Gereformeerd kerkepad

1989-02-17
  • Jaargang 33
  • nummer 4
De eerste helft van de 20e eeuw is in bouwkundig opzicht de periode van triomf van het gereformeerde kerkgebouw. In deze tijd ontwikkelen de gereformeerde kerken hun eigen karakteristieke bouwstijl.

Abraham Kuyper
Het boek 'Honderdvijftig' jaar gereformeerde kerkbouw' wijdt een apart hoofdstuk aan Dr. Abraham Kuyper.
En terecht, want zijn visie is van grote invloed geweest op de gereformeerde kerkbouw. In een serie van maar liefst 120 artikelen schreef hij over allerlei zaken die met de kerkdienst en het kerkgebouw te maken hebben.
Opvallend is de praktische invalshoek die Kuyper hanteert bij het schrijven van zijn artikelen. Schrijvend over het ideale kerkgebouw merkt hij op dat de gemeenteleden elkaar moeten kunnen zien en de voorganger kunnen zien en horen.
Daarom bepleit hij een gebouw in de vorm van een halve cirkel, eventueel oplopend, en met opmerkelijk kleine afmetingen: 20 bij 15 meter, dit met het oog op de stembanden van de predikant. Kuyper heeft kritiek op de preekstoel: "een hoge, holle sombere bloemkelk, waar halverwege een mens uitkomt". Hij geeft de voorkeur aan een podium, waarop predikant én ouderlingen plaats nemen. Zo wordt zichtbaar dat zij sámen de opzieners van de kerk zijn.

Doopvont en avondmaalstafel
Wanneer het protestantse kerkinterieur wordt omschreven als "een zuivere, lege ruimte, die op niets anders gericht is dan op het Woord."
(1, 2), dan is dat niet van toepassing op Kuypers ideeën over de zichtbare plaats van de sacramenten tijdens de kerkdienst. Doop en avondmaal zijn zó wezenlijk voor de gereformeerde eredienst dat doopvont en avondmaalsruimte zichtbaar moeten zijn in het kerkgebouw.
Kuyper vindt dan ook dat de ruimte niet geheel gevuld moet zijn met banken. Op praktische gronden bleek het echter vaak onmogelijk om ruimte voor de avondmaalstafel( s) vrij te maken. Pas veel later zien we het 'liturgisch centrum' ontstaan bij de bouw van gereformeerde kerken.
Dat Kuyper's praktische ideeënrijkdom soms erg ver ging blijkt uit een suggestie die - naar ik vermoed nooit in de praktijk is uitgevoerd: geef ieder belijdend gemeentelid in diensten waar het Avondmaal gevierd wordt bij binnenkomst van de kerkruimte een nummertje, zodat men weet aan welke tafel en op welke plaats men moet aanzitten (3).

Vader en zoon Cuypers
De Rooms-Katholieke kerk ontwikkelde in Nederland een eigen kerkIijke bouwstijl dankzij het werk van vader (P.J.H) en zoon (J.Th.J.) Cuypers.
Zij ontwierpen tientallen grote kerken die met hun hoge torens en ranke vormgeving menig dorps- en stadsbeeld bepalen. Het silhouet is zó karakteristiek dat men bijna altijd al van verre kan zien dat men een katholiek kerkgebouw nadert. Helaas is menig bouwwerk ten prooi gevallen aan de slopershamer: dergelijke grote kerken betekenen ook een zware financiële last voor de parochie.
De stijl die P.J.H. Cuypers (tevens ontwerper van het Rijksmuseum en het Centraal Station in Amsterdam) hanteert is doorgaans ontleend aan een eigen interpretatie van vooral de gothiek. Het hoogtepunt van deze bouwstijl ligt aan het eind van de vorige eeuw (4).

Tjeerd Kuipers
Hoewel ook de gereformeerde kerkgebouwen aan het einde van de 19e eeuw als zodanig vaak herkenbaar zijn, ontwikkelt hun eigen karakteristleke bouwstijl zich eigenlijk pas in de 20e eeuw. Dan voltrekt zich een snelle ontwikkeling van de architektuur en deze verandering is ook merkbaar in de bouwstijl van kerken.
Kan in de 19e eeuw gesproken worden van bouwstijlen die vroegere stijlen imiteerden (de zgn. neostijlen van classicisme, gothiek en renaissance), in de 20e eeuw krijgt de kerkelijke architektuur een eigentijds gezicht. Een architekt die deze ontwikkeling heeft meegemaakt en die van grote invloed is geweest op de gereformeerde kerkbouw is Tjeerd Kuipers. Zijn vader was aannemer-timmerman in het noorden van het land. Kennelijk heeft deze het vak aan zijn zoons meegegeven, want ook twee broers van Tjeerd Kuipers werden architekt; zijn broer Roelof bouwde een groot aantal watertorens, maar heeft ook enkele kerken op zijn naam staan.
Tjeerd Kuipers bouwde zijn eerste kerkgebouw in 1888 (Makkum).
Daarna volgde een lange reeks van beroemde kerkgebouwen (bv. de Fünenkerk in Amsterdam en de Wilhelminakerk in Dordrecht). Zijn latere ontwerpen tonen duidelijk de invloed van Berlage. In Leeuwarden bouwde Kuipers de Koepelkerk (1923), waarbij de ideeën van Abraham Kuyper in het interieur herkenbaar zijn (5).

Kampen
De naam Tjeerd Kuipers is ook verbonden aan de Nieuwe Kerk in Kampen. In 1910 besluit de kerkeraad van de Gereformeerde Kerk om over te gaan tot de bouw van een derde kerkgebouw in deze Hanzestad.
Het gebouw krijgt een hecht fundament van 500 palen en telt 1300 zitplaatsen. En dat allemaal voor minder dan 35000 gulden.
Ruim een jaar later wordt het gebouw officieel in gebruik genomen.
Kinderen beneden de 14 jaar hebben géén toegang bij deze officiële ingebruikneming.
Men is in Kampen blij met dit nieuwe kerkgebouw. Er is echter ook kritiek. Broeder E.D.J. de Jongh Jr. schrijft op 8 juli 1911 een uitvoerige brief aan de kerkeraad: "Een wezenlijk bestanddeel van den eeredienst bestaat in het Sacrament van den H. Doop en dat men hiervan niets bemerkt, tenzij dan op het oogenblik van de bediening van het Sacrament zelve, is een groot gebrek.
Ook blijft het een gebrek dat van het Sacrament des H. Avondmaals, dit gewichtig bestanddeel van den eeredienst, in gewone tijden niets te bespeuren valt ..." De ideeën van Abraham Kuyper ten aanzien van de sacramenten waren in dit kerkgebouw genegeerd.
Ruim 60 jaar later is het interieur van de inmiddels Nederlands Gereformeerde kerk in Kampen aan restauratie toe. Er worden een prachtig doopvont en een avondmaalstafel voor de kansel geplaatst. Iedere zondag worden de kerkgangers in de Nieuwe Kerk in Kampen herinnerd aan de belofte die verbonden is - met de beide sacramenten. "Wat zou deze broeder nu genoten hebben", aldus de schrijver over de restauratie van dit kerkgebouw (6).

Massief
De eigen stijl van de gereformeerde kerkgebouwen komt het sterkste naar voren in het werk van twee architekten: Berend Boeyenga en Egbert Reitsma. Boeyenga bouwde o.a. de Kloppersingelkerk in Haarlem, terwijl de ontwerpen van de grote gereformeerde dorspkerken in Kollum en Andijk van de hand van Reitsma zijp. Gereformeerde kerkgebouwen hebben zelden hoge torens, maar de hoge daken maken een imponerende indruk, een indruk die nog eens versterkt wordt door de smalle, hoge ramen. Deze kleine ramen in kombinatie met het overvloedige gebruik van baksteen geven de gebouwen hun robuuste indruk (de invloed van de zgn. Amsterdamse school; we komen hier in het volgende nummer nog even op terug).
Hoewel Boeyenga en Reitsma rond 1930 een grote verandering in de stijl van hun ontwerpen doorvoeren blijven andere architekten ook in de jaren dertig nog in de zo karakteristieke bouwstijl van de gereformeerden tussen de beide wereldoorlogen bouwen. Een voorbeeld van deze stijl is het kerkgebouw van de Nederlands Gereformeerde kerk in Wezep.

Literatuur
(1) C.W. Mönnich en Michel van der Plas: Het Woord in beeld (Ten Have, Baarn, 1977) (2) Een genuanceerd en goed gedokumenteerd beeld van de tradities in de kerkbouw binnen de verschillende protestantse kerken biedt de uitgave van de hand van C.A. van Swigchem, T. Brouwer en W. van Os; Een huis voor het Woord (Staatsuitgeverij 's-Gravenhage, 1984) (3) J. Vrieze: Abraham Kuyper en het gereformeerde kerkgebouw; Regn Steensma: De liturgische inrichting (in: Honderdvijftig jaar gereformeerde kerkbouw, Dr. Regn Steensma en Dr. CA van Swigchem, Kok, Kampen, 1986) (4) Drs. H.P.A. Roseriberg: de 19e eeuwse kerkelijke bouwkunst in Nederland (Staatsuitgeverij ’s-Gravenhage /Rijksdienst voor de Monumentenzorg, 1972) (5) J. Fallize: De kerkbouw voor en na 1900 (in: 3) (6) Jaarboekje 1973-1974 (Nederlands Gereformeerde Kerk, Kampen)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief