De drie getuigen

1989-03-31
  • Jaargang 33
  • nummer 7
De uitleg van Johannes' eerste brief, en met name van het gedeelte dat we in de titel noemden, is sterk beïnvloed door de veronderstelling, dat de apostel zich hier te weer stelt tegen de dwaalleer van Cerinthus.
Volgens diens theologie zou de hemelse Christus zich met de mens Jezus hebben verenigd bij diens doop in de Jordaan. Maar vóór het lijden zou Hij zich weer van hem hebben losgemaakt; zodat dus de Zoon van God niet aan het kruis zou zijn gestorven.
Deze veronderstelling heeft - zoals ook anderen al hebben ingezien weinig grond. Er is weliswaar een oud getuigenis, dat Johannes Cerinthus zou hebben bestreden, maar dit heeft betrekking op zijn evangelie, niet op zijn eerste brief. En zonneklare zinspelingen op diens leer vindt men in deze brief niet.
Wij nemen daarom de vrijheid deze hypothese te laten varen, om zonder vooroordeel te luisteren naar wat de tekst-in-kwestie ons te zeggen heeft.

Twee getuigen
In v. 6a lezen we in de onder ons gangbare vertalinqen: "Hij is het die gekomen is door water en bloed, Jezus Christus, ... ".
Men heeft er rn.l. onvoldoende acht op geslagen, dat straks in vv, 7/8 verzekerd wordt: "drie zijn er die getuigen: de Geest en het water en het bloed". In het voorafgaande vers echter is bij de gebruikelijke vertaling alleen de Geest als getuige betiteld (v. 6b "en de Geest is het die getuigt"), niét het water en het bloed.
Hoe kan, zo vragen we, in vv, 7/8 worden onderstreept, dat water en bloed als getuigen optreden, als ze niet, evenals de Geest, in v. 6 als zodanig ter sprake zijn gebracht?
Het in rekening brengen van vv, 7/8 leidt ons m.i. dan ook onontkoombaar tot een andere vertaling van het voorzetsel 'dia', dat in v. 6a vóór "water en bloed" staat.
Onlangs') heb ik erop gewezen, dat het hier gebezigde voorzetsel ook de kaders waarbinnen, of de sfeer waarin iets plaats vindt, kan aanduiden.
Men kan het nog iets ruimer stellen: de begeleidende omstandigheden worden door dit voorzetsel soms getekend. Ja zelfs: de begeleidende personen. In dat laatste geval gaat het eigenlijk om personen tussen wie men in staat. (Ik zei nl. in het aangehaalde artikel al, dat 'dia' o.a. betekent: tussen ... door.) Om mensen dus, in wier aanwezigheid iets plaats vindt. Maar dat zijn geen toevallige omstanders; nee, ze zijn bij het gebeuren betrokken. De handeling - die een zeker gewicht heeft - vindt plaats ten overstaan van hen, onder hun toeziend oog en luisterend oor. Zij kunnen dus de juistheid van de rapportage van het gebeurde bevestigen of voor de waarheid van een overgebrachte boodschap instaan. De apostel Paulus gebruikt het dan ook, als het om de aanwezigheid van getuigen gaat (2 Tim. 2, 2; men lette erop, dat hij elders in dezelfde betekenis 'enoopion' (= ten overstaan van) bezigt, (1 Tim. 6, 12).
Ik heb dus de stellige indruk, dat reeds in v. 6a door het daar gekozen voorzetsel wordt gesuggereerd, dat we hier met water en bloed als getuigen te doen hebben. En daarmee krijgt de uitspraak van vv, 7/8 zijn noodzakelijke voorbereiding.

Twee 'begeleiders'
Bij de herhaling ("niet alleen ... , maar ... ft) wisselt Johannes van voorzetsel: hij gebruikt nu 'en' (= in); dus "niet alleen in het water, maar in het water en in het bloed".
De variatie is bij nader inzien maar licht, en goed verklaarbaar. Ook het voorzetsel 'in' wordt - evenals 'door ... heen' - in het Grieks ruim genomen. Zo wordt het niet alleen gebezigd van het kleed waarin iemand zich hult (b.v. Mt. 7, 15) of van het schoeisel waarin iemand loopt (b.v. Ef. 6,15), maar ook van uitrustingsstukken waar men zich niet in steekt, maar die men hanteert, zo b.v. in 1 Cor. 4, 21 waar Paulus vraagt, of hij "in een stok" moet komen.
Inderdaad wordt dit voorzetsel in het latere Grieks in ruime mate aangewend om het werktuig aan te geven waarvan men gebruik maakt. Toch is vaak de oorspronkelijke, de 'omgevende' kracht van het woord ook dan nog wel na te voelen. En dat geldt met name, wanneer personen als 'werktuig' optreden. Zo lezen we in v. 14 van de brief van Judas in de NBG-vertaling: "Zie, de Heere is gekomen met zijn heilige tienduizenden".
Ook hier staat 'in'. Men zou, om dat te laten uitkomen, kunnen vertalen, "omstuwd door". En ook hier gaat het niet om toevallige toeschouwers, maar om door God gekozen begeleiders, die in het nu te voeren proces (v. 15) een actieve rol spelen, o.a. als getuigen, denk ik. Ik wijs op 1 Tim. 5, 21, waar Paulus o.a. "de uitverkoren engelen" als getuigen aanroept, en op Mt. 18, 10, waar Jezus zegt, dat de engelen van 'de kleinen' in de hemel het onrecht rapporteren, dat ze op aarde die kleinen hebben zien aandoen"), Johannes zit dus met dit 'en' niet op een wezenlijk ander spoor dan zopas met het 'dia'. Wil men het eerste deel van v. 6 wat 'kleur' geven, dan zou men kunnen vertalen: "Hij is het die gekomen is, geflankeerd door twee getuigen, water en bloed; niet enkel in gezelschap van het water, maar van het water én het bloed".

'De gekomene'
Het loont in dit verband de moeite nog even stil te staan bij de woorden "Dit is Hij die gekomen is". Er staat letterlijk "Hij is de gekomene" (verleden deelwoord).
Nu wordt in de evangeliën Jezus meermalen genoemd 'de komende' (tegenwoordig deelwoord). Dat heeft dan een praegnante zin: degene wiens komst in het Oude Testament is beloofd, en op wien Israël bij gevolg zit te wachten. Zo laat Johannes de Doper vanuit de gevangenis aan Jezus vragen (Mt. 11, 3): "Bent U 'de komende' of moeten wij een ander verwachten?"
Het gaat in 'de komende' om de figuur uit Ps. 118, 26, een tekst die de mensen citeren bij Jezus' intocht in Jeruzalem: "Gezegend Hij die komt in de naam des Heeren?"), Johannes duidt deze figuur als "de koning" van Israël" (Joh. 12, 13).
Ook Lucas legt het woord uit als "de koning" (19, 38). En Marcus herhaalt verklarend de hele regel als volgt: "gezegend het komende rijk van onzen vader David" (11, 10).
Martha verdiept de uitleg, als ze zegt: "U bent de Christus, de Zoon van God', 'de in de wereld komende' " (Joh. 11, 27).
Het gaat dus om den beloofden Messias.
Wel, ik denk, dat Johannes hier in zijn eerste brief het verleden. deelwoord 'de gekomene' met dezelfde diepe zin heeft geladen. Daarop lijkt mij het feit te wijzen, dat hij de identificatie "Hij is de gekomene" afsluit met de verduidelijkende toevoeging "Jezus Christus": Hij is de gezalfde (koning), de door God beloofde Messias (vgl. v. 1).
Jezus is 'de gekomene' wil dus zeggen: Hij heeft als de beloofde· Koning zijn intocht gehouden. En in zijn 'gevolg' waren water en bloed.

De derde getuige
Het zal duidelijk zijn, dat we, gezien de pas gegeven uitleg van v. 6a, in v. 6b het 'kai' waarmee de zin begint niet moeten weergeven met 'en', maar met 'ook': ..ook de Geest is het die getuigt". De Geest komt als derde getuige bij de twee in v. 6a genoemde getuigen.
Waarom completeert juist Hij het getuigental? ..Omdat de Geest de waarheid is". Hij is het einde van alle tegenspraak. Nu Hij er nog bij komt als getuige, is alle twijfel uitgesloten.

Eenstemmig getuigenis
Het is nodig vooraf op te merken, dat wij in vv, 7/8 de woorden die in de NBG-vertaling tussen vierkante haken staan, niet als oorspronkelijk beschouwen. Wij lezen dus: ..Er zijn nl. drie die getuigen: de Geest en het water en het bloed; en die drie stemmen overeen". Men zou het begin ook aldus kunnen weergeven: ..Let op, dat er drie zijn die getuigen...". Hoe men het vers ook precies opvat, de bedoeling is duidelijk: Johannes legt er de vinger bij, dat er drie getuigen optreden.
Daarmee is nl. royaal aan het in Deut. 19, 15 vereiste minimum voldaan.
En het getuigenis van alle drie is gelijkluidend. Daarmee staat de zaak dus volkomen vast.

De zwaarte van bet getuigenis
V. 9 vormt een critiek punt in de exegese. Er zijn er nl. die menen, dat hier na het getuigenis van het genoemde drietal een nieuw getuigenis ter sprake komt, nl. dat van God. Het 'dit' zou dan vooruitwijzen, en in v. 11 weer zijn opgenomen, om daar nader te worden bepaald.
Ik geloof echter, dat het 'dit' terugwijst.
Johannes zegt m.i. ..dit (t.w. het getuigenis van het in v. 8 genoemde drietal getuigen) is nl. het getuigenis van God". En omdat Góds getuigenis zwaarder weegt dan dat van mensen (v. 9a), is hiermee de geloofwaardigheid van het getuigenis waarover wij het hebben, volstrekt verzekerd.
Zoals het 'want' waarmee v. 9b begint, te kennen geeft, laat Johannes in wat nu volgt weten, waarom hij in v. 9a het getuigenis van God gewichtiger noemde dan dat van mensen. Johannes deed die - toch wel algemeen aanvaarde - uitspraak, omdat we in het getuigenis waarvan hij sprak met een getuigenis van God te maken hebben.

Climax
Er is dus een opklimming waarneembaar in Johannes' betoog: 1) Jezus bracht twee getuigen mee, water en bloed. Dat zou naar de regel van Deut. 19, 15 al voldoende zijn geweest. Maar nee, 2) er kwam nog een derde getuige bij; en wel de Waarheid in eigen Persoon.
3) Het getuigenis van de drie is eensluidend.
4) Door hun 'mond' spreèkt niemand minder dan God.
Uiteindelijk blijkt het dus God te zijn die getuigt bij monde van water, bloed en Geest.

De identiteit der getuigen
De grote vraag in dit gedeelte is: wie zijn nu bedoeld met 'het water' en 'het bloed'?
Ik denk, dat juist v. 10 onze gedachten op het goede spoor zet. Daar staat nl.: ..Wie in den Zoon van God gelooft heeft het getuigenis in zich".
Daar komt dus het getuigenis den mens het meest nabij. Het blijft niet op een afstand staan, hoezeer ook zichtbaar en/of hoorbaar; nee, als hij gelooft, komt het in hem.") Dat kan toch, dunkt mij, alleen maar slaan op den Heiligen Geest, die in de gelovigen komt wonen, die in onze harten is uitgestort. Voor deze opvattingen pleit m.i. het feit, dat Johannes dit gegeven van de inwoning van den Geest in deze brief zo veelvuldig ter sprake brengt: 2, 20.27; 3, 24; 4, 4 (!). 13.
Welnu, als de Heilige Geest hier optreedt als aan ons, mènsen, geadresseerd, ja in ons, mènsen, 'gedeponeerd' getuigenis van God, dan ligt het toch voor de hand ook water en bloed te zien als getuigenis dat God bij ons, mènsen, afgeeft.
M.a.W. het gaat hier, als ik wel zie, over de in Gods naam aan ons bediende doop en de in Gods naam aan ons bereikte avondmaalsbeker (waarvan Christus immers zegt: ..dit is mijn bloed").

De inhound van het getuigenis
Door deze drie: doop, avondmaal en Geest, betuigt, verzekert God ons, dat Hij in zijn Zoon, Jezus Christus, ons eeuwig leven geeft (v. 11).

De bestreden dwaling
Uit de uitdrukkelijke ontkenning ..niet alleen vergezeld van het water", die we in v. 6 lazen, krijgen velen het vermoeden, dat Johannes hier een dwaling bestrijdt. Dat zou best kunnen. Maar welke? Met zekerheid schijnt het antwoord op die vraag niet te geven. Reden aan Cerinthus te denken is er - zo bleek nu eens te meer - niet.
Ik zou voorzichtig een suggestie willen doen. In Efeze komt de apostel Paulus in aanraking met een onvolledig evangelie, dat zich beperkt tot de doop van Johannes (Hd. 19, 1-7; vgl. ook het voorafgaande gedeelte, 18, 24-28). Nu is het opvallend, hoeveel aandacht juist de apostel Johannes schenkt aan de verzekering van Johannes den Doper, dat niet hij de Christus is. Men denke met name aan Joh. 1,20 ..En hij beleed en ontkende het niet; en hij beleed: Ik ben de Christus niet!"
Je ziet om zo te zeggen den Doper voor je staan, met alles wat in hem is bezwerend: Nee, mensen, nee; echt, ik ben de Christus niét.
Wat dan volgt in de verzen 24-34 zou ik even naast ons gedeelte willen leggen. Op de vraag van de Farizeeën ..waarom doopt u dan, als u de Christus niet bent?" (v. 25) zegt hij: ..ik doop met water" (v. 26), maar achter mij aan komt een ander (v. 27). De dag daarop ziet hij Jezus komen (v. 29), en van Hèm zegt hij: ..daar heb je het lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt" (nI.
door zich te laten slachten en zijn bloed te geven). En hij besluit met de woorden: ..Hij is het die doopt met den Heiligen Geest" (v. 33).
Het enige wat Johannes doet is dopen met water. Jezus daarentegen doopt niet alleen (Joh. 4,1), maar stort voor ons zijn bloed en stort zijn Geest over (en in!) ons uit.
En alle drie getuigen ze, bevestigen ze, dat Jezus' boodschap ..in Mij geeft de Vader u èeuwig leven"
waar is, zowel de doop, waarmee we in Jezus' opdracht gedoopt zijn, als de beker der verlossing, die ons in opdracht van Hem wordt gereikt, als de Geest die Hij in onze harten doet wonen.
Zou de apostel Johannes - die ook in Efeze heeft gewerkt! - zich in zijn eerste brief soms instellen op hoorders die aanvankelijk waren grootgebracht enkel bij het evangelie van zijn naamgenoot, den Doper?
Laat het ons niet te zeer verdrieten, dat we op dit punt misschien nooit zekerheid zullen krijgen. De boodschap van den apostel verliest daardoor voor ons in 't geheel niet aan waarde en aan betrouwbaarheid.

Noten
1) Opbouw, jrg. 33, nr. 4, blz. 56.
2) Dezelfde afwisseling van 'dia' en 'en' vindt men ook in Rom. 2: in v. 27 is sprake van iemand die 'dia' de letter (d.i, de op schrift gestelde wet) overtreedt, in v. 12 daarentegen is sprake van mensen die 'en' een wet gezondigd hebben. Beide keren is het rechtsraam bedoeld waarbinnen de bewuste zondaars hun overtreding begaan.
3) Ik acht het mogelijk, dat Jezus in Joh. 5, 43 met 'gekomen in de naam van" zinspeelt op dit psalmwoord. Men bedenke, dat Hij ook v. 22 van dezelfde psalm op zich betrekt, Mt. 21. 42.
4) Smith (in The Expositors Greek Testament) verwijst hier terecht naar Opb. 3, 20.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief