Liturgisch samenspel
1989-03-31
In het blad 'Organist en Eredienst' van September 1988 troffen we een schets aan van de verhouding tussen predikant en organist, zoals de schrijver Leen Soeters deze heeft ervaren. U kent 'Organist en Eredienst' toch? We hebben er tientallen jaren ons hart, onze hand en onze pen aan verpand. Daarom durven we wel eens iets over te nemen. Zo al niet tot uw stichting, dan tot uw vermaak.- Jaargang 33
- nummer 7
Contact of kortsluiting?
De schrijver verhaalt hoe hij als inleiding tot de kerkdienst aan het klavier zat te "mijmeren in hele en halve noten" over een te zingen lied of psalm. Een pracht van een understatement tussen haakjes. Op dat ogenblik verzocht de koster hem naar beneden te komen, daar de gastpredikant hem wenste te spreken.
Het was 5 minuten voor de aanvang van de dienst. De organist brak dus zijn voorspel af - het publiek dacht hoorbaar: storing, even geduld a.u.b. - en meldde zich bij de predikant.
Deze stelde zich voor met de vraag: "direct na de preek zingen we psalm 6, dat hebt u zeker al gezien, en als u nou meteen na het amen van de preek eerst wat fantaseert over 'Waarheen pelgrims, waarheen gaat gij?' en dan zo geleidelijk aan overgaat in een voorspel voor psalm 6 - begrijpt u?"
De organist belijdt dat hij neiging voelde te antwoorden: "en ik zou graag willen dat u vanmorgen niet preekte over Martha en Maria, maar over David en Goliath, begrijpt u"maar hij vermoedde dat de predikant dit niet zou begrijpen. Hij slikte dus zijn reactie maar in, klom weer naar boven, maakte zijn onderbroken prelude af en hielp predikant en gemeente op gang.
Daarna vond hij een stuk muziekpapier en begon te schrijven aan een amen-muziekje. Hooguit 20 minuten tijd, terwijl de predikant wellicht enige uren aan zijn preek had besteed.
De melodie van 'Waarheen dominees, waarheen gaat gij?' kende hij gelukkig nog van de zondagsschool.
Ze waren dan ook gelijk klaar: direct na het amen werd de gewenste muziek ten doop gehouden.
De organist zucht achteraf, dat hij geen woord van de preek heeft gehoord.
Hij zou maar eens informeren waar het over ging; misschien wel over David en Goliath, mijmert hij.
Uitzondering
Weinig stichtelijk, zegt u, en u hebt gelijk. Maar toch leuk verteld en gegarandeerd nog waar ook. Daar moet direct iets bij gezegd worden: dat deze toestand bij ons weten vandaag niet meer normaal is.
Langzamerhand zijn organisten er op bedacht, tijdig de liturgie voor de komende zondag te bestuderen.
Langzamerhand ook blijken predikanten bereid te zijn, hun liturgisch schema vroegtijdig gereed te hebben en door te geven aan hun medewerker.
Ze zien immers dat dit een gezonde samenwerking - en dus de kwaliteit van de eredienst en dus de eer van de Allerhoogste ten goede komt.
Wij, tijdelijk organist in een vacante gemeente, hebben de ervaring dat de meeste predikanten zich over een vroegtijdige aanvraag voor de liturgie niet meer verbazen. Sterker, in verscheidene gevallen laten ze blijken dat ze tijdige samenwerking op hoge prijs stellen. In enkele gevallen vroegen predikanten zelfs, of er bepaalde voorkeur bestaat - dan viel er te praten. En van collegaorganisten horen we soortgelijke klanken en die staan alle in majeur.
Een organist is immers geen liefhebber, die ook eens wat wil laten horen - maar vertegenwoordiger van een gemeente, die uit zangers en speellieden bestaat.
Wat is vroegtijdig?
De vraag is: wanneer heeft een predikant zijn preek klaar en begint (...) aan zijn liturgie? Uitgaande van onze prille jeugdherinnering is dat Zaterdagavond, na kinderbedtijd.
Dat was toen bij een overvol programma, zoals nog op smalle schouders werd gelegd, geen uitzondering.
Vandaag zal dat, naar we vurig hopen, wat beter gaan.
Ook een predikant is een mens, geen slaaf van mensen. Als hij niet met 48 uur per week rondkomt zal het wel eens 60, 70 of 80 uur worden - maar bij uitzondering. En of zijn werkprogram nu volbeladen of meer-dan-volbeladen is, de algebraïsche formule dat a + b gelijk is aan b + a maakt duidelijk, dat de volgorde der dingen geen invloed heeft op de totale tijdsduur. Ergo het maakt weinig uit of de predikant zijn schema (eerst) en zijn preek (daarna) op Dinsdag dan wel op Zaterdag opstelt. "Dit is vanzelfs een duid'lijkheid", dichtte de Schoolmeester.
Vooral wanneer hij merkt dat zijn organist geen struikelblok maar een dienstvaardig medewerker is, zal de predikant er wat voor over hebben, de man tijdig te laten meedenken over een goede muzikale verzorging van de eredienst. Wij hebben, geleerd door onze buitenlandse ervaring, meteen hier de gewoonte aangenomen, vroegtijdig contact met de predikant te zoeken. We bellen dus op Maandag, om beleefdelijk te vragen: zoudt u al kunnen zeggen op welke. dag en welk uur we van u de liturgie mogen opvragen?
Sommige predikanten zijn hier nog niet op verdacht. Die zeggen vriendelijk: wel, schikt het u op zaterdagavond?
Dan is ons antwoord, eerlijk en niet minder vriendelijk: nee, jammer genoeg, dan is het te laat om iets goeds te leveren. En dan gaan we onderhandelen: Vrijdag? of Donderdag?
Het draait vermoedelijk op Woensdag uit en dat is perfect.
Want misschien ligt de gewenste muziek (voorspel, postlude, vooral collectespel, enkele intonaties voor psalmen, enkele harmonisaties voor minder bekende liederen) al in portefeuille gereed. Maar misschien ook niet - en dan kost elke minuut muziek bijna een uur huiswerk.
Denkende aan het geroezemoes en de pepermuntdistributie zou een organist er zonder moeite toe gebracht kunnen worden, de zaak maar op zijn beloop te laten; de 'muziek' ter plaatse uit zijn mouw te schudden. Maar zijn betere ik, gevoegd bij de opvoeding die hij in de Gereformeerde Organistenvereniging heeft genoten, belemmeren hem om de weg van de minste weerstand te kiezen. Goed voorbereiden betekent: niets aan het toeval overlaten en nimmer gokken op een goede inspiratie.
Improviseren
Dat improviseren, waartoe elke organist a priori in staat wordt geacht!
Het is merkwaardig dat die kunst van het improviseren aan het orgel - bij andere instrumenten zou geen solist zich gemakkelijk aan improvisatie wagen - juist in Nederland is ontstaan. We denken aan Jan Pieterszoon Sweelinck, die een school van Europese organisten heeft gevormd.
Hier worden jaarlijks een nationaal en een internationaal orgelimprovisatieconcours gehouden; en wie zo'n concours in Bolsward of Haarlem ooit bijwoonde kan weten, dat het om kunst van hoog gehalte gaat. Want improviseren is meer dan "mijmeren op hele en halve noten"; het betekent componeren in speel-tempo, werk leveren op een gegeven thema, met binding aan een gegeven of gekozen vaste vorm, binnen het gegeven tijdslimiet.
Achter de techniek van het orgelspel, de smaak en kennis van het registreren, de kennis van harmonie en contrapunt en nog enkele kleinigheden, moet ook de vormleer naar waarde zijn genoten. Improvisatie is dus voor de bollebozenniet voor iedereen.
Elke preek heeft toch ook een vaste of aannemelijke vorm? leder die voor publiek spreekt weet toch, dat zijn toespraak zowel kop en staart als inhoud moet hebben? Elke gelegenheidsspeech wordt toch vooraf weldoordacht? Voor elke lezing worden toch tijdig een pakkende inleiding, een juiste dosis informatie, een snufje overredingskracht en een stimulerend slot voorbereid? Hoe weinig predikanten zouden hun preek zonder voorbereiding durven improviseren?
Waarom zou dan een organist in- en uitgeschakeld kunnen worden als een taperecorder of een walkman?
Muziek is nooit te leveren in 'bulk', uitsluitend in 'maatwerk'. Anders noemen we het geen muziek.
Levensbelang voor de kerk
De genoemde organistenvereniging heeft nu zo'n kleine 60 jaar gewerkt, om de kerken van zangmeesters te voorzien. Daarbij moest heel wat negatief geschrijf van dr. Abr. Kuyper worden overwonnen. In de (syn.) Gereformeerde Kerken worden thans jaarlijks tonnen aan salarissen betaald voor organisten, aan wie eisen kunnen worden gesteld. Die uitgaven betekenen overigens niet meer dan enkele procenten op de begrotingen. En indien wel: een arbeider is zijn loon waard, alleen wie niet werken wil hoeft niet te eten. En wanneer organisten niet voor een verantwoorde kerkmuziek mogen opkomen dan mag niemand dat doen.
Deze roep krijgt langzamerhand een vertrouwd karakter. Willen onze kerken positief op de toekomst inspelen, dan zullen ze tijdig aan een jonge generatie van geschoolde zangmeesters moeten werken.
"Houdt dan de lofzang gaande", dat is: zorgt dat ons gezongen antwoord op de evangelie-verkondiging blijft bestaan. Alleen door te zingen vindt de kerk een toekomst op aarde.
Stroom en tegenstroom - preek en gezongen gebed - ze vormen samen de harteklop, of wilt u: de ademhaling, van Christus' lichaam.
Laten wij er op attent zijn, nu het nog kan en de middelen ruimschoots voor handen zijn.