ruimte voor waseen dwarsbeuk toegevoegd.
Het meeste authentieke interieur kan volgens Steensa worden gevonden in het Groningse Thesinge (1876). Verder kan worden verwezen naar het exterieur van een van de eerste na de Afscheiding gebouwde gereformeerde kerken: de thans vrijgemaakt-Gereformeerde kerk in Heerde (1840), die sterk aan een schuurkerk doet denken: De Nederlands Gereformeerde kerk van Loosdrecht wordt niet genoemd in het boek over gereformeerde kerkbouw. Toch is dit kerkgebouw nog ouder dan dat van Heerde: men kerkte al in 1836 in deze tot kerkruimte verbouwde boerderij en daarmee is het een van de oudste kerkgebouwen van de Afgescheidenen die nog als zodanig in gebruik is.
Hoewel de ruimte in 1868 aanmerkelijk werd uitgebreid, zijn interieur en exterieur vrij authentiek en geven daarmee een goed beeld van een kerkgebouw van de Afgescheidenen (7). Kortom: een kerkgebouw om zuinig op te zijn!

Literatuur:
(1) Prof.Dr. J.H. van den Berg; Hoogte in de kerkbouw; Callenbach, Nijkerk, 1981. , (2) Drs. H.P.A. Rosenberg; De 19de eeuwse kerkelijke bouwkunst in Nederland; Staatsuitgeverij ’s Gravenhage Rijksdienst voor de Monumentenzorg, 1972.
(3) Dr. Regn. Steensma en Dr. C.A.
van Swigchem (redaktie); Honderdvijftig jaar gereformeerde kerkbouw; Kok, Kampen, 1986; de noten 4, 5 en 6 verwijzen naar verschillende hoofdstukken uit dit boek; (4) Dr. C.A. van Swigchem; De kerkgebouwen van de christelijke gereformeerden tot 1892 .
(5) Or. Regn. Steensma; De liturgische inrichting (6) Dr. A.J. Gierveld; 150 jaar gereformeerden en hun orgels (7) Ds. J. Bouma; De Afscheiding van 1834 in Loosdrecht (uitgave; Nederlands Gereformeerde kerk Loosdrecht, 1985), besproken in Opbouw 18 juli 1986.



Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief