Over kerkorde en zending (slot)

1992-08-28
  • Jaargang 36
  • nummer 18
Na de meer theoretisch georiënteerde aanloop in de vorige twee bijdragen in deze serie van drie over kerkorde en zending wil ik nu aan de hand van twee verwante voorbeelden laten zien hoe een gereformeerde kerkorde in de zendingssituatie in Natal werkt. De kerken hier maken deel uit van die Gereformeerde Kerke van Suid-Afrika en zijn zo ook gebonden aan de bekende Dordtse Kerkenordening van 1618-19, zoals die in de GKSA geldend is. Behalve een specifieke kerkelijke traditie speelt ook de culturele factor een belangrijke rol: de DKO is 17e eeuws Hollands. Hoe werkt dat nu in een zwarte kerk in Afrika ontstaan uit nederlands gereformeerd zendingswerk?

De kerkenraad
De spil van het gereformeerde kerkrecht is m.i.de kerkeraad, de hoogste vergadering die onze kerken kennen.
Regionale en landelijke vergaderingen hebben afgeleid gezag; het direkte gezag dat Christus over zijn gemeente uitoefent, loopt via de kerkeraad. Maar daar hebben we natuurlijk wel mannen voor nodig - de vrouw in het ambt laten we er maar buiten om de zaken niet nog ingewikkelder te maken. En niet zo maar mannen, maar mannen die er de gaven voor hebben om de gemeente te dienen als voorgangers samen met de predikant. Het zal Wel niet helemaal toevallig zijn dat juist in de tijd van de opkomst van de stedelijke cultuur in de 17e eeuw er een nieuw bijbels licht ging vallen op de kerkordelijke strukturen van de kerk: op de ambten en ook op de kerkenraden.
De burgerij werd een aparte stand waar ter dege rekening mee gehouden moest worden. En dat werkte ook door in het nadenken over bijbelse ordeningen voor het kerkelijke leven. Uiteraard is het ook in ons land niet van een leien dakje gegaan: kerkenraden zaten nogal eens onder de plak van dominees, de zogenaamde dominocratie, en dat soms ook nog in samenwerking met de burgerlijke overheden die niet zo veel van een echt vrije kerk wilden weten en dat vooral niet als die opkwam voor de zuivere leer. In de tijd van de rernonstrantse twisten zijn daar wel voorbeelden van te geven. Maar toch kan met een zeker recht gezegd worden dat de opkomst van de kerkenraden samenviel met een bepaalde ontwikkeling in de westerse cultuur.

Komen we nu in Afrika, dan blijkt dat van oudsher deze culturele infrastruktuur voor een goed functionerende kerkenraad niet aanwezig is. In de klassieke Afrika-cultuur is het toch het erfelijke stamhoofd die de leiding heeft, bijgestaan door raadgevers, dat zeker, maar hij is degeen in wie het gezag is geïnvesteerd, ook in religieus opzicht wegens zijn kontakten met de voorouderlijke geesten van de stam.
Vandaar dat in sommige zogenaamde Onafhankelijke Afrika Kerken de bestuursstructuur lijkt op die van de stam: een bisschop aan het hoofd bijgestaan door raadgevers, maar het geestelijke gezag dat er is in de kerk loopt via hem; en dat temeer als hij ook nog een profetische figuur is, wat de meeste bisschoppen in dit type kerken ook zijn. De gereformeerde structuur van een kerkenraad waar de dominee niet boven staat, maar deel vanuit maakt, is ongewoon, en werkt niet zo maar. Een dominee heeft de neiging een leidersfiguur te worden in de kerkenraad - trouwens, dat is ook blanke predikanten natuurlijk niet vreemd, laten we eerlijk zijn. Maar de cultuur drukt een predikant wel die kant op. Als daar nog bij komt dat er gewoon geen genoeg mannen in de kerk zijn, en zeker geen capabele mannen, terwijl de vrouw voor de kerkenraad niet in aanmerking komt, dan wordt de sterkte van het gereformeerde kerkrecht een zwakte hier in Natal. Hoe krijgen we hier onze kerkenraden van stapel die werkelijk doen wat de gereformeerde belijdenis en kerkorde van hen vragen? Hoe kunnen die vaak zo zwakke kerkenraden opzicht en tucht uitoefenen over hun predikanten? Hoe leiding geven aan de gemeente in de vaak moeilijke omstandigheden van het huidige Zuid-Afrika?

De problemen kunnen opgelost worden door streekkerkeraden op te zetten, zoals in Noord-Natal door onze zending wordt gedaan, en door de christelijke gereformeerden in Vendaland. In Zuidelijk Natal heeft onze zending gekozen voor lokale kerken met eigen, vaak kleine kerkenraden, vooral ook uit pastorale overwegingen, al speelt de geografische diversiteit van het gebied ook een rol. Maar ook in de streekkerkeraden spelen vaak de predikanten en evangelisten de hoofdrol.
Misschien dat op den duur er meer mannen zullen komen; daar mogen we op blijven hopen; de culturele infrastructuur kan veranderen, wellicht ook wel onder invloed van het evangelie.
Maar in de tussentijd is het een heel groot probleem, dat ook niet opgelost wordt door maar niet te institueren en kerken die geestelijk zelfstandig zijn onder zendingsbeheer te houden; dan wordt de zendeling de bisschop, en dat is natuurlijk geen verbetering.

We kunnen niet overstappen op een bisschoppelijk systeem; de kerken hier zullen zich aan moeten sluiten, zolang ze gereformeerd willen zijn, bij de kerkelijke traditie die uit het Westen tot hen is gekomen. Maar het is natuurlijk wel mogelijk enige aksenten anders te leggen dan zeker in onze eigen kerken gebruikelijk is. Ik denk dan aan de rol die de classis of regionale vergadering kan spelen. Niet dat die classis moet gaan heersen over lokale kerken, maar deze regionale vergadering kan de vaak zwakke kerkernaden wel dienen bij voorbeeld via visitatie op zeer regelmatige basis, waardoor kerkenraden geholpen kunnen worden in soms moeilijke situaties. Op classisvergaderingen kunnen veel zaken besproken worden die voor het gemeentelijke leven van belang zijn, maar die in ons land nooit op een classis zouden komen. Zo kan van de classis leiding uitgaan naar de gemeenten.
Ook machtsposities van predikanten kunnen zo via de classis tegen gegaan worden. Ik meen me te herinneren dat in de vroege kerkgeschiedenis in Nederland de classis bepaald een belangrijker rol speelde dan tegenwoordig wel het geval is. En zo kan ook een synode toch een wat sterkere rol toebedeeld krijgen tot heil van de plaatselijke kerk. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat een synode van een zwarte gereformeerde kerk hier inderdaad veel meer in de lokale melk te brokkelen heeft dan wij in Nederland wenselijk zouden achten. Maar in de huidige omstandigheden is dat bijbels heel goed te verantwoorden: de gemeenten dragen zo zorg voor elkaar naar vermogen.

Het ondertekeningsformulier van predikanten
In onze eigen kerkgeschiedenis blijkt dit een een heel gevoelig onderwerp; het doet sommigen onder ons eerder aan de inquisitie denken dan aan zorg voor de gemeente van de Heer. Hier doet zo'n formulier ook wat vreemd aan.
Zwarte kerken staan niet bekend om hun staan op de leer, zoals dat wel heet.
Kerkscheuringen gaan meestal niet over leerkwesties, maar over ethische zaken, of over leiderschapsproblemen. Je zou dus zo zeggen: zo'n formulier is hier helemaal overbodig: typisch hooggereformeerd uit bepaald een westerse traditie! Zo'n strakke binding past nu eenmaal niet in Afrika, en dat aan belijdenisgeschriften die niet uit hun eigen koker zijn gekomen maar uit die van de zending. Alle reden om niet aan de invoering van dat ondertekeningsformulier te beginnen. En hier valt zeker wel iets voor te zeggen. Is het moreel verantwoord een zwarte predikant te binden aan bij voorbeeld de Dordtse Leerregels, een haast onvertaalbare belijdenis in een Afrika-taal? Ik ben zeker niet ongevoelig voor deze en dergelijke vragen. Toch heb ik onlangs tijdens een les kerkrecht op onze Opleiding voor predikanten een goed woord gesproken voor dit ondertekeningsformulier na het in Zulu vertaald aan de studenten te hebben voorgelegd.

Het gaat me niet om het handhaven van het formulier als zodanig. Ik zit niet vast aan de letter. Maar inhoudelijk zit er toch wel een stuk wijsheid in verpakt. De gemeente en de predikant worden erin beschermd: de gemeente tegen de predikant, en de predikant tegen zichzelf. De betekenis van dit formulier kan duidelijk zijn in het licht van wat ik boven al opmerkte over de zwakte van de kerkenraden in een zendingssituatie. In de kerkelijk en theologisch chaotische situatie van Afrika waait er allerlei wind van leer, die gemeenten gemakkelijk kan afblazen van het ene fundament dat gelegd is, Jezus Christus. Bescherming tegen predikanten die aan dwaalleer doortocht verlenen, is dan ook een geestelijke zaak, te meer daar de lokale kerken vaak helemaal niet door hebben, dat een dominee een dwaalleer brengt. Via het ondertekeningsformulier kunnen de andere kerken dan zo'n gemeente hulp bieden. Allemaal aangenomen dat het er geestelijk bij toegaat - waar wij zelf natuurlijk niet de beste ervaringen mee hebben. Maar er zit ook een stuk zelfbescherming in voor de predikant. Wij proberen onze predikanten zo goed mogelijk op te leiden. Maar er komt van alles op hen af; het zijn soms eerste generatie christenen met toch nog geen voldoende antenne voor wat er aan dwaalleer opgeborgen kan liggen in allerlei schoon klinkende verhalen. Hoe makkelijk glijden zij niet uit. Dit formulier, pastoraal en niet allereerst juridisch toegepast, kan een bescherming bieden tegen uitglijdingen, die ons als predikanten zo makkelijk kunnen overkomen.
Uiteindelijk is de diepste gedachte achter dit formulier dat de gemeente van Christus belangrijker is dan een predikant, die zelf kerkordelijk al bescherming genoeg ontvangt tegen een 'moeilijke' gemeente.

Dus opnieuw: ik zie wel toekomst voor deze oude gereformeerde traditie uit het Westen in Afrika, al zou de taalvorm en de fraseologie van dit formulier wel aangepast mogen worden aan de situatie hier. Dat geldt ook van de meeste andere kerkelijke formulieren, inclusief de Dordtse Leerregels: het taal kleed past de kerken hier niet. Met behoud van de zaak zal de vorm toch totaal herzien moeten worden. In de ene kerk van blanke en zwarte gereformeerde Doppers zal ruimte geschapen moeten worden voor eenheid in leer maar voor verscheidenheid in vormgeving, wil het gereformeerde karakter van de zwarte kerken althans bewaard kunnen blijven. Ook ten aanzien van de DKO zijn er nog wel kritische vragen te stellen. Wat we hier met de vorm van art. 65 aan moeten, is niet goed in te zien, al is de bedoeling van dit artikel heel actueel in de natalse kerken.

Als conclusie ...
In de talloos verschillende situaties wereldwijd binden we ons aan het ene Woord van God met een open oog voor de diversiteit die dat met zich mee kan brengen. Leerstellig en kerkerdellik levert dit herkenbaarheid op waar ook in de wereld, terwijl er tegelijk ruimte blijft voor situatie gebonden concretiseringen.
De spanning die dit op kan roepen, is een creatieve spanning waar geen kerk aan kan ontkomen. Bezinning op de vragen rond kerkorde en zending is geen overbodige luxe, maar is vrucht van wat we geloven omtrent de kerk: één Heer, één doop, één kerk en dat in een verdeelde wereld.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief