Boeken der leken (1)

1989-04-14
  • Jaargang 33
  • nummer 8
Van heiligenbeeld naar zeemansgraf

In calvinistische kringen is kerkelijke kunst altijd een stiefkind geweest.
De oorzaak daarvan is in Zondag 35 van de Heidelbergse catechismus onder woorden gebracht.
Er worden daar twee motieven genoemd. De eerste is: God verbiedt het maken of hebben van beelden om die te vereren of om God daardoor te dienen.
Het tweede is: God wil zijn christenen niet door stomme beelden onderwezen hebben, maar door de levende verkondiging van zijn Woord. Daarom moet de aanwezigheid van beelden In de kerken volstrekt worden afgewezen. Ze kunnen er ook niet geduld worden als 'boeken der leken'.
Prof. dr. W.J. Kooiman ziet in dit krasse, radicale standpunt meer de invloed van Zwingli doorwerken dan die van Calvijn. Zwingli was in dat opzicht inderdaad bijzonder rigoureus.
Hij meende dat niet alleen alle beelden uit de kerken verwijderd moesten worden maar ook de orgels.
In het Nieuwe Testament werd namelijk nergens over beelden en orgels gesproken. Dat was voor hem afdoende. Dat in het Nieuwe Testament ook nergens kerkgebouwen vermeld worden, bleef door hem blijkbaar onopgemerkt.
In 1523 sprak de stadsraad van Zürich uit dat Zwingli het bij het rechte eind had. Binnen veertien dagen werden alle kerken in Zürich ontdaan van beelden en orgels. Dat gebeurde niet in een wilde, spontane beeldenstorm, zoals bij ons in de lage landen, maar in opdracht van het gemeentebestuur door de stadstimmerlui zonder dat er publiek bij aanwezig was. De gebrandschilderde ramen liet men met rust. Ze zaten te hoog. Zwingli troostte zich: hij kon ze, met z'n slechte ogen, toch niet zien. Bovendien lenen glasschilderingen zich slecht tot aanbidding, meende hij. Je kijkt er doorheen". (W.J. Kooiman, Profetie en symbool; art. in het themanummer van Wending: Kerk en Kunst, 8e jrg., no.10, 11; p. 685).

Ook in Engeland zijn de beelden op een systematische, georganiseerde manier uit de kerken verdwenen. In opdracht van Oliver Cromwell trokken zijn soldaten het land door om overal de beelden in de kerken te vernietigen.
Dit soort officiële acties ging veel grondiger te werk dan spontane acties. Het gevolg was dat de calvinistische en puriteinse kerken leeg en kaal werden. Wat bleef waren de grafmonumenten. Die namen zelfs nog in aantal toe. In plaats van heiligenbeelden kwamen er praalgraven van zeehelden, houwdegens, adel en kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders.
Dat dit nu zo'n geweldige verbetering was, lijkt me moeilijk vol te houden. In engelse kerken en kathedralen vind je maar heel spaarzamelijk bijbelse afbeeldingen, maar ze staan wel vaak volgepropt met pompeuze grafmonumenten voor bisschoppen, dekens, baronnen en landjonkers.
Luthers houding t.o.v. beelden in de kerken was veel gematigder. Evenals Bucer was hij wel tegen het misbruik van beelden maar niet tegen het gebruik ervan. Beeldenverering achtte hij in strijd met de Schrift, maar tegen beelden als illustraties bij het evangelie had hij geen bezwaar.
Dit genuanceerde standpunt heeft ertoe geleid, dat in veel evangelisch-lutherse kerken in Duitsland nog kerkelijke kunst uit de middeleeuwen te vinden is.

Geen gesneden beeld

Het verzet van de Reformatoren tegen de religieuze verering van beelden was volkomen legitiem en bijbels. Het was ook niet nieuw in de kerkgeschiedenis. In de 8e eeuw na Christus woedde er een hevige strijd tussen voor- en tegenstanders van beelden in de Oosterse kerk. Uiteindelijk viel er een beslissing ten gunste van beelden. Het Concilie van Nicea (787) sprak uit dat goddelijke aanbidding (Iatreia) van beelden niet geoorloofd was, maar dat vroom eerbetoon (proskynesis, d.w.z. knielen, buigen) wel was toegestaan.
In het Westen werd deze uitspraak lang niet overal instemming ontvangen.
Keizer Karel de Grote b.v, verklaarde zich ertegen. Hij weerde de beelden uit de kerken. Het bezit van beelden in woonhuizen stond hij wel toe, maar ook daar mochten ze niet vereerd worden. Toch heeft zijn verzet weinig uitgehaald. Vanuit Rome werd de beeldenverering gestimuleerd, zodat die zich, ook in de kerken, snel doorzette. Theoretisch bleef men vasthouden aan de uitspraak van Nicea, maar in de praktijk van het godsdienstige leven waren latreia en proskynesis niet uit elkaar te houden en raakten ze maar al te zeer verstrengeld. Dat de Reformatie daartegen in verzet kwam, was volkomen terecht.
Nu had die verering slechts betrekking op een deel van de beelden in de kerken, nl. op de beelden van Christus, van Maria en van de heiligen.
Daarnaast bestond een andere categorie afbeeldingen in de kerken: die van bijbelse voorstellingen. In deze afbeeldingen werden episoden uit het Oude en Nieuwe Testament, met name ook uit het leven van Jezus, aanschouwelijk voorgesteld.
Deze categorie kan worden aangeduid met de uitdrukking: 'boeken der leken'. In de gereformeerde traditie werd ook deze categorie afgewezen met een beroep op het tweede gebod (zie Zondag 35 van de Heidelbergse Catechismus).
We moeten echter constateren, dat men op dit punt de bedoeling van het tweede gebod niet heeft onderkent.

Representatie

Het tweede gebod moet - evenals alle bijbelwoorden - gelezen worden tegen de achtergrond van zijn ontstaanstijd. In de oud-oosterse wereld representeerde het beelde de afgebeelde. Het stelde hem tegenwoordig.
Waar het beeld was, was de afgebeelde zelf.
Een prachtige illustratie daarvan kunnen we ontlenen aan de geschiedenis van Egypte. Van oorsprong bestond Egypte uit twee rijken: Opper-Egypte en Beneden-
Egypte. Na de eenwording ontstond er nogal eens wrijving tussen deze beide delen. In de tijd dat de Farao's hun zetel in Boven-Egypte hadden, was het in het Zuiden vaak roerig, totdat een Farao op het idee kwam een beeld van zichzelf in Beneden-Egypte te laten plaatsen.
Toen dat gebeurd was, werd het er rustig. Hij was er nu immers zelf aanwezig. Dat beeld stelde hem daar tegenwoordig. In zijn beeld was hij persoonlijk ter plekke. Datzelfde kan ook gezegd worden van de godenbeelden: die stelden de godheid tegenwoordig.
Het tweede gebod bindt Israël op het hart: de God van Israël laat zich niet door mensen tegenwoordig stellen. En wel om twee redenen, zegt de bijbel. De eerste is: het kàn niet. Het is onmogelijk. Een mens is daartoe niet bij machte. En als tweede reden noemt de bijbel: God zelf heeft al een beeld van zich gemaakt.
Hij heeft zichzelf al tegenwoordig gesteld in een beeld, nl. in de mens.
De mens als beeld van God is Gods representant op aarde. In de mens is God present op aarde. Daarom valt het gebod om God lief te hebben samen met het gebod om de naaste lief te hebben.
Die twee geboden zijn identiek, zegt Jezus. Wie zijn naaste (Gods beeld) niet liefheeft, heeft God niet lief.

Manipulatie

In de oud-oosterse gedachtenwereld geeft het beeld ook een zekere macht over de afgebeelde. Het maakt hem manipuleerbaar. Door middel van het beeld kun je hem in zekere zin naar je hand zetten. In het beeld is hij hanteerbaar geworden.
Zo dacht men b.v. dat men zijn vijand onschadelijk kon maken door een kleipoppetje dat hem representeerde te doorpriemen met naalden of stuk te gooien. Door middel van een beeld kon je je vijand letterlijk maken en breken. Als tegenwoordig tijdens demonstraties poppen van staatshoofden in brand worden gestoken, hebben we daarin nog te maken met een overblijfsel van die oude magische praktijken.
Volgens deze gedachtengang kon men ook een godheid door middel van een beeld naar zijn hand zetten.
Men ervoer de godheid als een grillige, onberekenbare, numineuze macht die het leven van de mens onverhoeds kon bedreigen en vernietigen.
En deze woeste bergstroom die alles in een vernietigend geweld meesleurt, werd door middel van een beeld gekanaliseerd en teruggebracht tot proporties die voor de mens hanteerbaar waren.
Het ging in zo'n beeld niet om een goed gelijkend portret van de godheid.
Toen Israël in de woestijn een gouden kalf maakte, was er niemand die dacht, dat de HERE er zo uitzag. Door de majesteitelijke verschijning van Jahwe op de Sinaï zat de schrik voor hem er diep in. Bovendien was Mozes, de buffer tussen God en henzelf, niet teruggekeerd van zijn ontmoeting met deze huiveringwekkende God. Daarom moest er iets gedaan worden om die levenbedreigende goddelijke macht in te tomen. Dat probeerden ze te doen door middel van het gouden kalf. Dat was niet bedoeld als een portret van Jahwe, maar het was het symbool van diens tomeloze fertiele grilligheid. Die werd door middel van dit beeld beteugeld en hanteerbaar gemaakt. In dit beeld hadden ze nu, zoals ze het zelf typeren, een god die voor hen uit zou gaan (Ex. 32:1).
Jahwe had dat al gedaan in de wolken vuurkolom. Maar daarop hadden ze geen enkele invloed kunnen uitoefenen.
Het tijdstip voor vertrek en voor een rustperiode, evenals de route werden uitsluitend door Jahwe bepaald. Ze konden op geen enkele wijze zelf bijsturen. Het gouden kalf bracht daar verandering in. Het moest gedragen worden. En dat betekende dat zij zelf tijden en route konden bepalen. Via dit beeld hadden ze ineens een flinke vinger in de pap.

Jahwe is niet te dirigeren

Het kalf representeerde Jahwe. Het stelde Hem tegenwoordig (dachten ze!). Zijn aanwezigheid was daarmee gegarandeerd, maar kon hen niet meer voor onaangename verrassingen plaatsen. Ze hadden grip op Hem gekregen. Zijzelf konden nu bepalen wanneer en waarheen Hij voor hen uit moest gaan. God kon gedirigeerd worden.
Die achtergrond speelt ook mee bij de processies waarin godenbeelden werden meegedragen. In de oudoosterse wereld waren die processies een bekend verschijnsel. In Babel b.v. werd het beeld van Mardoek, samen met een groot aantal beelden van andere goden, tijdens het nieuwjaarsfeest in processie naar een plaats buiten de stad gedragen om daar de overwinning op de machten van de chaos te bevechten.
Daarna werd hij als overwinnaar, opnieuw in een processie, naar de stad teruggebracht. En tijdens een grote droogte werden godenbeelden in processie om de uitgedroogde akkers heen gedragen.
En ook tijdens veldtochten werden godenbeelden meegedragen.
Zo werden de goden door middel van hun beelden gedirigeerd en gemanipuleerd. Ze werden voor het karretje van de mens gespannen.
En dat probeert Israël door middel van het gouden kalf met Jahwe te doen. En 1 Sam. 4 vertelt; dat Israël meende door middel van de ark Jahwe te kunnen manipuleren. Zedachten Hem te kunnen hanteren als hun onoverwinnelijke wapen tegen de Filistijnen. Ook de rooms-katholieke processies hebben dezelfde dirigistische achtergrond. Het ronddragen van beelden van heiligen en van Maria, van crucifixen en van de geconsacreerde ouwel soms tijdens een droogte om verschroeide akkers heen, maar ook bij andere gelegenheden - staat eveneens in het kader van de manipulatie.
Het tweede gebod richt zich tegen elke poging van de mens God manipuleerbaar te maken. In een wereld waarin het schering en inslag was te pogen de godheid door middel van een beeld hanteerbaar te maken, zegt God in het tweede gebod: Ik tolereer zulke pogingen niet. Ik laat Me niet voor menselijke karretjes spannen en ben niet te dirigeren.

Lege badkuip
Dat is de betekenis van het tweede gebod. Met andere woorden: het gaat in dit gebod niet om een algemeen verbod van godsdienstige beeldende kunst. Het weergeven van bijbelse taferelen, in of buiten een kerkgebouw, wordt er op geen enkele manier door geraakt. Toch heeft de gereformeerde traditie het tweede gebod wel gelezen als een verbod om bijbels onderricht te geven met behulp van beeldeh. Gezien in het raam van de strijd tegen de diepgewortelde beeldencultus is dat wel te begrijpen. Maar men is er niet aan ontkomen met dat vuile badwater ook het kind weg te gooien.
Die, wat de beeldende kunst betreft, lege badkuip heeft eeuwenlang het aanzien van de kerkgebouwen in de gereformeerde wereld gestempeld.
Het klimaat was daar niet gunstig voor beeldende kunst die zich met de bijbel bezighield. Afgezien van enkele uitzonderingen was daar ook geen markt voor.
Wat de gemiddelde gereformeerde kerkganger vóór de tweede wereldoorlog, niet in de kerk, maar thuis of op school, aan bijbelse voorstellingen te zien kreeg, bestond uit kinderbijbel-illustraties, een prent over de brede en smalle weg en enkele school-wandplaten over bijbelse onderwerpen. Zelfs zondagsschoolplaatjes droegen slechts bij uitzondering afbeeldingen die iets te maken hadden met de erop afgedrukte bijbeltekst. Het enige wat daarnaast nog binnen je bereik kon komen, waren gravures van Gustave Doré. Ik herinner me dat ik als kind bij mijn grootmoeder thuis urenlang kon zitten bladeren in een zware, massieve statenbijbel met koperen sloten, die doorschoten was met gravures van deze Fransman.
Maar in de kerkgebouwen vond je niets van dat alles. Hooguit waren er met gekleurde stukjes glas enkele meetkundige figuren in de kerkramen aangebracht. Wanneer je als kind eens in een dergelijk kerkgebouw kwam, keek je je ogen al uit!
Dat had allemaal te maken met die verkeerde gevolgtrekking uit het tweede gebod en met de stelling dat beelden stom zijn en dat God zijn christenen niet door stomme beelden wil onderwezen hebben. Beelden zijn niet geschikt om de bijbelse boodschap over te dragen, meende men (in de calvinistische kringen).
Toch was men niet helemaal consequent.
Bij een dergelijke stellingname gaan natuurlijk ook illustraties in kinderbijbels al over de schreef.
Er vonden dan ook regelmatig discussies plaats over de vraag of de afbeeldingen op zondagsschoolplaatjes al of niet de bijbeltekst die erop stond, moeten illustreren.
Doorgaans werd die vraag negatief beantwoord. Maar bij kinderbijbels, en soms toch ook bij zondagsschoolplaatjes, bleek het leven sterker dan de leer.

(wordt vervolgd)


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief