Christus in het kerklied (4)

1992-08-14
  • Jaargang 36
  • nummer 17
Een gemoedelijke dochter van de middeleeuwse mystiek is het 17e-eeuwse piëtisme, ontstaan als reactie op een dor, leerstellig geloof.

Bewustzijnsverenging
Ook bij het piëtisme treedt al gauw bewustzijnsverenging op: in veel verzen is alleen maar belangstelling voor de eigen zaligheid, voor het eigen zieleleven. Bij het zich terugtrekken op het innerlijke leven staat de innerlijke zielerust voorop. Die zielerust wordt couplet na couplet bezongen in de liederen van Paul Gerhardt: ik val er soms bij in slaap. Jan Luyken bezingt die schone rust van binnen in lied 433:

(2) Het kan ons niet verschrikken, al wat van buiten woelt, wanneer men maar van binnen de schoonste ruste voelt: die schoonste rust van binnen kan 't verwinnen.

(4) 0 mensen, woudt gij leren waarin uw heil bestaat?
't Is hierin, dat gij weelde en aardse rijkdom haat, en dat gij tracht te winnen rust van binnen.

In lied 455 zingt Novalis:
(1) Als Hij maar van mij is en ik ben van Hem, leef ik in vroom en stil verblijden.

(2) Als Hij maar van mij is, laat ik alles staan.
Mij is om het even heel het lichte, luide, aardse leven.

De Psalmdichters in nood bezingen de God van hun vertrouwen, deze dichters vooral hun innerlijke rust. In Psalm 57 zingt David, die door zijn vijanden bedreigd wordt (vers 8):
Mijn hart is gerust, 0 God, mijn hart is gerust, ik wil zingen, ja psalmzingen.
Waak op, mijn ziel, waak op, harp en citer, ik wil het morgenrood wekken.
Ik zal u loven, Here, onder de volken, ik zal U psalmzingen onder de natiën, want hemelhoog is uw goedertierenheid, tot aan de wolken reikt uw trouw.
Verhef u boven de hemelen, 0 God, uw heerlijkheid zij over de ganse aarde.

"Verhef U boven de hemelen, 0 God, uw heerlijkheid zij over de ganse aarde!"
Dat is andere taal, daar kunnen ingekeerde dichters veel van leren; niet-ingekeerde dichters trouwens ook.

Moraliserend
In piëtistische liederen wordt de christen in nood vaak wat moraliserend toegesproken: "Als ge in nood gezeten, geen uitkomst ziet, wilt dan nooit vergeten: God verlaat u niet", "Beveel gerust uw wegen", "Wie maar de goede God laat zorgen". In de Psalmen roepen dichters vaak rechtstreeks uit de nood tot de HERE en durven ze soms ook te vragen: "Waarom, HERE?
Gij hebt mij vroeger toch ó6k uit de nood gered, doe het dan nu wéér!" In veel piëtistische gezangen wordt berusting gepredikt (Leer mij volgen zonder vragen, Vader, wat Gij doet is goed), in de Psalmen wordt geworsteld met God, wordt gepleit op zijn beloften en wordt God herinnerd aan zijn daden in het verleden. Ik zeg niet dat al die verzen die ik daarnet noemde, daarom verkéérd zijn (ik zou niet durven!), maar wel dat ze ver achterblijven bij de Psalmen, en dat niet alleen op de punten die ik noemde. Als ik wil zingen van mijn Heiland, zijn verzoenend werk, zijn opstanding uit de dood, van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, neem ik graag een gezang in de mond - maar als ik God wil aanroepen uit persoonlijke nood, of wanneer ik Hem wil loven om de wonderen die Hij vandaag in de wereld doet, zoals de val van het Ijzeren Gordijn en de bevrijding van de Russische christenen, grijp ik vrijwel altijd naar een Psalm. Zowel wanneer het gaat om de "vertrouwelijke omgang" met God áls wanneer het gaat om het universele karakter van Gods werk, gaan de Psalmen ver uit boven piëtistisch gekleurde gezangen (er zijn ook ándere gezangen). De piëtistische dichter trekt zich terug in zijn eigen gemoed - maar David in de woestijn, de verbannen dichter van Psalm 42 bij de bergen van de Hermon, de stervende Hizkia op zijn ziekbed en Jona in de buik van de vis verlangen er vurig naar de HERE te loven in zijn huis samen met het volk van zijn verbond. In piëtistische verzen is God vooral de God van mijn godsdienstigheid, in de Psalmen is Hij de God van het hele leven, de Schepper van hemel en aarde, en de dichter van Psalm 104 is niet te geestelijk om het geschapene tot in allerlei details te bezingen.

Verdieping
Toch hebben veel piëtistische stromingen diepere wortels in de Schrift dan de middeleeuwse mystiek, en ik zou niet graag mét het piëtistische kind al het piëtistische badwater weggooien.
Het piëtisme heeft van het begin af aan geleid tot een verdieping van het geloofsleven bij vele kinderen van God.Ook het piëtisme heeft liederen voortgebracht die met recht tot de schat van de Kerk der eeuwen behoren. Zo word ik steeds weer getroffen door een lied van Christiaan Fürchtegott Gellert over het lijden van Christus (gezang 177).
Het begint inderdaad nogal piëtistisch: "In deze zee (van Jezus' lijden) verzinken mijn gedachten." Verderop staan prachtige coupletten:

(3) 0 allerheiligst, onuitspreeklijk wonder: de Rechter zelf gaat aan het recht ten onder. o wreed geding; wie kan geheel doorgronden de vloek der zonden.

(5) Dit breekt mijn trots. Waar zou ik nog op bogen?
Ik lig in 't stof, maar God komt mij verhogen, nu ik van vijand Gods en tegenstander in vriend verander.

(6) Daar Ge U voor mij hebt in de dood gegeven, hoe zou ik naar mijn eigen wil nog leven?
Zou ik aan U voor zulk een bitter lijden mijn hart niet wijden?

(7) Laat mij, 0 Heer, uw wondre wijsheid prijzen, dwaasheid en ergernis voor wereldwijzen, laat mij uw kruis dat sterken zwakheid noemen als sterkte roemen.

Een lied van Beets naar Jesaja 53
Een ander prachtig lied over het lijden van Christus, waarin gezongen wordt over zijn verzoenend dragen van Gods toorn over onze zonden, is gezang 179. Het is een berijming van Jesaja 53 van de hand van Nicolaas Beets. In Handelingen 8 lezen we hoe een hoge ambtenaar uit Ethiopië op de terugweg naar zijn vaderland dit Schriftgedeelte, Jesaja 53, aan het lezen is. Filippus gaat op hem af en "uitgaande van dat Schriftwoord, predikte hij hem Jezus".
Zo is het ook met dit lied van Nicolaas Beets: uitgaande van Jesaja 53, zingt Beets in zijn psalm van Jezus. Hij weet heel wat méér van Hem dan Jesaja. In tegenstelling tot Jesaja weet hij Wiè Hij is. In de eerste strofe noemt hij Hem al bij name: "het vleesgeworden Woord; de Zoon van God, op Golgotha vermoord". Hij noemt Hem "Zaligmaker" (strofe 2), "Heer" (str.4) en "Heiland" (str.7). Hij zingt van het kruis in strofe 1 en van de "enige troost in leven en sterven" in strofe 8. Hij refereert in de laatste strofe aan 2 Korinthe :21 - Hem die geen zonde zonde gemaakt - als hij zingt: "Rechtvaardige, die zonde voor ons werd."
En hij besluit met een uitroep van Jezus zelf aan het kruis: "Het is volbracht!"
Zo brengt Beets in zijn berijming van Jesaja 53 een hele hoop 'kennis' in die Jesaja nog niet bezat.
Bovendien kent Beets de Knecht uit Jesaja 53 persoonlijk, hij heeft gemeenschap met Hem. Vanaf de derde strofe, waar hij overgaat in de Gijvorm, roept hij Hem aan, brengt hij Hem zijn lof, betuigt Hem zijn dankbaarheid, zijn liefde. Het lied eindigt dan ook met een lofverheffing:

(8) 't Verloste volk verheft tot U zijn hart, rechtvaardige, die zonde voor hen werd.

Een prachtig lied om aan de avondmaalstafel te zingen!

Zingen: gezang 179 (ev. op wijs Ps. 22).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief