Wraak? (2)

1992-08-28
  • Jaargang 36
  • nummer 18
Hoe komt de psalmist tot deze verpletterende woorden?
Reken,OHERE, den kinderen Edoms de dag van Jeruzalem toe; hun die zeiden: Breekt af, breekt af, tot op de grond ermee! Gij, dochter van Babel, ter verwoesting bestemde, gelukkig hij, die u zal vergelden hetgeen gij ons hebt aangedaan; gelukkig hij, die uw kinderen zal grijpen en tegen de rots verpletteren.

Om deze verzen van Psalm 137 goed te kunnen beoordelen, moeten we eerst letten op het voorafgaande. Dat hebben we gedaan in het vorige nummer. We hebben toen gezien dat er een vreselijke situatie is ontstaan voor het volk Israël: leven in Babel, ver bij de HERE God vandaan, in een sfeer van Godsverduistering. De dichter heeft z'n enorme liefde voor Jeruzalem, dat is: de plaats waar God woont, beleden. En in het verlengde daarvan bidt hij of de HERE de Edomieten de dag van Jeruzalem zal toerekenen.

Waarom Edom?
Waarom Edom, de Edomieten? Omdat zij bij de verwoesting van Jeruzalem een uiterst lelijke rol gespeeld hebben.
Edom, het volk voortgekomen uit Ezau, het broedervolk dus van Israël, voortgekomen uit Jakob, had er plezier in dat Jeruzalem kapot gingGods woonplaats - en ze hebben zelfs meegeholpen. De HERE had zelf voorzegd dat Hij nog wel met Edom zou afrekenen (Jes. 34) en daarop pleit de dichter van onze Psalm. Het gaat hem niet zozeer om zichzelf, maar om het heilige recht van de HERE, om het Koninkrijk van Jezus Christus.

Babel
De dichter bidt ook om toerekening van het kwaad dat Babel heeft gedaan. Wellicht zijn deze woorden (vs. 8 en 9) de meest ergerniswekkende van de hele Bijbel. Paulus schrijft: Jullie hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees - dat is tegen mensen - maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. En van die machten is Babel de aanduiding. Mogelijk staat 'Babel' parallel met het 'zaad van de slang' uit Genesis 3. Heel de Bijbel door is Babel het zinnebeeld van de goddeloze wereldmacht, symbool van menselijke hoogmoed.
Daarom komen we Babel ook tegen in het Nieuwe Testament, wanneer het al lang niet meer bestaat. Zoals Jeruzalem in de Openbaring het beeld is, het symbool, voor de christelijke gemeente, zo is Babel dat voor de macht die zich voortdurend verheft tegen God. En wanneer de dichter a.h.w. zalig spreekt, diegene die Babel vergelden zal wat Babel Gods volk en daarmee God zelf heeft aangedaan, en wanneer hij zelfs zalig spreekt diegene die Babels kinderen zal grijpen en tegen de rotsen verpletteren, dan zijn dat woorden vol haat. Maar waarom durft de dichter deze vreselijke woorden in de mond te nemen? Vanwege zijn liefde voor God en voor Gods volk, Jeruzalem. Juist omdat de dichter zoveel houdt van de HEREen zijn werk, de kerk, daarom wil hij de totale ondergang van Babel, de antigoddelijke macht; en zelfs de dood van de kinderen van Babel, zodat er geen nieuwe generatie zal opstaan waarvan je later zou moeten zeggen: zo vader, zo zoon. Een geslacht dat het verwoestende werk voortzet.

Christus
Misschien denkt u: "Maar we hebben van Christus zelf gehoord: Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen?
En dan houd ik me maar liever aan het laatste." Maar dan moeten we gaan uitkijken dat we geen scheiding maken tussen het Oude en Nieuwe Testament. Het gaat in onze Psalm niet om liefde óf wraak; het gaat erom: handhaaf je zelf je recht öt laat je dit aan de HEREover. Petrus schrijft in zijn eerste brief: Want hiertoe zijt gij geroepen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u een voorbeeld heeft nagelaten, opdat gij in zijn voetstappen zoudt treden; die geen zonde gedaan heeft en in wiens mond geen bedrog gevonden is; die als Hij gescholden werd, niet terugschold en als Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem, die rechtvaardig oordeelt.

De zielen onder het altaar
En dat vinden we ook in Openbaring 6. De zielen onder het altaar, degenen die zijn omgekomen terwille van het Evangelie, roepen: Tot hoelang, heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet aan hen, die op de aarde wonen? Hoe lang moet het nog duren, voordat U ons bloed wreekt aan hen? En ook dit roepen om wraak, om het straffend handelen van God - dat verderop in de Openbaring wordt geprezen! - dat is geen leedvermaak of schreeuwen om persoonlijke wraak, maar de begeerte naar de openbaring van Gods rechtvaardigheid.
Ze verbinden hun zaak aan Gods zaak, hun zaak is zijn zaak, een zaak van zijn waarachtigheid en heiligheid. Het is, net als in onze Psalm, een vooruitgrijpen op de grote dag van de HERE. God, laat het toch niet langer duren, dat U bespot wordt, doordat uw volk bespot wordt. En wat krijgen ze als antwoord? Ze ontvangen elk een wit kleed, teken van de overwinning.
En God zegt dat ze nog een korte tijd moeten wachten.
God wacht met zijn oordeelsdag. Hij stelt het oordeel uit, maar het komt er wel degelijk. Het wonderlijke van dit stukje uit de Openbaring is dat we de toekomstmuziek al horen en dat tegelijk de geschiedenis van onrecht, van vijandschap tegen God en tegen zijn volk, doorgaat. Het antwoord van God lost het probleem niet op en het verklaart deze tijd niet. Maar het is wel een antwoord op de klacht tegen het onrecht. Er is en komt een recht dat het onrecht gaat keren.
Heilige liefde Dat mensen leven in een tijd van Gods-verduistering, een tijd en sfeer waarin voor Hem geen plaats meer lijkt te zijn, waar mensen geen rekening houden met God, dat gaat zo in tegen de liefde van God voor zijn volk en daarom ook tegen de liefde die wij voor Hem en zijn volk mogen hebben, dat het een 'geestelijke aanranding' is van Hemzelf. Wie de HERE God kent, barmhartig en genadig, rechtvaardig en heilig, die kan het toch niet hebben, dat mensen Hem negeren of zelfs heel duidelijk tegen Hem ingaan? Wie Gods heilige liefde kent, en dan mogen wij denken aan de dood van Christusheilige liefde -, die zal Gods toorn beamen als reactie op menselijke haat of onverschilligheid.
Het slot van de Psalm klinkt hard en genadeloos. Het klinkt inderdaad hard, het is hard, maar niet genadeloos. God laat nooit zomaar, zonder genade, zijn gericht op aarde komen. Maar de keerzijde van zijn liefde is haat tegen hen die zich tegen zijn liefde verzetten. En deze haat klinkt ons tegemoet en wordt ons voorgezongen in Psalm 137. Niet een haat om de haat, wraak om de wraak, maar een haat omdat Gods liefde verworpen wordt.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief