Petrus, de herder

1989-03-31
  • Jaargang 33
  • nummer 7
Gij weet, dat ik u liefheb Johannes 21:15-17

Het vraaggesprek tussen Jezus en Petrus: 'Petrus in ere hersteld', staat er in de nieuwe vertaling boven.
De kinderbijbel van Anne de Vries denkt aan gewetenswroeging bij Petrus: "Ik ben zo slecht geweest ... Zou ik nog wel een knecht van de Here Jezus mogen zijn?" En aan geestelijke discriminatie bij de andere discipelen: 'Hoort Petrus er eigenlijk nog wel bij?' Daar gaat Jezus nu iets aan doen.
Hij herstelt de goede verhouding tussen Petrus, Hemzelf en de discipelen.
Daartoe moet Petrus dan wel eerst drie keer openlijk verklaren dat Hij Jezus liefheeft.

Wat de gewetenswroeging bij Petrus betreft: hier staat geen woord over in dit hoofdstuk. Nergens vinden we ook maar een aanduiding dat Petrus het moeilijk had met Jezus en met zichzelf.
Integendeel! Als Johannes doorheeft dat het Jezus is, daar aan de oever van het meer, in het halfdonker van de morgen, dan is het Petrus die het water inplonst en als eerste bij de Meester aankomt. En als Jezus tot de discipelen ('hen', meervoud) zegt: "Brengt (meervoud) van de vissen, die gij nu gevangen hebt", dan is het weer Petrus die voor Jezus vliegt. Ook in hoofdstuk 20, na Christus' opstanding, is het Petrus die voorop loopt.
Petrus gaat meteen op weg naar het graf, als Maria Magdalena heeft verteld dat ze Jezus hebben weggenomen.
En Petrus gaat als eerste het graf binnen. En nog verder terug, in de lijdensgeschiedenis: uitgerekend in Johannes' evangelie staat niet dat Petrus na zijn verloochening van Jezus naar buiten ging en bitter weende. Dit staat wel in de andere evangeliën, maar niet in Johannes.
Hiermee is niet beweerd, dat Petrus geen last heeft gehad van 'zijn geweten.
Maar hiermee is wel beweerd, dat dit motief geen enkele rol speelt in het evangelie naar Johannes.

Wat de geestelijke discriminatie door de andere discipelen betreft: ook hierover lezen we niets. Nergens vinden we ook maar een aanduiding dat de anderen het moeilijk hebben gehad met Petrus.
Integendeel! Als Petrus zegt: "Ik ga vissen", antwoorden de anderen: "Wij gaan met u mee". Op het schip praat Johannes met Petrus alsof er niets aan de hand is. Ook uit hoofdstuk 20, over de opstanding, krijgen we niet de indruk dat er iets scheef zit tussen beide mannen. Ze doen wie het eerst bij het graf is, maar van enige rivaliteit is geen sprake.
Bovendien, wat de lijdensgeschiedenis betreft: zouden de andere discipelen wel geweten hebben, dat Petrus Jezus drie keer had verloochend?
Per slot van rekening was geen van de twaalven erbij geweest.
Alleen de bekende van de hogepriester die Petrus in de binnenhof introduceerde (18:15v). Er zijn goede gronden om aan te nemen dat deze bekende van de hogepriester niet Johannes maar Nicodemus was.
Er is best wel rivaliteit geweest tussen de discipelen onderling, maar in deze hoofdstukken blijkt daar niets van.

Wat de houding van Jezus tegenover Petrus betreft: het is de vraag of het zogenaamde eerherstel van Petrus in het publiek heeft plaatsgevonden.
Vers 15 meldt: "Toen zij dan de maaltijd genoten hadden", en vers 20: "En Petrus, zich omwendende, zag de discipel volgen dien Jezus liefhad". Misschien mogen we hieruit afleiden, dat Jezus en Petrus een eindje met elkaar opliepen en dat ze een gesprek onder vier ogen hadden. In elk geval gaat het hier niet om de complete apostelkring: deze bestond uit elf mannen. En bij de zee van Tiberias waren slechts zeven mannen aanwezig: met Natanaël zal Bartolomeüs wel bedoeld worden, en van twee hunner kennen we de naam niet eens. Van eerherstel in de kring der apostelen kunnen we dus eigenlijk niet spreken. Bovendien blijkt uit niets, dat Jezus Petrus tot nog toe anders behandeld heeft dan de anderen. Ze hebben samen gegeten en gedronken, en dat wil wat zeggen in het Oosten! Tot de hele discipelenkring heeft Jezus gezegden het ligt voor de hand om aan te nemen dat Petrus erbij is geweest - "Vrede zij u! Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u. En na dit gezegd te hebben, blies Hij op hen en zeide tot hen: Ontvangt de heilige Geest. Wie gij hun zonden kwijtscheldt, die zijn ze kwijtgescholden; wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend".
Van publiek eerherstel is helemaal geen sprake.

Aan wat Jezus tot Petrus zegt, kunnen we niet zien dat het vragen zijn.
Niet aan de vorm van de zin, niet aan de wijs van het werkwoord, niet aan een vraagteken - vraagtekens zijn pas later aan de tekst toegevoegd; de oudste handschriften hadden helemaal geen leestekens.
Er zit wel iets vragends, iets suggererends in. Maar het zijn geen open vragen, waarbij Petrus nog met 'nee' kan antwoorden of waarbij Jezus heel verwonderd kan zijn dat de ander 'ja' antwoordt. Het is geen vraag maar een weet - ook voor de Vraagsteller! Dit laat Petrus dan ook heel duidelijk merken: Jezus weet al Gij weet. .. Ja, Here, Gij weet het...
Here, Gij weet alles, Gij weet dat ... "
Jezus weet al wat Hij van Petrus vraagt. Hij vraagt naar de bekende weg. En als je naar de bekende weg vraagt, vraag je eigenlijk helemaal niet!
Jezus zegt gewoon tot Petrus: "Simon van Johannes, jij hebt Me lief, hè?" En dat tot drie keer toe.
Net zoals Petrus zelf tot drie keer toe Jezus had verloochend. Dit betekent: Jezus herhaalt zijn opmerking niet alleen, voor de tweede keer, maar Hij plaatst haar nog eens, voor de derde keer - en uitgerekend dit herinnert Petrus aan die nacht waarin hijzelf ook iets twee, drie keer zei. Jezus herhaalt niet voor alle duidelijkheid, maar Jezus haalt de oude wond openen dan wordt Petrus bedroefd.

Er is op gewezen dat Petrus Jezus niet verloochende omdat hij niet van Hem hield, maar juist omdat hij wèl van Hem hield. Hij wilde bij Hem in de buurt blijven: Jezus kon hem eens nodig hebben. Daarom mocht hij niet ontdekt worden als discipel van Jezus. Daarom moest hij zichzelf camoufleren: "Ik een discipel van die mens? Wèlnéé!" Petrus zei 'nee', omdat hij zoveel van Jezus hield (zie H. de Jong, Bron en norm, 111).
Het is uitgerekend dat wat Jezus hier tot Petrus zegt: "Je houdt van Me, hè Simon, en dáárom heb je nee gezegd in het huis van de hogepriester.
Niet omdat je niet van Me hield, maar juist omdat je wel van Me hield. En Ik weet dat wel, hoor!
Ik ken je wel!" Jezus onderkent de liefde die onder schijnbare liefdeloosheid verborgen is. En daar is Petrus zo ondersteboven van. Daarom zegt hij ook wat hij zegt. Hij
heeft geen kort en krachtig antwoord, maar hij reageert verwonderd op de dieptepeiling door Jezus.
Jezus heeft hem door! Ja, Here, Gij weet alles - tot vier keer toe zegt hij dit.

Nee, het gaat in deze perikoop niet over de gewetenswroeging van Petrus of de geestelijke discriminatie door de andere leerlingen, en zelfs niet over het eerherstel door Jezus.
Het gaat hier niet over liefde en haat van mensen, maar over de geweldige grootheid en liefde van de Héér, de Kurios. Het is de Here, zegt Johannes. Inderdaad het was de Here. Zo openbaarde Jezus Christus zich aan zijn discipelen en ook aan Petrus. Hij bevestigt Petrus niet opnieuw in zijn ambt, maar Hij bevestigt Petrus in de uitoefening van zijn ambt. Hij steekt hem een hart onder de riem. Achter het 'nee' van Goede Vrijdag ziet Hij het 'ja' van Pasen.
Wat een les voor deze man! Wat kan hij daar zijn winst mee doen in de omgang met andere mensen!
Jezus weet, dat mensen nee kunnen doen omdat ze ja bedoelen. Nu, na deze diepe ervaring, kan Petrus voor Jezus' schapen zorgen. Weid mijn lammeren, hoed mijn schapen, weid mijn schapen. Hoe een vissenvanger via een kraaiende haan schapenfokker wordt ...

OPSTANDING -4-

Ik heb een droom
Jezus Christus heeft een droom
Hij gaf een droom aan Johannes
Hij geeft een droom
aan ieder die overwint

ik heb een droom
en ik zie een nieuwe wereld
ik zie een nieuwe mensheid
ik zie een nieuwe menselijkheid
een gemeente vol warmte en hartelijkheid
een samenleving van ongeschonden leven en pure blijdschap
mannen en vrouwen die elkaar aanvaarden als grote geschenken van God
stuk voor stuk unieke mensen
mensen wier hart zwelt van vreugde en trots
als op een tintelende lentedag
ieder van hen volstrekt vrij
en allen dienend in grote liefde
lachend om de goede God die zij dienen
en Jezus naar wiens nieuwe naam zij zijn genoemd
koningen die heersen over dingen
en planten dieren en engelen
die een eeuwigheid nodig hebben
om de geheimen van de nieuwe materie te ontdekken
en de schoonheid van de nieuwe wereld te bezingen

ik heb een droom
en Jezus gaf mij die
ik zie nieuwe hemelen
en een nieuwe aarde
waar gerechtigheid woont
waar God woont bij de mensen
en waar mensen wonen bij God.

(bij Openbaring 21 en 22)


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief