Ethische vragen (1)

1992-08-28
  • Jaargang 36
  • nummer 18
1. Ontdekkingsreis
Laat ik eerst zeggen wat ik denk te doen vanmorgen. De u uitgereikte stellingen bakenen het gebied af, dat ik denk te bestrijken. Ik zal ze niet uitgebreid behandelen. Ze komen min of meer uitvoerig in mijn betoog aan de orde. Mochten er vragen over zijn, dan hoor ik dat straks wel. Ik neem mijn uitgangspunt in de vermaning van Paulus in Rom. 12:2om uit te vorsen wat de Here welbehaaglijk is. In Ef. 5:10 zegt hij: tracht te ontdekken wat de Heer behaagt. En enkele verzen verder (17): Weest niet onverstandig, maar tracht te begrijpen wat de Heer wil.
Dat wil dus zeggen dat we in veel gevallen geen duidelijk en gedetailleerd woord van de Here hebben. Dikwijls zitten we ten aanzien van Gods wil met de handen in het haar. Daarom hebt u dit onderwerp denkelijk ook gekozen. Ieder kent de lange vermoeiende kerkeraadsdiscussies: Hoe wil de Here dat we handelen in dit geval? Paulus zegt dat we taxerend bezig moeten zijn, examinerend, ·wikkend, wegend, vorsend, toetsend, onderscheidend. Om dan tenslottedat hopen we en daar bidt Paulus omde fijngevoeligheid ontvangen om te onderscheiden waar het op aan komt, Fil. 1:10.We maken dus een ethische ontdekklnqsrels.

2. Geen situatie-ethiek
Laat ik direct een conclusie afwijzen, die we hieruit niet mogen trekken. Ik vind die in een kritische kommentaar op de Paulinische teksten die ik noemde. Deze: niet casuistische ethiek, maar situatie-ethiek is het teken van een christelijke levenswandel. Deze conclusie is onjuist. Situatie-ethiek zegt: je hebt geen wetten en regels; iedereen moet in elke situatie zelf maar uitzoeken wat het beste is.Ook Kuitert komt in die buurt. In zijn laatste boek spreekt hij wel over een blijvende norm. De samenvatting van Gods wil vinden we in de Tien Geboden.
Maar je kunt met de naakte Tien Geboden niet uit de voeten. Mensen moeten ze uitbouwen. Wat wil God?
Met voorbijgang van de Nieuw-Testamentische voorschriften zegt hij: "Wat is goed en wat is kwaad? Dat moeten wij zelf uitzoeken, een ander antwoord is er niet". "We moeten werken met wat wij voor goed en kwaad houden, iets anders zit er niet op". "Aan ons - opnieuw - de taak en de verantwoordelijkheid om uit te zoeken wat nu goed is en wat niet" (268).
Maar dat is niet wat Paulus zegt. Hij valt terug op de tien geboden, op de woorden van de Heer (de bergrede b.v.), op het voorbeeld van de Heer. En dan geeft hij Gods wil door met enorme autoriteit.
Het viel me op bij een preekstudie over 1 Thess. 4:1-8. Het gaat daar over sexualiteit en huwelijk. Gepopulariseerd weergegeven stelt Paulus een krasse vraag: Hé man, op welke manier werf jij je meisje? Ben je geil op .
die meid.en maak je haar razend van hartstocht? En denk erom dat je de vrouw van je buurman niet verleidt, zodra hij zijn hielen gelicht heeft! En dat je niet naar de hoeren loopt. In dat verband geeft Paulus goddelijke wetten: Vers één: U hebt gehoord hoe u MOET wandelen. Vers twee: gij weet welke VOORSCHRIFTEN we u gegeven hebben. Vers drie: dit WIL God: uw heiliging. En aan het slot: Wie dit verwerpt, verwerpt niet een mens, maar God, die u immers ook zijn heilige Geest geeft.
We moeten dat in onze norm loze tijd, in onze 'permissive society', met hand en tand vasthouden. Hij heeft u bekend gemaakt 0 mens, wat goed is. We zingen midden in de Babelcultuur van onze dagen met psalm 119een lofzang op de geboden. Het woord dat u ten leven riep, is niet te hoog, is niet te diep. Jezus beklom de berg - als de nieuwe Mozes - zette zich neer, Hij opende zijn mond en sprak tot hen. "Gij hebt gehoord dat door de ouden gezegd is ... Maar Ik zeg u... ". Inderdaad, we komen te staan voor veel nieuwe en moeilijke vragen. Zoals Okke Jager zei: "We verliezen onze ethische naslagwerken. We staan onwennig in de nieuwe tijd". Maar dat is betrekkelijk. In hoofdlijn liggen de dingen heel eenvoudig. En verder: we hebben kompas, een opgegeven koers, duidelijke kaarten. We hebben het Woord. Rondom u klinkt de stem van God: vrijspraak, vertroosting EN GEBOD. Aldus heeft Hij aan geen enkel volk gedaan en zijn verordeningen kennen zij niet, hallelujah, ps. 147:20.

3. De opgegeven koen
In de tien geboden gaf de Here ons zijn grondwet. Ze werden door Gods eigen vinger geschreven in graniet: permanent dus. Jaren geleden riepen sommigen in onze kerken op de wetslezing in de liturgie af te wisselen met het apostolisch vermaan. Die oproep heeft zijn dienst bewezen. Vandaag is er - dunkt mij - reden om op te roepen geen kerkdienst te laten passeren zonder de tien woorden - desnoods in verkorte vorm, aangevuld met apostolisch vermaan. Want vooral dankzij de TV staan we bloot aan een bombardement van leugen dat zich richt op de grondwet. Alle demonie richt zich op de vernietiging van de tien woorden. Het eerste gebod wordt omvergewalst: we hebben afgoden als pannen op de daken. En de mensen zien het niet. Het tweede gebod: Hoe dikwijls proberen christenen en kerken de soevereine God te claimen voor hun kerkelijke hobbyruimte: het is om te griezelen.
Derde gebod: Hoeveel vrome mensen zijn geschorst en weggeorganiseerd onder opheffing van Gods heilige Naam? Over vloeken gesproken! Zo kan ik doorgaan. De tien geboden zijn in de crisis. Zo eenvoudig ligt dat. In de moderne TV series - ik denk aan Dallas en The Bold and the Beautifulworden echtbreuk, driehoeksverhoudingen, ontucht doodgewoon.
Als een relatie een beetje moeilijk ligt, zoek je een andere. Dat zien kerkelijke mannen en vrouwen zo vaak voor de TV, dat ze ook een beetje zo gaan denken: Ik heb geen verstandige keus gedaan toen ik (te) jong trouwde; ik moet die ander hebben! Ze werden gebrainwasht. De TV had 1000maal meer effect dan de preek. Zo komt het dat ook in de kerk wordt gelogen, echtbreuk gepleegd, gestolen enz. Dat er vandaag zoveel moeilijke ethische vragen liggen, wil niet zeggen dat alles moeilijk en gecompliceerd ligt: zo eenvoudig is dat!

4. Inzettingen en verordeningen
Werden de tien geboden door Gods eigen vinger geschreven in granietdus permanent - de inzettingen en verordeningen werden door Mozes geschreven in natte kalk - dus veranderbaar (Deut. 27). Die inzettingen en verordeningen zijn organieke wetten: uitwerkingen van de tien geboden. Zo wordt b.v. het zesde gebod - niet moorden - in Ex. 21:12 e.v. uitgewerkt voor veel gevallen: er is een bijbelse casuistiek (casus betekent geval). Hoe te oordelen als iemand per ongeluk een ander doodt? En hoe als een misdadige moordenaar vlucht naar het altaar? Wat te doen met een vader- of moedermoorder? En zo voort en zo voort. In hoofdstuk 22 volgt een hele reeks casus (gevallen) ten aanzien van het achtste gebod: de eigendom van de naaste. Wat te doen als dit gebeurt, wat als dat gebeurt. De Here God daalt af in de complicaties van het bonte, door de zonde verwoeste leven en brengt daarin zijn recht dat heelt en geneest. Geen geval is gelijk aan het andere. Dat mag ons bewaren voor een dom-weg-oordeel, voor een schablone-ethiek. Het zou makkelijk maar onmenselijk zijn: kijk na hoofdstuk zoveel, paragraaf zoveel. Daar staat wat je moet doen. Zo ga ik om met mijn tekstverwerker niet met mensen.
Afdalen tot in de complicaties van het zondeleven wil zeggen: luisteren, de moeite nemen ons uitgebreid te orienteren. Wat is er aan de hand? Wat gebeurde er nu precies en wat zijn de achtergronden? De inzettingen en verordeningen zijn er niet om gehanteerd te worden als een spoorboekje: het staat er en dus! Ook niet als de Here Jezus later zijn op het liefdesgebod toegescherpte geboden geeft in de bergrede en Paulus in zijn brieven.
Nergens en nooit geeft de Here een tot in details uitgewerkte casuistiek. Dat zou schoolmeesterachtig zijn geweest en in strijd met de opvoeding tot volwassenheid die Hij ons geeft. We zijn ook in de ethiek geen slaven, we worden zonen.

5. Opmerkingen van prof. B. Holwerda
Ik geef hier enkele opmerkingen door die prof. B. Holwerda maakte over Gods inzettingen en verordeningen in zijn dictaat exegese op Deuteronomium 4.
a) Eerst dit: alle detailgeboden dragen een directief en illustratief karakter. Ze zeggen: in een soortgelijke situatie moet je die en die richting uit. Ik concludeer daaruit dat voorbeeld en gebod geen tegenstelling vormen.
Douma bestrijdt Kuitert onder de titel: 'Voorbeeld of gebod'. Kuitert wil af van geopenbaarde prescriptieven. Hij houdt modellen over. Dat geeft vrijheid. Douma bestrijdt dat terecht in zijn studie. Maar als ik Holwerda goed begrepen heb, zegt hij: de prescriptieven - de voorschriften - zijn ook directieven.
Ze staan model voor soortgelijke situaties. Het verschil met Kuitert is dat ook die modellen gezag hebben, eenvoudig en duidelijk liggen en geladen zijn met autoriteit. Intussen heeft Kuitert gelijk als hij zegt dat het mensen zijn, die de lijn doortrekken. En ook dat ze dat soms heel willekeurig doen en eerst hun eigen visie in de Bijbeltekst stoppen. De (ook recente) kerkgeschiedenis is daar vol van. Ons past een behoorlijke dosis ootmoed ten opzichte van Kuitert. Dat hij oversized reageert is mede onze schuld.

b) Een tweede opmerking van Holwerda: In Deut. 4:9 worden de geboden rechtvaardig genoemd. De geboden zijn tsedaka. Dit is de enige maal in de Bijbel - aldus Holwerda - dat een zaak rechtvaardig genoemd wordt. Het woord wordt alleen gebruikt voor personen. Wat is rechtvaardig? "Niet dat wat beantwoordt aan een abstracte, ideële norm, die een objectief bestaan heeft, maar dat wat beantwoordt aan de eisen voor een concrete, reële gemeenschap, zodat ieder lid op zijn plaats binnen die gemeenschap zich niet gehinderd ziet en ook de bloei van de gemeenschap niet wordt belemmerd".
Rechtvaardig is dus een relatie-begrip. Ik citeer Holwerda's college-dictaat nog even verder: "Men weet dat elke wet haar onbillijkheden heeft. Ook wanneer ze 'objectief' zuiver is, past ze veelal niet op de concrete situatie.
Zodoende kwam men tot de klacht: summa ius summa iniuria. Doch bij Israel is heel de wet afgestemd op de driehoeks-verhouding God-ik-naaste. Elk gebod is doordrongen van dit dubbelgebod.
Daarom treft in Israels rechtsleven enerzijds de strakke ernst, anderzijds de grote soepelheid. Het rekening houden met de vele aspecten van het gemeenschapsleven en de steeds wisselende situaties, wordt hier uitgedrukt door saddikim".
Wat Holwerda hier zegt is duidelijk en waardevol. AI te vaak stoten we in onze discussies op een beroep op de kale rechtsregel: het staat er en dus ... Maar de wijsheid vraagt: wordt de gemeenschap met de Here versterkt?
En de gemeenschap met de broeder, de zuster, de zondaar? We kunnen ons strikt houden aan de letter van de wet en toch onrechtvaardig zijn. Ik kom daarop terug aan het slot van mijn betoog, als ik het heb over Johannes 8.

6. Hoe vinden we Gods wil?
Ik kom terug bij mijn eigenlijke onderwerp: wees niet onwijs, maar probeer te begrijpen wat de Heer wil. Ik herhaal: over een breed terrein moeten we de wil van de Heer zelf uitzoeken: dat is waar. Maar zijn we daarbij overgeleverd aan de willekeur van kerkmensen? Is het werkelijk waar dat we daarmee noodzakelijk terecht komen in een chaos van meningen? Het gebeurt vaak. Maar de apostel veronderstelt dat niet. Telkens roept hij op hetzelfde te denken en van hetzelfde gevoelen te zijn. Het moet mogelijk zijn Gods wil eenduidig te kennen. Op welke wijze kunnen we tot die helderheid komen?
Ik wil trachten een aantal poorten te openen die daartoe kunnen leiden.

6.1. De poort van de verootmoediging Calvijn schrijft in zijn Institutie: Zo dikwijls zich een ernstige zaak voordoet, zo dikwijls als er zich aangaande de religie een geschil voordoet, dat door een synode of kerkelijk oordeel beëindigd moet worden ... is dit een heilige en voor alle tijden heilzame instelling, dat de herders het volk aansporen tot algemeen vasten en buitengewone gebeden. Vasten - Calvijn denkt dan aan het afzien van lekkernijen, het slechts gebruiken van de meest sobere spijs en drank - vasten en bidden is dus een poort die toegang geeft tot de wil van God.
We moeten erkennen dat we deze ingang totaal vergeten zijn. Ik heb deftige synodevergaderingen meegemaakt, waar zeer verstrekkende en moeilijke beslissingen genomen moesten worden inzake de religie. Het kerkelijk leven stond daarbij op haren en snaren. Maar voor de stemming viel kregen synodeleden en gasten een heerlijk diner uit een hotel. En niemand van ons peinsde over algemene verootmoediging op de manier die Calvijn aanbeveelt.
Een beter voorbeeld: in de lezenswaardige biografie over mr.dr. Willem van den Bergh, van de hand van dr. P.L.
Schram, lees ik dat dr. Van den Bergh op een morgen vernam dat in zijn gemeente van Voorthuizen een jong stel moest trouwen. De dominee legde zich en zijn gezin onmiddellijk een vasten op van één dag, omdat hij zichzelf mede schuldig voelde aan de begane zonde. Eer hij met de jonge mensen ging praten verootmoedigde hij zich voor de Here. "Here, ik ben tekort geschoten als herder en leraar ten opzichte van deze jonge mensen. Wilt U me vergeven?" In die houding volhardde hij met zijn gezin de hele dag. Dit voorbeeld drong zich onweerstaanbaar aan me op toen ik hoorde van drie jonge echtparen uit mijn vroegere gemeente wier huwelijk schipbreuk leed, omdat er nieuwe partners opdaagden.
De vraag drong natuurlijk: Hoe te handelen met deze jonge mensen?
Wat wil de Here nu in elk van die drie gevallen? Maar - gedachtig aan het voorbeeld van Willem van den Bergh - was mijn eerste vraag deze: Hebben wij en heb ik ze voldoende duidelijk gemaakt wat het wil zeggen in Christus wedergeboren en tot nieuwe mensen gemaakt te zijn? Hebben we ze wel een goede huwelijksvoorbereiding meegegeven? In de vele huwelijksproblematieken binnen onze kerken kunnen we alleen door de poort van verootmoediging en schuldbelijdenis de weg vinden die de Here wil dat we gaan. Het zal een weg zijn van diepe ernst, want de naam van Christus werd gesmaad. Ook een weg van groot mededogen: want de weg van scheiding voert over puinhopen en veel verdriet.

6.2. De poort van het gekocht en betaald zijn (1 Kor. 6:20).
Watchman Nee vertelt in zijn boek 'Het normale christelijke leven' van een chinese broeder, die een lange treinreis maakte. Een paar mannen trachtten de tijd te doden met dobbelen om geld. Ze nodigden de broeder uit om mee te doen. Maar deze antwoordde op hoofse wijze met: "Het spijt me vrienden, maar dat kan ik niet doen, want ik heb mijn handen thuis gelaten".
Toen de kameraden verbaasd en vragend naar zijn handen keken, zei de broeder verontschuldigend: ,,0, deze handen? Maar die zijn niet meer van mij. Die behoren Jezus toe. Ik ben gekocht en betaald. En Hij wil niet dat ik ze voor dobbelen gebruik. Mijn oude handen heb ik achter gelaten". Waar haalde die man dat vandaan? De charme van het evangelie ligt over zijn antwoord. Het is met zout besprengd, prikkelend. (Kol. 4:6). Het kon niet beter.
Inderdaad: waar haalde hij het vandaan? Het kan onmogelijk afkomstig zijn uit de schil van zijn ziel. Dit antwoord moet al in de diepte van zijn hart klaar gelegen hebben nog voor hij wist dat hem de vraag werd gesteld om mee te doen met dobbelen. Uit het hart zijn de uitgangen des levens. Die man moet tot diep in zijn hart wedergeboren zijn geweest: verrukt omdat hij gekocht en betaald was en bevrijd uit de slavernij van de zonde die hem gevangen hield. Hij was wedergeboren tot liefde, dienst, heiliging en voortdurend bezig met de vraag: Hoe kan ik de Heer, die mij zo liefgehad heeft, plezier doen?
In deze zielsdiepten vallen alle beslissingen lang voor ze genomen worden.
En met de meest ernstige oudgereformeerde dominee vraag ik hoe het staat met onze wedergeboorten en met de kwaliteit van ons christen-zijn?

Ik nam expres een voorbeeld uit de zendingspraktijk; het voorbeeld van een pas bekeerde. Aan te vullen met beschamende voorbeelden uit O. Europa, Azië en Afrika. Zijn we wedergeboren? Ik vraag het niet oppervlakkig, methodistisch, amerikaans, maar bijbels dacht ik. Als het wel zo is moet de aanpak van de chinese broeder heel veel problematische situaties kunnen oplossen. In deze geest: Ik heb mijn oude lijf thuis gelaten: dit lichaam is van Jezus. Dus: ik mag het niet aan jou geven - ik moet van mijn rook-, eet-, drankverslaving af - ik mag de aanschaf van de caravan geen voorrang geven boven een nieuw kindje - en denkt u maar verder in de richting van de grote vragen rond abortus, euthanasie, crematie enz. Watchman Nee heeft het in dit verband over Rom. 6. Daar gebruikt Paulus vijf maal de uitdrukking 'zich ten dienste stellen van', nl. in de verzen 13, 15 en 19. Het is een term die gebruikt wordt voor mensen die dienst genomen hebben in een leger omdat ze geworven zijn, voor mensen die in dienst getreden zijn van een Heer, omdat ze gekocht zijn. Als ik weet dat mijn oude mens gekruisigd is, kan ik me onbelemmerd in dienst stellen van God, omdat ik dood ben voor mijn oude baas en nu levend voor God in Christus. Deze visie maakt het leven heel eenvoudig. De vraag is dus: sta ik werkelijk geheel in dienst van Jezus en train ik me daarin? Dan zal ik makkelijk de manier vinden om Hem te behagen. Dan zal er gemakkelijk eenheid van denken zijn. Ik erken dat niet alle vragen dan weg zijn. Ik kom daarop terug. We zitten soms met de handen in het haar ten aanzien van Gods wil. Maar het zijn grensgevallen. Vaker dan wij soms geneigd zijn toe te geven ligt de weg van de Geest duidelijk voor ons: vrijspraak, vertroosting en gebod: vlak vóór u ligt de weg ten leven. (gezang 7) Prediking en pastoraat moeten zich naar mijn overtuiging meer dan ooit richten op de basisvragen van wedergeboorte en vernieuwing door de Geest.

6.3. De poort van de liefde
Ik knoop weer aan bij een voorbeeld van Watchman Nee. Een chinese broeder werd geplaagd door zijn buurman.
Elke dag pompte hij nl. heel moeizaam water op over zijn akker. Als hij op het heetst van de dag klaar was, stak de buurman de dijkjes door en liet het water van de hoger gelegen percelen van zijn buurman op zijn lager gelegen akkers lopen. Dan kon onze broeder opnieuw beginnen. Ten langen leste kwam hij met de zaak bij de oudsten: wat zou de Heer van mij wlllerï'tn dit geval? Er werd ernstiq beraadslaagd en gebeden. Toen antwoordden de oudsten: "De Heer verwacht stellig een buitengewone liefde van u". Toen wist de broeder genoeg. Hij stond nog vroeger op dan anders, pompte eerst de lagere akkers van zijn vijand vol en begon dan midden op de dag nog met de zijne. Een tijdlang bleef het stil.
Tenslotte kon de buurman de vraag niet meer voor zich houden: waarom doe je dat? Het eind van de zaak was de bekering van de vijand. Een voor-: beeld dat me altijd stil gemaakt heeft.
Wat was de wil van de Heer? De kerkeraad gaf geen detailvoorschrift: wees 'alleen maar' de weg van het grote gebod. Ieder van ons zal zeggen: dat was het! Heel duidelijk! Dat was de weg! Wel een moeilijke, maar geen problematische situatie. De charme van het evangelie ligt er over. De uitbundigheid van genade, vergeving, zeventig maal zeven maal. Hier ligt het begin van de oplossing van de wereldproblemen. Geen vraag met hoe weinig kan ik volstaan? Vroeger was de man duisternis, nu was hij licht in de Here. De buurman vertegenwoordigde This present Darkness: deze tegenwoordige duisternis. De broeder was licht in de Here. Is het niet waar dat deze poort veel vragen oplost? Ik denk niet eens aan de wijze waarop wij met onze vijanden omgaan. Zelfs onze omgang met medechristenen is soms problematisch, b.V. als het gaat om broeders die ons geschorst hebben en ons hebben laten vallen. Als we hen eens zouden bejegenen met deze liefde?
Verder denk ik aan financieeleconomische vragen. Wat zou de Heer willen dat wij bijdroegen? Tot welke prijsklasse wil de Heer dat ik ga bij de aanschaf van mijn nieuwe auto? Waar wil Hij de grenzen zien voor mijn recreatieve uitgaven? Welke weg wil Hij dat we gaan ten aanzien van Afrika, milieubeheer, de armen uit onze samenleving, loonvorming? Kierkegaard gaf eens het voorbeeld van twee schooljongens. Ze wisten allebei niet welk huiswerk de leraar opgegeven had. De eerste dacht: "Dan zal ik maar een groot stuk doornemen". De tweede dacht: "Dan doe ik maar niets". Stel je voor dat de eerste nu nog een te klein stuk genomen had, maar hij kende het goed, zou de leraar hem dat erg kwalijk genomen hebben?
Maar de tweede ... Op welk van de twee lijkt ons christendom?
Ik denk aan het uiterst sobere toekomstperspectief dat prof. E.H. Adema van de Landbouwuniversiteit te Wageningen tekende: in het midden van de volgende eeuw voorziet hij een crisis die miljoenen hongerenden naar West Europa zal drijven. Collega Rietkerk citeert in zijn boekje 'De aarde en haar toekomst' een recent onderzoek uit Amerika naar de verwachting van jonge mensen ten aanzien van de toekomst onder de titel 'Going Titanic First Class': sterk en prachtig stevenen we aan op een zeer plotselinge ondergang. Wat wil de Heer van ons in deze tijd?
Ben ik zwartgallig als ik voortdurend vraag naar de kwaliteit van ons christen-zijn en de werkelijkheid van onze bekering?

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief