Gemeente-opbouw

1990-07-20
  • Jaargang 34
  • nummer 15
Gemeenschap
Nadenkend over de opbouw van het gemeentelijk leven, zullen we eerst moeten vaststellen, wat dat 'leven' eigenlijk inhoudt. De Schrift reikt ons het begrip gemeenschap aan als typering van het leven van de gemeente.
(Hand. 2:42; 1 Joh. 1:3-7!) In de gemeente hebben wij gemeenschap met God en met elkaar en vanuit die gemeenschap staan wij in de wereld.

Gemeenschap met God
Met God omgaan, dat is wat wij in de gemeente doen. En dat is geen vaag iets voor heel vrome mensen. Dat wij gemeenschap hebben met God als gemeente blijkt iedere zondag.
Kenmerkend voor het hebben van gemeenschap is immers, dat we kontakt hebben. Wat doen wij anders in onze kerkdiensten dan kontakt oefenen met God. Bij dat kontakt speelt de taal een belangrijke rol.
God spreekt tot ons, door zijn Woord, dat in de eredienst wordt verkondigd. God spreekt, de gemeente hoort. Maar ook: Wij spreken en God hoort; anders zou er immers van echte gemeenschap, echte omgang met God geen sprake zijn. Wij spreken tot God in de voorbede en dankzegging, maar ook in de liederen, die we tot zijn eer zingen en in de gaven die gegeven worden voor de dienst in Gods Koninkrijk.
Nu spreekt die gemeenschap met God niet vanzelf. 'Vanzelf' zou er geen omgang tussen God en ons mogelijk zijn, vanwege de muur van zonde en schuld, die ons van de Allerhoogste scheidt. Gemeenschap met God, vrijmoedigheid van Gods kant en onze kant om met elkaar om te gaan, bestaat alleen dankzij het verzoenend werk van onze Heiland (Hebr. 4:16; 10:19). Hij heeft die muur van zonde en schuld op Golgotha afgebroken, nu is er niets meer dat de gemeenschap met God in de weg staat, voor wie in Christus gelooft.

Gemeenschap met elkaar
Dankzij het verzoenend werk van Christus is ook echte gemeenschap met elkaar in de gemeente mogelijk (Rom. 15:7; Efeze 5:1; Fil. 2:5; 1 Joh. 4:11). Los van Christus zou het ondenkbaar zijn, dat mensen, die zo verschillend zijn het samen kunnen uithouden, laat staan goed houden.
Alleen daar waar vergeven en aanvaarden de omgang met elkaar bepalen is werkelijke en blijvende gemeenschap mogelijk.
De gemeenschap met elkaar in de gemeente krijgt gestalte in het samen luisteren naar en spreken en zingen tot God, bijvoorbeeld in de eredienst (Efeze 5: 19,20). Maar daar kan het uiteraard niet bij blijven, wil de gemeente een echte gemeenschap zijn. Daarbij hoort ook, dat de gemeenteleden aandacht hebben voor elkaar, elkaar bemoedigen, troosten en vermanen, helpen waar hulp wordt gevraagd, voorbede en dankzegging voor het wel en wee van de ander in de gemeente (Gal. 6:1,2; 1 Joh. 3:17; 1 Petr. 2:8, 4:8-11).

Een getuigenis voor de wereld
Levend door de verzoening in een nieuwe gemeenschap met God en elkaar staat de gemeente in de wereld als een zichtbaar getuigenis van Gods liefde (Matth. 5:16; 1 Petr.
2:12). Dat getuigenis blijkt in de voorbede voor de nood van de wereld, de aandacht voor de van God vervreemde mens en het dienstbetoon aan de wereld door hulp te verlenen, het recht te bevorderen en daarin het Evangelie te verkondigen.

Belemmeringen
Het leven van de gemeente in gemeenschap met God en elkaar en in dienst aan de wereld kan bemoeilijkt worden door een aantal faktoren, zo blijkt in de praktijk.

Als bijvoorbeeld in het gemeentelijk leven de nadruk vooral ligt op de kerkdiensten kan dat ertoe leiden, dat andere samenkomsten (bijbelkringen, etc.) van ondergeschikt belang worden geacht. De broeder of zuster, die regelmatig verzuimt de kerkdiensten te bezoeken, kan rekenen op een bezoekje van de wijkouderling.
Het bezoeken van andere samenkomsten van de gemeente is echter veelal een zaak van vrije keuze. Meestal komen dergelijke samenkomsten voort uit partikulier initiatief en deelname is doorgaans fakultatief. Met andere woorden: de verantwoordelijkheid van de kerkeraad beperkt zich tot het beleggen van kerkdiensten, waar ieder gemeentelid geacht wordt aanwezig te zijn.
Voor de gemeenschapsoefening van de gemeente is dat geen goede zaak. Zeker, we komen samen in de kerkdienst om met elkaar voor het aangezicht van de HERE te verschijnen, maar, omdat alle ogen dezelfde kant op kijken, naar de kansel, biedt de kerkdienst te weinig gelegenheid ook elkaar onder ogen te komen. Om ook de gemeenschap met elkaar goed gestalte te geven, is de gemeente aangewezen op de bijeenkomsten in kleinere kring. Die worden echter, zoals gezegd, vaak ondergewaardeerd.
Een tweede belemmering voor goede gemeenschapsoefening kan de grootte van de gemeente zijn.
Een gemeente van rond de 150 leden zal in de regel weinig kunstgrepen hoeven toe te passen om de gemeenschap vorm te geven. Zo'n gemeente is nog overzichtelijk, zodat 'achterblijvers' gemakkelijk in de gemeenschap betrokken kunnen worden.
Anders ligt dat in grotere gemeenten.
Als daar niet een of andere organisatievorm aanwezig is, zullen enkelingen maar moeilijk een eigen plaats en taak kunnen vinden.
Nieuwkomers kunnen lange tijd anoniem blijven en 'achterblijvers' verdwijnen in de massa, zonder dat op hen een appel kan worden gedaan.

In de derde plaats kan het voor de gemeenschap belemmerend werken, als in de gemeente een vaste kern van aktieve mensen is, die al het gemeentewerk voor hun rekening nemen. Anderen kunnen daar vaak moeilijk tussen komen. Uit oogpunt van efficiëntie heeft zo'n vaste kern natuurlijk voordelen. Als de kerkeraad gemeenteleden zoekt voor bepaalde taken, zal hij niet lang hoeven te zoeken. Efficiënt werken is in de gemeente echter uit den boze, zeker als dat leidt tot het ongebruikt laten van de gaven, die ieder.
(!) in de gemeente door de Geest geschonken zijn (t-Kor. 12:7-11, 14-27). Er zal dus gezocht moeten worden naar wegen om zo mogelijk alle gemeenteleden in te schakelen bij het gemeentewerk.

Vervolgens moet het kwaad van de groepsvorming genoemd worden als een ernstlqe bedreiging van de gemeenschap.
In sommige gemeenten schijnt het zo te zijn, dat de samenstelling van bijbel- en andere kringen min of meer afhankelijk is van een aantal standpunten (over de vrouw in het ambt, kinderen aan het avondmaal, het zingen uit Liedboek, enz., enz.) of de 'sfeer' waar men zichbij thuis voelt. Zo kan in een gemeente een bijbelkring zijn voor meer 'reformatorisch' ingestelde mensen en een voor de 'evangelische' gemeenteleden. Voor de gemeenschap, die juist bestaat in het aanvaarden van elkaar in Christus, is dat een zeer slechte zaak. Echte gemeenschap is juist daar, waar mensen het op grond van het verzoenend werk van Christus met elkaar kunnen uithouden, ongeacht standpunten, meningen en manier van geloven. Sterker nog, juist dat is de kern van het getuigenis van de gemeente aan de wereld, dat mensen op de wijze van de verzoening, elkaar vergevend en aanvaardend, samenleven. Zo zullen wij ons verzoend-zijn met God aan elkaar zichtbaar maken, als evangelisatie voor de wereld. Voor alle duidelijkheid, dat betekent zeker niet dat over verschillen van mening niet gepraat mag worden, integendeel, maar noolt zullen die de gemeenschap mogen afbreken (Rom. 14:1-12,15:1,2; 1 Kor. 1:10-13,3:3).
Slechts wanneer Christus' persoon en werk in het geding zijn, mag de gemeente gescheurd worden. Want dan zijn we niet meer op het niveau van de meningen, maar van het geloof zelf!

Tenslotte is ook de moeite, die velen hebben om persoonlijk te zijn in de omgang met anderen als het gaat om geloof, het aangeven van persoonlijke vreugde en vooral verdriet een belemmering voor de gemeenschap.
Zolang er gesproken wordt, bijv. op de bijbelkring, over meer theoretische onderwerpen, die de mensen niet persoonlijk raken, loopt alles best. We hebben dan een interessante diskussie gehad, maar zijn zelf buiten schot gebleven. Het zal duidelijk zijn ook daardoor de gemeenschap gevaar loopt. Bijvoorbeeld het meeleven met elkaar staat of valt met de bereidheid persoonlijke vreugde en verdriet kenbaar te maken in de kring van de gemeente.
Voorwaarde daarvoor is uiteraard een vertrouwde sfeer, waarin mensen zich veilig kunnen voelen.

Struktuur geven aan de gemeenteopbouw
In een gemeente, waar een of meer van bovengenoemde knelpunten voorkomen, zal de gemeenschap met God en elkaar en de dienst aan de wereld niet goed gestalte kunnen krijgen. Als dat het geval is, kan een overzichtelijke organisatie van de gemeente-opbouw verbetering geven.
Onderstaand een handreiking daarvoor.

Om te komen tot een beter gestruktureerde opzet van het gemeentewerk is het nodig de gemeente in te delen in kleine groepen. Daarvoor kunnen de bestaande wijken van de ouderlingen gebruikt worden. Deze wijkgroepen staan aan de basis van al het gemeentwerk. Hoe ziet zo'n wijksgewijze opzet van het gemeentelijk leven eruit?

Eerst iets over de grootte van de wijkgroepen. Iedere wijk zal uit maximaal 12 adressen moeten bestaan.
Met deze grootte passen de wijkleden nog in een huiskamer en kan een vertrouwde sfeer mogelijk worden.

Wat de samenstelling van de wijk betreft, zijn er verschillende mogelijkheden, afhankelijk van bijvoorbeeld de leeftijdsopbouw van de gemeente. In de ene gemeente kan het adres van de leden bepalen in welke wijk ze terecht komen (geografisch bepaalde wijkindeling).
Leidt dat er echter toe, dat de wijkgroepen een eenzijdige samenstelling krijgen (alleen jonge gezinnen, bijvoorbeeld), dan zou de kerkeraad kunnen proberen de wijken zo in te delen, dat iedere wijkgroep zoveel mogelijk een dwarsdoorsnede van de gemeente vormt.
De oudere jeugd(-vereniging) zal het beste zelf kunnen kiezen of zij wil meedoen in deze wijksgewijze opzet, of dat ze liever op zichzelf blijft.
Dat laatste ligt voor de hand, omdat de jeugd van die leeftijd zich nu eenmaal minder vertrouwd voelt als er volwassenen bij zijn.

De wijkgroepen komen regelmatig samen, eens per twee keer à drie weken. Dat is een vrij hoge frekwentie, maar wanneer een wijk minder vaak vergadert, zal dat de onderlinge band niet ten goede komen.

Deze samenkomsten, de wijkavonden, kunnen het volgende verloop hebben. Begonnen wordt met een bijbelstudie, of bespreking van een thema, waarvoor de kerkeraad het onderwerp kan leveren, omlijst met het zingen van een aantal liederen.
Vervolgens zal er ruime aandacht voor voorbede en dankzegging moeten zijn. Voorafgaande daaraan kunnen de wijkleden onderwerpen noemen, die zij graag bij het gebed betrokken zouden willen hebben. Te denken is aan persoonlijke vreugde en/of verdriet, de nood van de wereld, enz. Blijkt bij de bespreking daarvan, dat ergens hulp nodig is, dan zal dat geregeld moeten worden (wie, wat, waar, wanneer). De wijkavond wordt besloten met een 'informeel' gedeelte.
In elke wijkgroep is een aantal taken te verdelen. De kunst is immers bij het gemeentewerk zoveel mogelijk mensen in te schakelen, aansluitend bij de bijzondere gaven, die de Geest aan de gemeenteleden gegeven heeft. Iedere zuster of broeder moet daarom zichzelf onderzoeken, om te zien met welke gaven hij of zij de gemeente kan dienen. Bij een wijksgewijze opzet van het gemeenteleven zijn de volgende taken in iedere wijk onontbeerlijk.
- De koördinator, die het organisatorische werk rond de wijkavonden voor zijn of haar rekening neemt.
Daarbij kunnen zoveel mogelijk mensen ingeschakeld worden. Waar wordt de wijkavond gehouden, wie zorgt voor het natje en droogje, welk onderwerp wordt besproken, enz., enz.
- De gespreksleider, die ervoor zorgt, dat de gesprekken ordelijk verlopen, dat ieder lid van de wijk voldoende aan bod komt en dat de sfeer goed blijft.
- De kontaktpersoon, die het bezoeken hulpwerk in de wijk regelt, ook weer met inschakeling van anderen natuurlijk. De kontaktpersoon heeft nauw kontakt met de wijkouderling en -diaken.
- Verder wordt per wijk iemand afgevaardigd naar gemeentelijke kommissies, zoals de liturgie- en evangelisatiekomissie.
Deze afgevaardigden houden hun wijk op de hoogte van wat er in hun kommissie gebeurt en verzameld ideeën uit de wijk voor hun werk. Bijvoorbeeld in een gemeente, die regelmatig welkomdiensten houdt, kan de organisatie daarvan rouleren over de wijken.
- De wijkouderling heeft geen andere taak, dan in de gaten te houden of het wijkwerk goed verloopt. Hij stimuleert de mensen om mee te doen en zoekt 'achterblijvers' op.
Verder laat hij zoveel mogelijk aan anderen over, zodat hij zich kan konsentreren op zijn eigenlijke pastorale werk.
- De wijkdiaken, waarvan er minimaal een per drie wijken zal moeten zijn, draagt, in nauw overleg met de wijkkontaktpersonen, zorg voor de onderlinge zorg in de gemeente.
Ook hij delegeert zoveel mogelijk werkzaamheden.

Gevaar
Een dergelijke vrij hoge organisatiegraad van het gemeentelijk leven kan er de oorzaak van zijn dat iedere vorm van spontane aktie in de organisatie verzandt. Zo zou de indruk kunnen ontstaan, dat het ten strengste verboden is, iemand uit een andere wijk op te zoeken, zonder voorafgaande toestemming van 'hogerhand'. Die indruk moet natuurlijk vermeden worden. De wijksgewijze opzet van het gemeentewerk is slechts een instrument om te voorkomen, dat de kwaliteit van de gemeenschap afhankelijk is van de spontane inzet van gemeenteleden.
In een gemeente, waarin de gemeenschap op spontane wijze bevredigend gestalte krijgt, is het zelfs af te raden met een of ander organisatievorm te gaan werken.
Een ander gevaar, is dat sommige gemeenteleden 'kopschuw' worden, omdat het niet meer mogelijk is alleen de kerkdiensten te bezoeken en verder afzijdig te blijven. Wie de wijkavonden niet bezoekt, kan bezoek van de wijkouderling verwachten.
Daarom zal de eventuele doorvoering van een wijksgewijze opzet van het gemeenteleven niet kunnen zonder geestelijke leiding van de kerkeraad. In preken en op huisbezoeken zal de gemeente doordrongen moeten worden van de noodzaak om de gemeenschap met God en elkaar als dienst aan de wereld zo goed mogelijk gestalte te geven.
Daarbij kan geen gemeentelid gemist worden!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief