Van haar wieg tot haar graf (2)

1989-03-03
  • Jaargang 33
  • nummer 5
De vorige keer plaatste ik een vraagteken bij de belangrijkste konklusie die door Dr. Van der Toorn in 'Van haar wieg tot haar graf' getrokken wordt. Deze keer plaats ik vraagtekens bij de manier waarop hij 'Israël' en 'Mesopotamië' met elkaar vergelijkt en bij de wijze waarop hij gebruik maakt van de oudtestamentische wetenschap.

Over vergelijkend onderzoek
In 'Van haar wieg tot haar graf' maakt Dr. Van der Toorn gebruik van het zogenaamde 'vergelijkende onderzoek'. Hij legt de godsdienst van Israël en de godsdienst van Mesopotamië naast elkaar, vergelijkt, gaat dus op zoek naar overeenkomsten en verschillen en trekt daaruit konklusies. Nu is m'n probleem zeker niet, dát hij dit doet.
Integendeel, 'het vergelijkende onderzoek' is zelfs heel waardevol, dienstbaar aan het goede verstaan van het Oude Testament. Er is alle reden om dankbaar te zijn voor het werk van geleerden die zich hiermee bezighouden. Om iets te noemen: uit het Oude Testament zijn ons verschillende voorschriften bekend aangaande de reinheid en de onreinheid van de vrouw. Een menstruerende of bloedvloeiende vrouw was onrein (Lev. 15:19-33)hetzelfde gold overigens ook van een man met een vloeiing of na een zaadlozing (Lev. 15:1-17). Ook na de bevalling was een vrouw onrein (Lev. 12). Voor een evenwichtige beoordeling van deze voorschriften is het goed om te zien, dat de volken die Israël omringden vergelijkbare voorschriften kenden. Je ogen worden er voor geopend dat er binnen het Oude Oosten een algemeenreligieuze symbooltaal was die door iedereen goed begrepen werd. Ook Israël kende deze taal.
Middels deze taal heeft de HEERE dan ook tot het hart van Israël gesproken.

Niet tegen vergelijkend onderzoek op zich, maar tegen de wijze waarop de auteur het gebruikt heb ik m'n bedenkingen, hoezeer ik ook onder de indruk ben van zijn belezenheid en het vakmanschap.
Op pag. 12 verantwoordt de auteur waarom hij de vergelijkende methode toepast. Hij schrijft: "Een historische studie, die zich beperkt tot Israël loopt het gevaar van eenzijdigheid.
AI te vaak wordt in boeken over de Israëlitische vrouw aan bepaalde aspekten een - al dan niet theologische - meerwaarde toegekend. Bij een vergelijkende studie blijkt deze dan dikwijls onhoudbaar.
Een voorbeeld: het verlangen naar een mannelijke nakomeling is wel eens uitgelegd vanuit de Messiasverwachting. Omdat de Israëlitische vrouw geloofde dat de verlosser eens zou komen en zij zijn moeder zou kunnen zijn, haakte zij naar een zoon. Getuige de spijkerschrifttabletten leefde de wens om een zoon echter niet minder bij de Babylonische vrouw. Blijkbaar waren er dus andere motieven in het spel."
Het gaat me nu niet om het door de schrijver aangehaalde voorbeeld.
Het gaat me om de gevolgde redenering.
Deze lijkt logisch, maar is het niet. Immers, wanneer ergens twee overeenkomende religieuze verschijnselen voorkomen - hetzij gebruiken, hetzij verwachtingen, hetzij opvattingen - dan kunnen die wel op elkaar lijken, maar dan hoeven ze binnen de verschillende godsdiensten nog niet dezelfde rol te vervullen. Alles hangt af van de geloofsvoorstellingen waarbinnen die verschijnselen verworteld zijn!
Het feit dat binnen twee kulturen vergelijkbare religieuze verschijnselen voorkomen zegt over de eigenlijke bedoeling en betekenis daarvan nog niets. Daarvoor is nader onderzoek nodig. Daarvoor moet teruggegaan worden naar de geloofswereld van beide kulturen, teruggegaan worden naar 'het religieuze interpretatiekader' waarbinnen de religieuze verschijnselen voorkomen.
Misschien dat een voorbeeld dit verduidelijkt. Binnen de vroegreformatorische kerk leefden onder de Lutheranen, de Zwinglianen en de Calvinisten drie verschillende opvattingen over het Heilig Avondmaal.
Hoewel een buitenstaander bij een onderzoek van het gebruik op zich ongetwijfeld vele overeenkomsten ontdekt zou hebben weten we dat de verschillen in beleving en interpretatie van het Avondmaal als levensgroot ervaren werden. De oorzaak? Het verschil in geloofsvisie, die achter het Avondmaal schuilging. Zou het in het Oude Oosten anders zijn geweest? Zelfs al lijken de reinigingsrituelen van de Israëlitische en Mesopotamische vrouw als twee druppels water op elkaar, dan nog kan de rol van dit ritueel in hun leven heel verschillend zijn, vanwege de God die hen hiertoe verplichtte!
Heel dikwijls laat de auteur na door te stoten naar de geloofswereld van Israël en Mesopotamië. Het vergelijkende onderzoek heeft op deze manier iets onbevredigends, het overtuigt niet omdat er zo weinig reliëf in het door de auteur geschetste beeld wordt aangebracht. Mijn indruk is, dat hierdoor de rol van het geloof in de HEERE in het leven van de Hem toegewijde Israëlitische onderbelicht blijft. Bij tijd en wijle is dit echt jammer.
Zo lezen we dat het pasgeboren kind in Mesopotamië beschermd werd tegen demonen. Immers, demonen en geesten waren er vele en ... er waren er die op het nietgespeende kind nog wel eens een aanslag wilden plegen. Talismans en bezweringen moesten hiertegen uitkomst bieden. De auteur schrijft dan: "Welke demonen men in Israël vreesde weten wij niet ... Dat men geloofde in kwade geesten is aannemelijk.
Sommige geleerden menen dat de oudtestamentische voorhoofdsbanden van oorsprong amuletten waren." (pag. 22) Hier zou het zinnig zijn geweest door te stoten naar het verschil in geloofswereld.
Het geloof in de HEERE, de Schepper van hemel en aarde, heeft immers heel bevrijdend ingewerkt op het uiterst beangstigende geloof in demonen en vooroudergeesten?
Hoe belangrijk is dan de rol van de godsdienst in het leven van de vrouw!

'Wetenschappelijk'?
Een derde vraagteken plaats ik bij het gegeven dat Dr. Van der Toorn zich bij zijn onderzoek geheel oriënteert op de resultaten van het modern-wetenschappelijke onderzoek.
Hij benadert het Oude Testament sterk 'van onderop'. Zo lezen we dat de historische inkadering van Deuteronomium een literaire fiktie is. (pag. 31) Ook meent de auteur dat het vereren van huisgoden, dat zijn 'privé-beschermgeesten', tegelijkertijd met de verering van de HEERE als nationale God tijden lang een heel normale zaak was, Immers, "Vereerden de aartsvaders al niet hun bijzondere goden: EI-Olam (Gen. 21 :33), de 'Verwant (NBG 1951: Vreze) van Isaäk' (Gen. 31:42) en de 'Machtige Jakobs' (Gen.
49:24), later allen gelijkgesteld met de HERE?" (pag. 31). Sprekend over het verhaal van Jefta's dochter (Richt. 11 :34-40) zegt de schrijver, dat het alle trekken van een kuItuslegende vertoont. Het is een poging om het 'waarom' van dit jaarlijks terugkerende vrouwenritueel te beantwoorden. "Evenals dat bij andere oud-testamentische cultuslegenden het geval is kan men over de historische waarde van de geboden verklaring zijn twijfels hebben."
(pag. 111).

Hierin kan ik de auteur niet volgen.
Niet dat ik de moderne methoden van onderzoek zondermeer overboord zou willen zetten, of ze op zich als Schriftkritisch zou willen typeren. Aan de Schrift kleeft het stof der eeuwen. Mede dankzij het modern-wetenschappelijke onderzoek kunnen we hiervoor oog krijgen.
Er is echter geen reden om je aan het moderne onderzoek uit te leveren.
Steeds moeten we ons ervan bewust zijn, dat aan het moderne onderzoek geloofsvooroordelen ten grondslag liggen. Men hanteert een gesloten wereldbeeld, men sluit de openbaring en het ingrijpen van de HEERE uit. Het is daarom geheel verantwoord de argumenten van het moderne onderzoek van het Oude Testament óók religieus te wegen.
Welke rol speelt het geloofsvooroordeel?
Neem bijvoorbeeld het spreken over sagen en legenden: dikwijls geeft niet het literaire argument, maar het geloofsargument de doorslag!
Een andere trek binnen de oudtestamentische wetenschap is toch ook wel - dikwijls althans - een gebrek aan respekt voor het geschrevene.

De eigen hypothese legt dan meer gewicht in de schaal dan een nuchtere exegese. Schriftgegevens die de hypothese weerspreken willen nog wel eens weggeredeneerd of ondergewaardeerd worden. Voorzichtigheid, geduld, eerbied voor de tekst ontbreken dan. NB Hetzelfde kan evenzeer binnen de orthodoxe Schriftuitleg voorkomen!
Het kost me moeite het te schrijven, maar meer dan eens krijg ik de indruk dat Dr. Van der Toorn door deze manier van wetenschap bedrijven beïnvloed is. Eerder al wees ik op de gebrekkige argumentatie waarmee de toch wel héél krasse stelling onderbouwd wordt, dat de Israëlitische (en Babylonische) vrouw slechts in de volksreligie echt zichzelf konden zijn. Voor lsraël lijkt deze konklusie in ieder geval te hypothetisch. Vervolgens wordt deze hypothese echter springplank voor nieuwe hypothesen. Want nadat de auteur (op pag. 110) gesteld heeft dat vrouwen in de viering van het Pascha hun emoties niet kwijt konden, gaat hij op zoek naar religieuze vrouwenfeesten waarin de vrouwen dit wel konden. Hij wijst dan op de geschiedenis van Jefta's dochter, die besloten wordt met de opmerking dat het een inzetting werd in Israël, dat jaarlijks de Israëlitische meisjes gedurende vier dagen in het jaar de dochter van de Gileadiet Jefta gingen bezingen (Richt. 11:40). Dr. Van der Toorn: Worden deze geheimzinnige vrouwenfestiviteiten (hoezo geheimzinnig?
JMM) niet in een al te onschuldig daglicht gesteld? (pag. 111) Is hier niet veeleer sprake van een ritueel à la het 'bewenen van Tammuz' (een klaagfeest van Mesopotamische oorsprong dat in Ez. 8:14 genoemd en aldaar ook fel veroordeeld wordt)? Nu is de parallel tussen Richt. 11:40 en Ez. 8:14 al verre van overtuigend, maar waar het me vooral om gaat is, dat de ene hypothese zich op de andere gaat stapelen.
Het geheel krijgt daardoor iets spekulatiefs en het resultaat is dat je steeds verder van het geschrevene komt te staan. Eigenlijk is dit het laatste wat ik van een Nederlands Gereformeerd oudtestamentikus had verwacht.

Een vraag
Terugblikkend op 'Van haar wieg tot haar graf' zou ik nog één ding naar voren willen brengen. De auteur heeft zijn boek geschreven in het kader van een projekt dat gesubsidieerd werd door de Nederlandse organisatie voor zuiver wetenschappelijk onderzoek (ZWO). Hoewel in een populair jasje gaat het dus om een wetenschappelijk boek. Dit maakt de aanpak van de auteur voor een deel verklaarbaar. Hij stelt zich afstandelijk op, behandelt de godsdienst als een maatschappelijk verschijnsel, zonder zich over het openbaringskarakter van de godsdienst uit te laten. Als wetenschapper moet je dit misschien ook wel? Wie zich al te vast in zijn vooroordelen nestelt, loopt immers het gevaar zich af te sluiten voor alles wat met zijn vooroordeel in strijd komt? Dat er een spanning kan bestaan tussen geloofsvooroordeel en onderzoekspraktijk wil ik dan ook aannemen.

Het wonderlijke is echter dat Karel van der Toorn zich nog geen 6 jaren terug juist tegen deze afstandelijke benadering verzette. In zijn bespreking van het Bijbels Handboek, deel 2a (in 'Opbouw', 27e jaargang, no. 23) verwijt hij die auteurs dat hun aanpak niet direkt leidt tot een beter verstaan van de Schrift. "Men lijkt beducht de verkondiging met wetenschappelijke studie samen te. laten gaan. Toch vraagt juist het objekt van onderzoek, Gods openbaring, om een benadering, waarin aandacht voor literaire en historische vragen hand in hand gaat met een bijbelse theologie. Hoe komt het dat die twee elkaar lijken te bijten? De reden daarvan moet waarschijnlijk gezocht worden in een humanisering van de Schrift. De Bijbel wordt dan produkt van begaafde schrijvers en dichters. Men mag nog zo hoog opgeven van de kwaliteiten, maar ze verliest het gezag van Gods Woord ..."

Na lezing van 'Van haar wieg tot haar graf' is deze opmerking me uit het hart gegrepen. Waarom heeft de schrijver niet geprobeerd op deze mijns inziens verantwoorde basis voort te bouwen in zijn recentere werk? Dat is de vraag waarmee ik ben blijven zitten.




Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief