Omzien en doorgaan

1989-02-17
  • Jaargang 33
  • nummer 4
We zijn hier vandaag bij elkaar, omdat het ruim honderd jaar is geleden, dat de Nederlandse Bond van Jongelingsverenigingen op Gereformeerde Grondslag werd opgericht.
Deze bond bestaat niet meer en dus kan het vreemd lijken hier vandaag nog aandacht aan te besteden.
Toch heeft dit herdenken zin. Omdat het werk, dat de bond zich tot doel stelde, nog steeds voortgang vindt. We herdenken geen honderdjarige bond, maar honderd jaar gereformeerd jeugdwerk. En dát is de moeite waard. We kijken vandaag even achterom, maar kijken ook vooruit. Want het onderwerp, dat we vandaag gaan bespreken, is aktueel, eigentijds, toekomstgericht.
We mogen vandaag omzien in verwondering; een verwondering, die voortkomt uit en gepaard gaat met dankbaarheid. Wat de net negentien jaar oude Vonken berg in 1888 met een aantal vrienden deed, was belangrijk voor toen en heeft betekenis voor mi. Hij richtte met enkele anderen een bond, een bondje, op. Een bond van studieverenigingen. Op zichzelf was dat niet zo bijzonder.
Het werd echter een bond op 'gereformeerde grondslag'. Twee jaar na de doleantie van 1886 wist men zich verbonden aan de gereformeerde kerken. Gereformeerd jeugdwerk heeft een band met de/kerken, met de gemeenten. Dat jeugdwerk heeft het honderd jaar volgehouden. En daarom vieren we een beetje feest.
Niet om onszelf op de borst te slaan.
Daar is geen reden voor. Kerkelijke ruzies, gevolgd door kerkelijke breuken, hebben het jeugdwerk niet onberoerd gelaten. De strijd van de ouderen heeft een nadelige invloed gehad op het werk van de jongeren.
De vrijmaking had tot gevolg, dat de bond in 1946 in tweeën ging. Er kwam een tweede bond bij onder de naam Nederlandse Bond van Gereformeerde Jongelingsverenigingen.
De heer J.G. van Oord heeft tot 1953 aan deze bond als voorzitter leiding gegeven. Na hem werd Ds. J.A. Vink voorzitter; hij bleef dat tot zijn overlijden in 1964. De naderende breuk in de vrijgemaakte kerken begon zich toen reeds duidelijk af te tekenen. De breuk had o.a. tot gevolg, dat verenigingen· uit de bond werd gezet. We hebben geen reden om ergens prat op te gaan. In ons gedenken moeten we nederig zijn, stil zijn, stil zijn voor God. Als buiten het verband geraakte kerken waren we op eens een kleine groep met weinig mogelijkheden. Ook de mogelijkheden voor het jeugdwerk waren gering. Des temeer moeten we vandaag zijn, dat dwars door allerlei kerkelijke ellende heen God ons in 1972 toch nog de gelegenheid gaf het oude jeugdwerk weer aan te pakken en er opnieuw gestalte aan te geven. Op de jeugddag van 1972 mocht ik er op wijzen, dat de HEERE in Zijn handelen geweldig is. Hij is geweldig tegenover de machten. Hij is geweldig in het bewaren van de Zijnen temidden van de machten. Hij is geweldig in de bewaring van mensenwerk, dat in geloof wordt aangepakt en volgehouden.
Beloofd is immers beloofd!

In Psalm 119 zingen we, dat Gods Woord een licht op ons pad en een lamp voor onze voet is. Die psalm heeft Vonken berg in 1888 heel concreet dichterbij gebracht. Daar ging het hem om. Gods Woord dicht bij de kerkjeugd en de kerkjeugd dicht bij Gods Woord.
In een tijd, dat de ouderen het voor het zeggen hadden, lieten een stel jongens zien wat ze mans waren.
Met acht verenigingen kwam er een bond. Het gereformeerde karakter van het verenigingswerk zat hen hoog. Misschien spreekt dit de jongelui van vandaag niet meer zo aan.
Als je dan dit er maar van onthoudt, dat ook vandaag het kerkelijk jeugdwerk slechts recht van bestaan heeft dank zij het Woord, dat aan Gods gemeenten is toevertrouwd.
Met de gemeente doen jongelui in verenigings- of clubverband mee aan het belijden van de kerk. Zolang het levende Woord in het jeugdwerk de rechte plaats ontvangt, zal van dat jeugdwerk kunnen worden gezegd wat Vonkenberg zei toen 'zijn' bond 25 jaar bestond: "Want er zit iets jongs in, dat niet oud kan worden".
Ik voeg er aan toe: in dat jeugdwerk zit iets ouds, dat altijd jong blijft!

De in 1888 opgerichte bond kreeg de naam Nederlandse Bond van Jongelingsverenigingen op Gereformeerde Grondslag. Een mond vol.
Vandaag vinden we zo'n naam wat hoogdravend. Dat mag: 1988 is niet 1888. Met verwijzing naar de eerste letters van elk woord werd honderd jaar geleden wat smalend gezegd: 'Niets Betekenend Jonqensvermaak Over Grootvaders Godsdienst'. Leuk gevonden, maar het kon de ontwikkeling van het werk niet tegenhouden. Want wat men 'jongensvermaak' noemde was voor Vonkenberg de zelfwerkzaamheid van de jeugd in het bestuderen van de bijbel. Het is een geweldige greep geweest, dat"die zelfwerkzaamheid hoog in het vaandel stond. Jongeren zelf aan de slag met Gods woorden voor hen. Wel in verbondenheid met de ouderen, maar niet onder direkte leiding van ouderen. Anders gezegd: als jongeren zelf aan de gang, maar dankbaar gebruikmakend van wat ouderen aan goeds meegeven.
Het is van belang even stil te staan bij de vraag, hoe het er vandaag met ons jeugdwerk voorstaat. We hebben een stichting Nederlands Gereformeerd Jeugdwerk. We hebben een blad Verkenning. Een mooie naam, jaren geleden bedacht door de naar menselijke maatstaven te vroeg overleden Rens Venderbos, vader van de huidige redaktiesekretaris. Het is wel leuk even te vertellen, dat het bondsbestuur indertijd voorstelde de naam van het bondsblad Calvinistisch Jongelingsblad te veranderen in Verkenning, dit door de verenigingen werd afgewezen.
Achteraf gelukkig, want zo kon aan ons blad deze naam worden gegeven.
We hebben voor ons jeugdwerk schetsen, die op moderne wijze vandaag geven wat honderd jaar geleden met zelfwerkzaamheid werd bedoeld. Zelf aan het werk, met de bijbel voor je. Zelf aan de studie om wijzer te worden.
Er wordt wel geklaagd over slapte in ons jeugdwerk, over tekorten in belangstelling bij veel jongelui. Maar die klachten werden jaren geleden ook al gehoord. In verband met deze dag bladerde ik in oude jongelingsbladen en kwam toen een toespraak van. mezelf tegen, die ik hield op de bondsdag van 1959. Ook toen had ik het over slapte en weinig belangstelling. De jongens en meisjes, die ik toen toesprak, zijn de vaders en moeders van nu. Troost je dus. Maar troost je vooral met het feit, dat die misschien wel eens wat slappe jongelui van toen je toch de weg naar de Heer hebben gewezen en neem je voor dat zelfde te doen aan een volgende generatie.
Jongelui zetten zich wel eens af tegen ouderen. Daar is soms ook wel reden voor. Jpngeren zijn geneigd om de dingen anders te doen dan ouderen en dat kan goed en verkeerd zijn. Jongeren in de kerk hebben de neiging om, als het over de gang van zaken in de kerk gaat, te spreken zoals de Israëlieten deden in Babel, toen ze zaten te treuren en medelijden hadden met zichzelf.
Ze zeiden toen (Ezechiel 18 en Jeremia 31): "De vaderen hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden der kinderen zijn stroef geworden".
Als je onrijpe druiven eet, krijg je stroeve tanden. De mensen in Babel zeiden: onze vaderen aten onrijpe druiven, zij deden het verkeerd, en wij, hun kinderen, hebben stroeve tanden en zitten met de gebakken peren. Beide profeten hebben gewezen op het onjuiste van dit spreken en Jeremia voegt er dan aan toe, dat die echte -en onechte tegenstellingen tussen ouderen en jongeren zullen verdwijnen en eens zullen ze met elkaar feestvieren.

Tenslotte nog dit: Het zal van jullie, jongens en meisjes, mede afhangen of dat gereformeerde jeugdwerk verder voortgang vindt. Jullie mogen met dit werk doorgaan als een gekregen goed. We leven in een geseculariseerde wereld. Het naar de kerk gaan is niet vanzelfsprekend meer en het gaan naar een jeugdvereniging evenmin. Het bestuderen van de bijbel wordt meer en meer een zaak van de liefhebbers. Laat je echter niet stil zetten, maar blijf een jeugd in beweging. Je wordt met je jeugdclub steeds meer een vreemde in deze wereld. Het leven van Gods kinderen is nu eenmaal voor een deel leven uit wat is beloofd. Leven uit de belofte kun je alleen door het geloof, dat beloofd ook echt beloofd is. Belofte maakt schuld, zeggen we. Welnu, God betaalt die schuld, hééft die schuld al betaald.
Jeremia heeft er iets van begrepen.
Hij snapte Gods bedoeling met hem niet zo best. rnaar hij zei: U hebt mij overgehaald, ik ben bezweken, U bent me te sterk geweest, ik kan niet tegen U op (20 : 7).
Met die woorden kunnen we met ons jeugdwerk ook vandaag verder.
In nederigheid: God is ons te sterk.
In geloof: God doet het.
In ootmoed: God wil ons werken gebruiken.
In kleinheid: Wij mogen wat stenen 'aandragen en neerleggen voor Gods stad, die komende is. Maar God moet dat alles bij elkaar houden.
En daarom zeg ik tot jullie, jongens en meisjes: gaer mee door.
Vandaag en morgen en langer.
Het is de moeite waard. En onthoud vooral dat gereformeerd jeugdwerk bestaat bij de gratie van God.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief