Secularisatie (1)

1989-04-14
  • Jaargang 33
  • nummer 8
Op het einde van maart waren de gereformeerde studenten van onze vrijgemaakte zusterkerken op hun jaarlijks paascongres in Driebergen bijeen om over het onderwerp 'secularisatie' te praten. Mij was daar ook een aktieve rol in toebedeeld en zo was ik genoodzaakt om in de afgelopen tijd over dat boeiende en ingrijpende verschijnsel van de secularisatie of verwereldlijking na te denken. Wat is het eigenlijk en hoe moet onze houding ertegenover zijn?

Als gelovige zou ik de secularisatie als volgt willen typeren: de hulplijnen en hulpstukken van ons geloof zijn goeddeels weggevallen. Een van de belangrijkste hulplijnen van het geloof is altijd geweest de heerschappelijke orde van de samenleving.
En daar wil ik het nu over hebben.
Dat namelijk deze heerschappij van vroeger heeft plaats gemaakt voor de maatschappij van nu.
Daarin gaat een goddelijk oordeel over onze wereld en tegelijk mogen we zeggen dat daardoor nieuwe mogelijkheden vrijkomen. Want er is in deze wereld geen gericht van God of er schittert ook genade in, geen straf of ze gaat met een uitstraling van zijn goedheid gepaard.
De Here God denkt in zlln.toom altijd ook weer aan ontferming, zoals de profeet Habakuk al wist (Hab.3:2).

De ladder

In vroeger tijd zat de menselijke samenleving als een heerschappij in elkaar. Een opwaartse geleding kenmerkte haar struktuur. De ene mens was heer over de andere: de man over de vrouw, de baas over de knecht, de ouder over het kind, de rijke over de arme, de blanke over de zwarte. Het waren heel verschillende gezagsrelaties, maar het waren gezagsrelaties. Er was een gezagspyramide.
Naar boven toe was deze heerschappij vastgemaakt aan God.
Zij verwees ook naar Hem. Althans, dat was de bedoeling ervan. Dat vertikale was dan ook een hulplijn voor de mensen om bij God te komen.
Zoals de ene mens heer was over de andere, zo - maar dan veel rijker - was God Heer over allen. Via die trap klom men tot Hem op.
Paulus schrijft: "Ik wil dat gij dit weet: het hoofd van iedere man is Christus, het hoofd der vrouw is de man en het hoofd van Christus is God" ( 1 Kor. 11:3). Daar is die ladder.
We mogen stellig zeggen dat deze heerschappelijke ordening van het leven een zegen geweest is, zeker voor het leven zoals dat door de val in zonde is aangetast. Zonder idealisering kan vastgesteld worden dat de zwakkeren in de samenleving hierdoor een machtige bescherming is geboden en de kansarmen hierdoor meer mogelijkheden zijn verstrekt.
We horen Job ergens zeggen: "Want ik redde de ellendige die om hulp riep, de wees en hem die geen helper had. De zegenwens van wie dreigde onder te gaan, kwam op mij en het hart der weduwe deed ik jubelen. Met gerechtigheid bekleedde ik mij en mijn recht bekleedde mij als mantel en hoofddoek; tot ogen was ik voor de blinde en tot voeten voor de kreupelen; een vader was ik voor de armen en het rechtsgeding van mij onbekenden onderzocht ik; ik verbrijzelde het gebit van de verkeerde en rukte de prooi uit zijn tanden" (Job 29: 12-17). Hier zie je de heerschappij op z'n best. Daar kan geen maatschappij aan tippen.


Opvallen en uiteenvallen

Maar wat is er gebeurd? Allengs meer en meer is men die heerschappij gaan losknopen van God. En in plaats van naar God te verwijzen werd ze toen een ware godsverduistering.
Het tsaristische Rusland is daar een goed voorbeeld van (hoewel niet het enige). Het Rusland van vóór de revolutie was een verworden heerschappij.
Het hooggeplaatst-zijn was daarin niet langer een schild en bescherming voor de zwakke, maar juist in tegendeel een bedreiging.
Het gericht van God is nu dat Hij aan die heerschappelijke struktuur een einde maakt. Hij blaast die hoge gezagstoren om zodat ze kletterend tegen de grond slaat. Zo valt heerschappij tot maatschappij om.
En dat omvallen is ook een uiteenvallen.
Verspreid liggen de stukken over de grond. Maatschappij is daar dan ook eigenlijk een te mooi woord voor. Het léék een tijdlang zo dat de heerschappij storeloos werd opgevolgd door de maatschappij (ik denk hier zonder cynisme aan de zegeningen van de demokratie), maar die maatschap blijkt toch niet sterk.
'Ieder maat van ieder', dat was nog een tijdelijke nawerking van de heerschappij. Wat we nu in toenemende mate gaan zien, is dat de samenbinding loslaat. De 'maten' drijven uit elkaar en worden losstaande individuen.
En wat is het leven daardoor verschrikkelijk kwetsbaar geworden I Zeker voor de zwakken. Als ieder het zelf moet weten en als ieder voor zichzelf moet opkomen, is dat met name voor de zwakkeren in de samenleving het ergst. Want overal krijg je nu machtsconcentraties die niet meer geadeld zijn door en onder kontrole staan van een gezagsstructuur.
Macht zonder gezag, het kan niet anders of dat wordt willekeur.
Je krijgt dan de situatie waar Prediker het over heeft als hij zegt dat de ene mens macht heeft over de andere tot diens onheil (pred.8:9).

Toch is God mijn koning

Langzaam is die afbrokkeling van de heerschappij-struktuur in z'n werk gegaan. Van oude tijden af is dat proces al gaande, en nog is het niet voltooid. Maar onze tijd is daar wel na aan toe. Je zou hem een stroomversnelling in de aflopende rivier kunnen noemen. Wat gaat alles razend snel vandaag .
De heerschappij heeft haar tijd gehad en de heerschappelijke orde heeft haar kansen gekregen. En God schijnt heden te zeggen: nu is het genoeg geweest. De dag lijkt aangebroken waarvan Jesaja al profeteerde: "Want er is een dag van de HERE der heerscharen tegen al wat hoog is en trots en tegen al wat uitsteekt opdat het vernederd worde; tegen alle trotse en hoge ceders van de Libanon (geliefd beeld in de bijbel voor de gezagsdragers) en alle eiken van Basan, tegen alle trotse bergen en alle hoge heuvels, tegen elke hoge toren en elke steile muur ... Dan wordt de verwatenheid der mensen neergebogen en de trots der mannen vernederd, en de HERE alléén is te dien dage verheven" (Jes.2:12 e.v.).
Dat is het goddelijke gericht over een verziekte en ontaarde heerschappij, over het misbruik van alle hoogheid.
Maar is het nu wel waar wat de profeet daar achteraan zegt, dat de Here God te dien dage alléén verheven is? Zijn wij in dit ontwerpingsproces juist Hem niet kwijtgeraakt?
Waar is Hij nu? Niets in het leven herinnert meer aan Hem, verwijst nog naar Hem. Om een beeld te gebruiken: de trap is weggereden en hoe moeten we nu van de grond in het vliegtuig komen? Het woord 'God' zegt onze maatschappij niets meer. De godsdienst van de meesten heeft het wegvallen van de hulplijnen en hulpstukken van het geloof niet overleefd. Waar is God?
"Toch is God mijn koning", zegt een psalm. Het is vierenzeventigste, een klaaglied over lsraëls secularisatie: de verwoesting van Jeruzalem.
In het begin ervan komen we de klacht tegen: "onze tekenen zien wij niet (meer)" (vs 9). Precies, die heerschappij, dat oude bestand, was een teken, een verwijzing naar God. En dit teken is nu goeddeels weg. Toch is God mijn koning, zegt niettemin deze psalm. De Here God kan ook zonder die vroegere tekenen over ons regeren, betekent dat.
En Hij zal het ook doen. Zelfs nog wel meer dan vroeger. "Zijn heerschappij is over alle tijden" (Ps.145:4, berijmd) en dus over de latere niet minder dan over de eerdere.

Het positieve
En hier kom ik tot het positieve in het proces van de secularisatie. Het is niet alles oordeel en gericht. Er werkt ook genade in. God is in het gericht ook Heiland.
Er is dan ook niet enkel reden om te treuren als we de heerschappelijke orde uit het leven zien verdwijnen.
Zij was een zegen, maar ze was niet enkel zegen. Er kleefden ook bezwaren aan. Ze deed aan het leven niet volkomen recht. Weliswaar vond ze een zekere basis in en een zekere aansluiting bij het geschapene, maar tegelijk deed ze daaraan ook wel geweld. Men behoeft dan alleen maar aan het kleinhoudingseffekt van deze orde te denken.
Verder is het zo dat hij een bescherming bood aan de zwakken, maar de zwakke is niet steeds bij bescherming gebaat. Hij wordt er sterker van als hij zijn eigen problemen leert op te lossen. Het is op de duur zelfs irritant om altijd voorwerp van zorg en bescherming te zijn.
Dat kweekt afhankelijkheidsrelaties die mensonwaardig zijn.
En zo gezien is de ontwikkeling van de zelfstandige individu, de mens, de man, de vrouw, die zichzelf bedruipt en zijn eigen weg bepaalt, 'eigen meester, niemands knecht', ook wel een triomftocht van het menselijk geslacht. Zeker, het zijn sterke benen die deze weelde kunnen dragen, maar een weelde is het.



Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief