Uit de school geklapt (2)
1989-02-03
"De school is van de ouders"- Jaargang 33
- nummer 3
"Die school waar jij werkt, heet toch een christelijke school, niet? Nou, ik hoor van mijn zoon maar rare verhalen.
Wat die godsdienstleraar aan de kinderen vertelt, lijkt nergens op!
En die leraar biologie mag ook wel eens onder handen genomen worden.
Trouwens, wat jouw collega Nederlands voor gekke verhalen behandelt! Er staan soms gewoon vloeken in. Hoe hebben ze zulke lui ooit aan een christelijke school kunnen benoemen?"
Het was na kerktijd. De zuster die blijkbaar haar hart eens wilde luchten, was op me af gekomen. Ze was maar slecht over de school te spreken.
Ze wou een brief aan de rector schrijven; dat moesten veel meer ouders doen, vond ze. En ik moest er ook maar eens wat van zeggen!
"Heb jij al eens met één van die leraren gesproken?", vroeg ik. Nee, dat had ze niet gedaan. Ze was ook nog nooit op een spreekuur geweest, ze kende de leraren alleen van naam en ze ging af op wat ze van haar zoon hoorde. Natuurlijk heb ik geprobeerd haar duidelijk te maken dat je met bezwaren eerst naar de betrokken persoon zelf moet gaan en dat het onbehoorlijk is je meteen maar tot de rector te wenden.
Van die kon ze trouwens een' soortgelijk antwoord verwachten. En wat mijn persoontje betreft: ik wou best haar bezwaren aanhoren, maar het lag niet op mijn weg mijn collega's te gaan kapittelen, als ik niet zelf met bepaalde zaken geconfronteerd was. Ik heb haar ook nog gevraagd: "Ben je lid van de oudervereniging en kom je wel eens op de vergaderingen?" Ja,ze was wel lid, meende ze. Maar op een vergadering was ze nooit geweest. Dat liet ze over aan mensen die van vergaderen hielden. Maar toch: kon ik nou echt niets doen? Ik werkte toch ook aan die school en ik zou toch wel wat invloed hebben? En wéér heb ik haar verteld dat ik op mijn manier mijn best deed, dat ik herhaaldelijk in de kring van de collega's betoogde dat we ons erop moeten bezinnen wat het betekent een christelijke school te zijn. Maar ook dat de ouders tekort schieten. Het is wel erg gemakkelijk alleen maar kritiek te laten horen en je verder afzijdig te houden. En is het soms wél christelijk alleen óver bepaalde mensen te praten, terwijl je nooit mét ze praat, ze zelfs niet kent?
"Weet je dat mevrouw Larooi, de lerares Engels van je zoon, ernstig ziek thuis ligt? Heb je haar al eens een kaart of een briefje gestuurd?"
Nee, daar had mijn kerkelijke zuster nog nooit aan gedacht. "Nou, kijk, dat zijn nou de dingen waaraan op die slechte school wél gedacht wordt. We collecteren ook af en toe voor o.a. Redt een Kind. En doe jij nou maar eerst eens wat je als christelijke ouder hoort te doen.
Zorg dat je de mensen kent van wie je kinderen les krijgen. En als je bezwaren tegen die lessen hebt, praat dan maar eens met die mensen.
Je zult merken dat ze meer voor rede vatbaar zijn dan de verhalen van jouw zoon doen vermoeden."
"De school is van de ouders", zei men vroeger. Zegt men dat nog? Zo ja, dan is het grotendeels theorie geworden. In het najaar hadden we een ledenvergadering van de vereniging die twee scholen beheert. Die scholen tellen samen zo'n drieduizend leerlingen. Daar horen toch al gauw vierduizend ouders bij. Hoeveel waren er op die vergadering?
Naar schatting niet meer dan vijftig; uit de kring van Christelijke en Nederlands Gereformeerden misschien acht. Dat is niet in orde. Er zijn in het onderwijs voortdurend allerlei ontwikkelingen gaande waarop men kritiek kan hebben.
Christelijke ouders horen betrokken te zijn bij de school waar hun kinderen zo'n belangrijk deel van hun leven doorbrengen. En via de ledenvereniging kunnen ouders veel meer invloed uitoefenen dan zij beseffen.
"De andere kinderen gaan straks naar een Vrijgemaakte school!" Ook dat heb ik gehoord. En zo onttrekken ouders zich aan hun plicht; zo werken ze er bovendien aan mee dat de christelijke school nog verder leeggezogen wordt.
De identiteit van de christelijke school
Op de laatste ledenvergadering sprak de bekende K. de Jong Ozn.
De identiteit van de christelijke school raakt in het gedrang. Steeds meer leerlingen kamen uit niet kerkelijke milieus. En veel leerlingen hebben geen boodschap meer aan het 'christelijke'. De invloed van die leerlingen en hun ouders kan erg nadelig werken. Daarnaast zijn het de overheidsmaatregelen en -voorschriften die de scholen tot een soort eenheidsworst dreigen te degraderen en ook dat maakt het moeilijk de christelijke school een eigen identiteit te doen behouden.
Volgens De Jong zijn het vooral de leraren die de identiteit van een school bepalen. De manier waarop zij met elkaar en met hun leerlingen omgaan, hoe zij les geven, hoe zij spreken vanuit een bepaalde overtuiging, dát zijn de dingen waar leerlingen elke dag mee te maken krijgen. Helaas blijkt in de praktijk dikwijls dat bij menige leraar nauwelijks of helemaal niet een geloofsovertuiging doorklinkt. En ouders maken zich daarover terecht zorgen.
Er is wel eens kritiek op het benoemingsbeleid.
Maar uiteindelijk zijn de ouders daar zelf verantwoordelijk voor. Het bestuur benoemt de leraren, maar het bestuur wordt door de ouders gekozen. En daarom zeg ik weer: de ouders zouden actiever moeten zijn, ook de ouders uit ónze kring!
"We hebben geen keus"
In de derde klas van de h.b.s. had ik les van een leraar die niet christelijk was en die dat duidelijk liet weten.
Hij hield zich aan de regels; hij las elke morgen het verplichte stukje uit de Bijbel en hij ging voor in gebed.
Dat wil zeggen: hij las het Onze Vader voor. Hij kende het natuurlijk al lanq uit zijn hoofd, maar hij maakte er elke keer een kleine demonstratie van door het eerst in de Bijbel op te zoeken en het dan met open ogen voor te lezen. Toch was het een christelijke school waar mijn vader me uit overtuiging heen had gestuurd; het heeft hem heel wat geld extra gekost. Waarom dan die leraar benoemd was? Men had geen keus! Er was geen andere te vinden.
En zo gaat het ook nu nog wel.
Neem een vak als economie. Met veel moeite was er weer iemand gevonden die les wilde geven. Hij was weliswaar niet helemaal bevoegd, maar dat was niet zo'n bezwaar.
Na drie maanden vertrok hij weer: hij kon in het bedrijfsleven een baan krijgen waar hij netto tweeduizend gulden meer per maand verdiende.
En wat kost het een moeite een vervanger te vinden voor een zieke collega! De examens moeten toch doorgaan? Zo kan het gebeuren dat er iemand voor de klas komt te staan die geen enkele binding heeft met het christendom. U keurt dat af? Ik betreur het ook. Maar wilt u dan dat uw zoon of dochter geen examen kan doen? En als er na ,verloop van tijd wél een christelijke leraar beschikbaar is, moet dan die ander maar weer weggestuurd worden, nadat hij ons uit de moeilijkheden heeft geholpen? U ziet: het probleem is niet zo eenvoudig. Maar misschien bent u het met mij eens als ik zeg: wij hebben jonge mensen nodig, gelovige christenen die vanuit hun christen-zijn het onderwijs willen dienen.
Niet alleen maar narigheid
Kon ik maar tekenen, dan zou ik u graag nog eens op een leuk plaatje trakteren. Daarom vertel ik nu maar een aardige gebeurtenis tot afsluiting van deze bijdrage in Opbouw.
We hadden uit de Bijbel gelezen en we kregen het over naastenliefde. Ik zei dat je daarbij niet maar wat vaag moest denken, maar dat naastenliefde tot uiting kwam in concrete daden. De dag daarvoor had bij mij thuis een dame aangebeld. Het regende pijpestelen en haar auto had een lekke band. Ze kon het wiel niet verwisselen; mocht ze haar man even opbellen? Ik vroeg: "Hoe komt die dan hier in de regen?" "Op de fiets", zei ze. Toen heb ik haar maar even geholpen, ook al had ik er niet veel zin in bij dat hondeweer.
"Ach", zei ik toen tegen de klas, "ik had beter een ander voorbeeld kunnen nemen, want nu lijkt het net of ik zo
braaf ben." "Dat hindert niet hoor meneer", zei een jongen, "we weten genoeg andere dingen van u.”
Het is een prachtig vak, dat leraar zijn. Maar je moet wel een beetje gevoel voor humor hebben. Een volgende keer verder.