Een zingende predikant
1989-04-14
We hebben de laatste tijd nog al eens stilgestaan bij onze liturgie.- Jaargang 33
- nummer 8
Liturgie betekent, meen ik, zoiets als 'bediening', nader 'bediening des heiligdoms'. Als Ik het fout heb hoor ik het wel.
Welnu. Bladerend in oude jaargangen van 'Organist & Eredienst' - wat een kostelijk blad eigenlijk - kwam ik een artikel van wijlen ds. G. Visee tegen, overgenomen met gepaste vrijmoedigheid uit de Kamper Kerkbode.
Voor de oudere lezers van 'Opbouw' Is ds. Visee allerminst een onbekende: hij was een van de twee initiatiefnemers voor dit blad. Zijn artikelen zijn tien jaar geleden uitgegeven en nog steeds meer dan de moeite waard.
Getroffen door een bijdrage van zijn hand willen wij u die niet onthouden.
Kom, lees eens mee.
Aandachtig - dan hoort u zijn stem alsnog, nadat Visee gestorven is.
"Wie zal raden wat er zo 's zondags in de kerk gebeurt, wanneer daar de gemeente zingt?
Hoe daar harten, door druk gebogen, opengaan in een bittere klacht; losbreken in blijde jubel over die God en Vader van onze Heere Jezus Christus: 'Maar gij verlost het volk, door druk gebogen' - en in de blijdschap van het 'Sion, loof met dankb're stem God, uw Heer, die eeuwig leeft en het schoon Jeruzalem door zijn woning luister geeft'.
Neen, echte christenen gaan des zondags niet 'ter preek', ook maar niet naar 'de plaats des gebeds' ze gaan op om 'stem en snaren tot roem van onze God te paren'.
Ze willen zingen! Ze hebben Gods huis lief, maar ook zijn tempelzangen.
Op hele - of op hele en halve noten. Als ze maar zingen, zich uitzingen kunnen. Zo als Hanna bad: 'ik heb mijn ziel uitgegoten voor de Heere'.
Dat moeten onze organisten verstaan.
Als het psalmboek voor hen een gesloten boek is, dan mogen ze feilloos van de notenbalken de hanenbalken van het kerkgebouw in beweging brengen, een technisch feilloos orgelspel leveren - maar daar is geen geest en geen leven in.
Het is dood. Ze weten dan niet wat het is: 'profeteren op de orqelbank (2)'".
Zeker, ze moeten spelen uit het boek. Uit het muziekboek. Wanneer ze geen eersterangs-organisten zijn, doctores honoris causa in hun kostelijke ambacht - dan doen ze verstandig met zich maar aan hun boekje te houden.
Net als de man op de preekstoel zich dan maar moet houden aan zijn boekje. Iedere dominee is geen redenaar. Elke organist nog geen componist.
Maar wee de organist die alleen maar uit het muziekboek speelt. Hij moet ook - en niet minder - spelen uit het psalmboek. Hij moet muziek - maar ook de psalmen kennen.
De gemeente meenemen. De gemeente leren zingen. De gemeente, voor zijn deel, doen verstaan wat zij zingt. Hij moet daar van achter het klavier de gemeente vragen: 'verstaat ge ook, hetgeen gij zingt?'. En hij moet het haar leren.
Kijk, daar is nu geen ding zo ergerlijk als wanneer vier, vijf, zes verzen van een en dezelfde psalm op dezelfde wijze worden gezongen. Op dezelfde melodie? Natuurlijk! Maar niet op dezelfde manier van: een twee in de maat anders wordt de juffrouw kwaad. Dat orgel moet voorzingen. Het heeft de taak van de voorzanger toch overgenomen?
Wanneer we bij voorbeeld van psalm 103 (3) de verzen 8 tot 11 na elkander zingen, dan moet je eigenlijk achter elkaar drie orgels horen.
Bij vers 9 anders dan bij vers 8; weer nieuw bij de verzen 10 en 11.
De overgangen liggen soms midden in een vers. Ik denk bij voorbeeld aan psalm 86:6. Dat begint met de bede: 'Leer mij naar uw wil te handelen, 'k zal dan in uw waarheid wandelen.
Neig mijn hart en voeg het saam tot de vrees van Uwen naam.' en dan komt de overgang: 'Heer, mijn God, ik zal U loven, heffen 't ganse hart naar boven!
'k Zal uw naam en majesteit eren tot in eeuwigheid'.
Die overgang moet de organist voorzingen met zijn orgel.
Deze dingen bepalen ook het tempo. Het maakt een heel verschil, of we zingen: 'k Ben gewoon in bange dagen mijn benauwdheid U te klagen ...!
dan wel: 'Zingt een psalm en geeft trommels aan de reien'.
Daar moet de organist op letten.
Daar moet de gemeente op letten.
Dat bepaalt ook de vraag, geloof ik, van het tempo van ons gezang. Dat brengt ook de dodigheid van koekoek-eenzang er uit. Want de vraag van langzamer of vlugger zingen - dat is vooral een vraag van de tekst van de psalm.
Hele of halve noten, allemaal best.
Maar we moeten zingen! Klagen of jubelen of verhalen (ik denk aan ps. 78, 103, 136) of bidden. Profeteren vanaf de orgel bank. En ook in het kerkschip.
Soms wilde ik wel, als dat er zo bij te pas komt, dat eens iemand in de handen ging klappen. We moesten misschien ook eens wat meer staande zingen. Ik weet heel wel, dat de gemeente geen zangvereniging en een kerkdienst geen zangschool is. Maar of het daarom goed is dat we altoos "zitten te zingen"?
Gaat tot zijn poorten in met lof!
Daar moet in zo'n kerkdienst soms eens losbreken de jubel en de blijdschap, die er in Israël was: 'De zangrei trad de speel rei voor, in 't midden ging het vrolijk koor der trommelende maagden'."
Tot zover ds. G. Visee.
Het is toch de moeite van het herlezen meer dan waard? Een liturg heeft toch meer zeggenschap over de liturgie dan de organist alleen?
En wat de voetnoten betreft: 1 zijn artikelen zijn, gebundeld onder de naam 'Onderwezen in het koninkrijk der hemelen', uitgegeven bij V.d.
Berg, Kampen, 1979. 2 De uitdrukking "profeteren van de orgel bank"
is afkomstig van wijlen dr. K. Schilder.
En 3 ds. Visee gebruikte weliswaar nog de berijming van 1773maar onze jeugd is flexibel genoeg om de tekst uit onze nieuwe berijming te herkennen. Of niet soms?
En als het voorgaande u bevallen is, hebben we nog een ander artikel van een geheel andere predikant in petto. Een volgende keer.