Persschouw

1989-02-17
  • Jaargang 33
  • nummer 4
Je moet de preek goed kunnen volgen

Onder deze titel geeft drs. C.J. de Ruijter te Rotterdam-Centrum in het vrijgemaakt gereformeerde weekblad: 'De Reformatie' aandacht aan de lengte van de preek. Onder het kopje: Hoe lang? schrijft hij:

De vraag hoe lang de preek mag zijn houdt de gemiddelde kerkganger regelmatig bezig. En dat heeft niet alleen te maken met het feit, dat onze luistervaardigheid ernstig aangetast is door de sterk visueel gerichte instelling van onze tijd. De lengte van de preek heeft ook veel te maken met de opbouw.
Ik zou in dit verband willen pleiten voor een korte preek. Ik bedoel daarmee niet dat je de lengte van de preek zou kunnen vaststellen op bv. een half uur of twintig minuten. De ene dominee heeft veel meer tijd nodig dan de andere, zelfs al zeggen ze precies hetzelfde. Bovendien heeft de één meer woorden nodig dan de ander. Daar komt bij, dat de lengte van de preek ook altijd afhangt van de tekst. Een tijdslimiet is dus niet te stellen. Maar met een korte preek bedoel ik, dat de gemeente niet gediend is met allerlei uitweidingen. Die dienen de helderheid van het verhaal niet, maar kunnen juist de struktuur vertroebelen en daardoor het inzicht grondig belemmeren. Het is van het grootste belang dat de gemeente de preek kan volgen. Maar dan moet die wel zonder al te veel omwegen op het doel afgaan. En dat doel ligt duidelijk in de tekst aangegeven. Daarom mag je van de preek verwachten dat die zo kort is, dat de gemeente de prediker op de weg naar dat doel kan en wil volgen.

Calvijn merkte destijds op, dat hij niet voldoende tijd had om korte preken te maken. Dat is een doordenkertje.
Het geeft intussen wel de werkelijkheid weer. Hoe meer tijd een predikant kan uittrekken voor het maken van een preek des te meer kan hij zich verdiepen in het gegeven van de gekozen tekst en des te beter en doeltreffender kan: hij de boodschap van de Schrift aan de gemeente doorgeven. De gemeente moet de dienaar van het Woord dan ook de nodige ruimte gunnen zich aan de voorbereiding van de preken te wijden. In de prediking klopt immers het hart van de kerk. Daarbij komt het gevaar, dat men zeker als men pas begonnen is als dominee meent, dat de preken niet voldoende inhoud bevatten en daarom van alles en nog wat erin stopt. Ds. C. Vonk merkte eens op, dat de preken eerder te vol dan te hol zijn. Een wijs woord! Verder is het moeilijk richtlijnen uit te stippelen.
We hadden destijds in Utrecht o.a. een Ds. P.Ch. van der Vliet en een Ds. C. Veenhof (de latere professor).
De één preekte kort, de ander lang. Maar zij waren beiden zeer begaafde verkondigers van het rijke evangelie, die de gemeente boeiden en volle kerken trokken.
Toch goed en interessant om eens over dit onderwerp na te denken!


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief