Sola Scriptura

1992-08-14
  • Jaargang 36
  • nummer 17
'Sola Scriptura' - dat is, zoals u weet, één van de grote uitgangspunten van de Reformatie; samen met het 'sola gratia' - alleen door genade - en het 'sola fide' - alleen door geloof. 'Sola Scriptura' - alleen de Schrift!

Twee fronten
Het is duidelijk waartegen dit Sola Scriptura is gericht: tegen de leer van Rome, waarin niet alleen de Heilige Schrift, maar ook de traditie wordt gezien als gezaghebbende geloofsbron en openbaring; zoals het tenslotte in 1546definitief werd vastgesteld door het concilie van Trente: Schrift en traditie worden door de kerk 'met eenzelfde vrome bereidheid en eerbied' ontvangen en vereerd.
Daartegenover stelde de kerk van de Reformatie het Sola Scriptura: in de kerk van de Here Jezus is niet de traditie, maar alleen het in de Schrift geopenbaarde Woord van God gezaghebbend. Maar nu is het opmerkelijke dat onze Gereformeerde vaderen in de zestiende eeuw, bij alle nadruk die zij tegenover Rome legden op dit Sola Scriptura, er toch terdege voor gewaakt hebben nu niet naar de andere eenzijdigheid door te slaan: die van het Doperse biblicisme.
In dit artikel wil ik graag op één concreet punt uw aandacht vragen voor de wijze waarop ons voorgeslacht zich opgesteld heeft in de confrontatie met dit andere grote strijdfront uit de eeuw van de Reformatie. Dat ene, concrete punt is:

De eed
In de Heidelbergse Catechismus is een aparte Zondag gewijd aan de vraag of het een Christen geoorloofd is een eed te zweren. Nadat in Zondag 36 gevraagd is wat de Here van ons eist in het derde gebod, wordt daar in Zondag 37 nog de vraag naar de rechtmatigheid van de eed aan toegevoegd. Dat is opmerkelijk.
Bij de behandeling van de Tien Geboden hebben Ursinus en Olevianus immers voor elk van de andere negen geboden precies één Zondagsafdeling nodig; alleen voor het derde gebod hebben ze twee Zondagen nodig. Stellig is dat geen toeval, zo op de manier van: het moesten nou eenmaal in totaal 52 Zondagen worden, en dus hebben ze zo hier en daar maar wat gerommeld. Nee, onze vaderen hebben wel degelijk beseft dat de zaak, die ze hier in deze Zondag 37 aan de orde stelden, van een dusdanig gewicht was, dat een aparte behandeling ervan zeker geen overbodige luxe was.
Waar gaat het namelijk om in Zondag 377 Ja, het gaat om de eed, natuurlijk - maar het gaat in wezen om nog veel meer: om een complete Schriftbeschouwing namelijk!

Schriftbeschouwing
Er is wel eens op de Catechismus aangemerkt dat er geen Zondag gewijd is aan de Heilige Schrift zelf - en in letterlijke zin is dat waar. Wellicht typeert dat ook iets van het verschil tussen toen en nu: waar wij vragen om een expliciete behandeling van het onderwerp 'Schriftbeschouwing' , daar schreven onze vaderen hun geloof uit in een levende Heer, die Zijn Woord had gesproken, en die dat Woord blijft spreken, door alle tijden heen. Uit dat Woord leefden zij, konkreet en praktisch; en daarom hoefden ze over dat Woord op zichzelf ook niet meer zoveel te zeggen.
Maar nu is het toch niet waar dat er in dit belijdend, getuigend spreken uit de zestiende eeuw niet ook belangrijke lijnen getrokken zouden worden als het gaat om ons omgaan met de Heilige Schrift. Weliswaar komt de Schriftbeschouwing als apart thema dus niet aan de orde; maar intussen was de zaak onze vaderen maar al te zeer bekend. Dat wordt o.a. duidelijk uit Zondag 37.

Dopersen
Hoe stelden de Dopersen zich immers op met betrekking tot de vraag naar de rechtmatigheid van de eed? Nu, daar hoefden zij niet lang over na te denken.
Zij sloegen hun bijbel op, citeerden het woord van Jezus uit Matteüs 5:34: "Ik zeg u in het geheel niet te zweren" - en daarmee was de diskussie afgelopen. Daar staat het immers?
Mag je een eed zweren? Dat kan geen vraag meer zijn, als je tenminste werkelijk wilt luisteren naar het duidelijke, geopenbaarde Woord van God. Of moet de Here het dan nóg duidelijker zeggen? Voor een Christen is de eed ten enenmale verboden. Aldus de Dopersen.
Die redenering heeft iets uitermate aantrekkelijks; en dat dan met name voor mensen die echt ernst willen maken met hun christen-zijn. Die niet de kantjes eraf lopen, maar juist telkens heel serieus vragen: Wat wil de Here?
Dit is het aanlokkelijke van het Biblicisme: dat het zo volstrekt radicaal is; er wordt niet gesjoemeld met het Woord van God. Dit staat er; en dat moet je laten staan! Daar heb je je aan te onderwerpen - en als je dat niet doet, ben je ongehoorzaam aan de Here.

Gereformeerd
Wij, als orthodoxe gelovigen, voelen ons inmiddels wat onbehaaglijk. Aan de ene kant zijn wij immers altijd gevoelig voor het: 'Zo zegt de Schrift!''Sola Scriptura' als wezenskenmerk van Gereformeerd-zijn! Daar zijn we te allen tijde op aanspreekbaar - maar tegelijk is er ook nog een andere kant; er is een aarzeling om het aanlokkelijke Biblicisme ons zomaar toe te eigenen. Want wat komt erin mee? Welkeconsequenties halen we op deze weg over ons heen? De Catechismus In Zondag 37 hebben Ursinus en Olevianus in alle duidelijkheid Nee gezegd tegen het Dopers biblicisme.
"Mag men ook godvrezend bij de naam van God zweren?" Antwoord: "Ja, dat mag. Namelijk wanneer de overheid het eist, of wanneer er een noodsituatie is".
U moet zich realiseren wat de Catechismus doet door dit antwoord te geven: hier wordt namelijk met zoveel woorden gezegd dat een duidelijk en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar woord van de Here Jezus toch voor ons als Zijn gemeente in laatste instantie niet het doorslaggevend argument oplevert om de vraag naar de rechtmatigheid van de eed definitief mee te beslissen. ' Het zal duidelijk zijn dat de Catechismus hiermee niet gekozen heeft voor de gemakkelijkste weg. Dit antwoord ligt immers open voor de kritiek van Dopers-biblicistische kant - en nog eens: wij zijn bij voorbaat gevoelig voor die kritiek! Want is dit nu geen gesjoemel met Schriftgegevens?
Wordt hier het duidelijke Woord van God niet aangepast aan menselijke maat en wens? Want, zo zou de kritiek kunnen luiden: Jij kunt dan wel vinden dat je in bepaalde omstandigheden de eed nog nodig hebt, maar als Jezus daar Nee tegen zegt, dan moet je niet een lang verhaal gaan houden om daar onderuit te komen, maar dan moet je simpelweg gehoorzamen; dát is wat God van je vraagt!
(Denk in dit verband ook aan de manier waarop tegenstanders van de kinderdoop nogal eens plegen te argumenteren; ook daar vaak de kritiek dat wij zo'n lang verhaal nodig hebben om het goed recht van de kinderdoop aannemelijk te maken, maar dat we op die manier toch uiteindelijk niet anders doen dan proberen onder de wil van God uit te komen.)

Heel de Schrift
Wat heeft onze vaderen ertoe gebracht om in Zondag 37 uit te spreken dat de eed voor Gods kinderen wél toegestaan is? Waarom dit uitdrukkelijke Nee tegen de Doperse visie?
Nu, daar is maar één verklaring voor mogelijk: omdat op andere plaatsen in de Schrift op een andere wijze over de eed wordt gesproken, en de opstellers van de Catechismus ook die andere gegevens ten volle in rekening wilden brengen. Laat ik de belangrijkste Schriftwoorden kort mogen noemen.

- In Matteüs 26:63-64 laat Jezus Zich onder ede verhoren door de hogepriester Kajafas: "Ik bezweer U bij de levende God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon van God". En Jezus wijst die eed niet af, maar Hij laat Zich verhoren - ongelooflijk: Hij, die geen leugenachtig mens is, maar de waarheid in persoon, Hij aanvaardt de eed: want Hij erkent het recht van Kajafas om in zijn funktie van hogepriester de eed te vragen.

- Dan vinden we de eed in 2 Korintiërs 1. Als de Kori ntiërs de betrouwbaarheid van Paulus in twijfel hebben getrokken - "Hij zégt wel dat hij komt, maar als het erop aankomt blijft hij zomaar weg; je kunt niet op hem aan!"

- Dan zet de apostel daar met grote ernst een eed tegenover:' "Bij de trouw van God: ons spreken tot u is niet: Ja en Nee" (vers 18). En even later nog een keer: "Ik roep God aan tot getuige over mijn ziel, dat ik om u te sparen niet meer naar Korinte ben gekomen" (vers 23). Waarom deze eed? Omdat hier de betrouwbaarheid van het Woord van God op het spel staat. Want als je op de woorden van die mens Paulus niet aankunt, waarom zou je dan wél kunnen vertrouwen op het Woord van God, zoals deze zelfde Paulus dat verkondigt? Vanwege die ernst zweert Paulus er een eed op: omdat het Evangelie zelf in het geding is.

- Tenslotte wijs ik nog, zonder verdere toelichting, op de eed die de 'sterke engel' zweert in Openbaring 10:5-7: De engel hief zijn rechterhand op en zwoer: "Er zal geen uitstel meer zijn".

Sola Scriptura
En nu weer terug naar dat woord van Jezus uit de Bergrede: "Ik zeg u in het geheel niet te zweren". Wat ons in eerste instantie voorkwam als een volstrekt helder en absoluut geldend gebod, blijkt nu vanuit het geheel van de Schrift niet verstaan te kunnen worden, wanneer daarbij niet ook in rekening wordt gebracht de concrete achtergrond waartegen Jezus dit woord sprak.
Die achtergrond is de Joodse praktijk van het eedzweren in Zijn dagen. De mensen leefden in een verleugende wereld, waarin de eed niet gebruikt werd om recht en waarheid te doen overwinnen, maar juist om die ten onder te houden, en de naaste te bedriegen. Daartoe was er een uitgewerkt systeem van eden: déze eed had wel rechtskracht, dié niet (zie Matteüs 23:16-22).
Tegen dat gekonkel met woorden en met de waarheid zegt Jezus radikaal Nee. En Hij zegt dat z6 duidelijk dat het erop lijkt dat op de regel van Matteüs 5 geen uitzondering mogelijk is. We heböen de rest van de bijbel ervoor nodig om te ontdekken in welke zin Jezus dit radicale woord heeft bedoeld. Nu, het is om déze reden dat onze vaderen in de 16e eeuw geweigerd hebben om de norm voor de rechtmatigheid van de eed op Doperse wijze exclusief te leggen bij Matteüs 5. Zij hebben heel de Schrift willen laten meespreken, en daarmee tegelijk met beslistheid Nee gezegd tegen het Doperse biblicisme. Sola Scriptura: jazeker - maar nooit: Sola één losse tekst uit die hèle Scriptura. De Schrift vraagt erom in haar geheel en in haar verband te worden gelezen.

Tenslotte
Het lijkt mij niet onmogelijk dat bovenstaande beschouwing ook enig nieuw licht kan werpen op de wijze waarop het beroep op de Schrift onder ons wordt gehanteerd in andere kwesties. Te denken valt daarbij ook aan de vragen rond de openstelling van de ambten voor zusters der gemeente.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief