Boekbespreking

1989-04-14
  • Jaargang 33
  • nummer 8
Drs. H. de Jong heeft een studie geschreven over het vijfde boek van Mozes. De stof is eerder behandeld in vervolgpreken en in lezingen voor de E.O.

De twee delen bevatten geen saaie maar frisse preken, die ons verschillende verrassende vergezichten geven en ons boeien en zeker ook de gemeente van Amsterdam geboeid hebben. Een heel bijbelboek gaat voor je leven. Hij laat ook zien, dat Deuteronomium een schone eenheid is en niet een samengeflanst stukwerk.

Hij wil ons meenemen vanuit de vlakke velden van Moab, waar Mozes zijn toespraak hield naar wat het midden van het O.T. is: het heiligdom, de plaats waar de HERE God op grond van de verzoening, de zegen gebiedt en de leefregels geeft. Hoofdstuk 12 is dan wel het belangrijkste hoofdstuk, dat nl. handelt over 'de plaats, die de HERE verkiezen zal.' Hij heeft ook getracht het boek Christelijk te lezen, wat hem dacht ik, goed gelukt is. Deuteronomium is herhaling van de wet, zoals de naam van het bijbelboek zegt, (trouwens dat is wel de naam, door de Septuagint, de Griekse vertaling, gegeven, maar niet door Mozes c.s.), hoe het ook zij, Ds. de Jong ziet deze herhaling der wet niet als een zaak van verveling, maar van verdieping en vergeestelijking (toch geen verdamping, integendeel). Die vergeestelijking is de eigenlijke' tendens in het boek. Als voorbeeld wordt aangehaald, dat de besnijdenis als rite nergens voorkomt in dit boek, maar wel tot tweemaal toe gesproken wordt over de besnijdenis van het hart, de ene keer als gebod, de tweede keer als belofte.

Ds. de J. ziet het boek ingedeeld als volgt. Eerst een lange inleiding van hst. 1-11. (In tweeën te delen, hst. 1-4 en 5-11). Die zijn de voorbereiding op het eigenlijke wetboek, dat je vindt in de hoofdstukken 12-26.
Daarna volgt dan een nabetrachting in hst. 27-34.
Over de verdieping en vergeestelijking bij de herhaling van de wet laat ds. de J. zien, hoe in de eerste hoofdstukken sprake is van de leerschool van Israël in de woestijn en de 'generatiewisseling, door Deut. gebruikt als een beeld van de noodzaak van de wedergeboorte. De herhaling van Israëls geschiedenis van Egypte tot aan' de grens van Kanaän dient, om tegelijkertijd deze te vergeestelijken. Want het ingaan in Kanaän is het binnengaan van Gods volk in de nieuwe gehoorzaamheid.

Ds. de J. wil met ons oplopen, zodat we een kijk krijgen op de figuur van Mozes als middelaar, die de 'tien woorden' ontvangt en hij wijst ons op de verbreking van het verbond (het verscheuren van het trouwboekje) na de zonde van het gouden kalf en hoe nu de open en argeloze verhouding tussen de HERE en zijn volk indirekt wordt. De twee nieuwe stenen tafels zijn wel een voortzetting van hetzelfde verbond, maar deze worden nu opgeborgen in de ark, ze gaan in een huis, uiteindelijk in de latere tempel. Het verbond wordt een toegeslotenheid. En er komt een hele cultusorganisatie, die komt in te staan tussen God en zijn volk. (dl. 1, pag. 80) Heel het boek spreekt ook over de verkiezing van Israël, dat gaat naar het land der verkiezing en dat verkiezen is een verkiezing in Christus.
Het gaat dan ook om de plaats die de HERE kiezen zal, het heiligdom, waar de verzoening plaats heeft. En op grond van de verzoening is er de zegen en de vreugde.
Ik wil nog wijzen op enkele mooie passages, b.v. op pag. 58 en 59 en 74 over het 'liefdeswoordenboekje van de HERE' en over het 'trouwboekje' en het verscheuren daarvan.
Behartigenswaardig is wat hij schrijft over 'de leiding Gods in je leven' (pg. 117 v.v.) en over de grond van de humaniteit (pg.130 v.v.). In deel 2, om niet meer te noemen is mooi, wat hij schrijft over, Jezus Christus en de bloeiende Betuwe (pg.81 ).

Toch heb ik een paar vragen. De Jong laat ons zien, hoe prachtig Deuteronomium gecomponeerd is. Maar zit het boek Deuteronomium werkelijk zo in elkaar? Is dat toch niet de conceptie van de Jong?
Ik weet wel, dat bij hem heel belangrijk is Deut. 12 over de ene plaats, het ene wettige heiligdom. En dat in tegenstelling met de opvatting van ds. Vonk (en Holwerda). Maar afgezien nu van hst. 12, waar het laatste woord nog niet over gesproken is, ik vond wel heel aantrekkelijk de opvatting van Vonk (Holwerda) over de indeling van dit bijbelboek als een verdrag van de Groot-Koning, de HERE God met zijn .vazal, Israël, n.a.v. de vondst van de Hethietische verdragen tussen de grootkoningen en hun vazallen. Dan krijg je een andere indeling: een preambule, ' historische proloog, de verdragsbepalingen (de 'tien woorden' in hst, 5-2,6),de sancties (27-30) en de beschikkingen over de successie.
De behandeling van, de 10 geboden in de verschillende hoofdstukken dan soepel te bezien, zoals V. schrijft, het gaat toch bij al de geboden om de liefde tot God en de naaste. (Vonk, Voorzeide Leer, 1c, pg. 389 V.V., 494 v.v.) Ontkom je dan niet aan gezegdes als "het verbond als een dubbeltje op zijn kant", "de twijfelachtigheid van het verbond" in de hoofdstukken 11 en 27, pag. 94 v.v. b.V.? Het verbond ligt vast inde verzoening, maar is altijd conditioneel, niet in de remonstrantse zin. Er is sprake van de sancties, beloften en dreigingen van het verbond (verdrag) in hst 27 v.v.
Wat de J. opmerkt over het zg. Moabverbond in hst. 29 en 30, betwijfel ik of dit waar is. Deze hoofdstukken zouden latere toevoegsels zijn uit de tijd van de ballingschap. Maar is het zo, dat "de ballingschapssituatie er doorheen schemert", als er in hst. 29:10 v.v. verteld wordt over de vreemdelingen in de legerplaats en over houthakkers en waterputters?
Kun je niet eenvoudig denken aan de vreemdelingen, die uit Egypte met Israël meetrokken en aan de Midianieten, die zich met. Hobab bij Israël aansloten, Num. 10:29, die knechtenwerk als houthakken en waterputten verrichtten (J. Ridderbos, K.V., Deut. dl. 2)? En is bij de volken , door wier midden de Israëlieten, trokken (Deut. 29:16) niet gewoon te denken aan de volken in de woestijn? Staat Moab voor de ballingschap en voor de volken?
Maar als je aan de vernieuwing van het verbond denkt in Moab, vóór het intrekken in Kanaän, is het dan niet veeleer zo, dat de HERE God als de Verbondsgod en Groot-koning, nu Mozes het land niet mag binnengaan, maar sterft, het verdrag, het verbond vernieuwt met Jozua en Israël? (successieverdrag-verbond) Vonk, a.w. pg. 406. De verdragsovereenkomst in duplo bewaard in de ark in het heiligdom, voor elke partij één.
Wat de J. schrijft over Mozes' plaatsvervangend sterven en zijn zoendood vind ik niet zo gelukkig, denk aan Ex. 32:32-24; waar het voorstel van Mozes om uitgedelgd te worden uit het boek van de HERE (verbonds- of levensboek), de plaatsvervanging wordt afgewezen, vs 33. Wat hij over de paus en het pausschap schrijft in verband met Christelijk leiderschap (dl. 1, pg. 150 v.v.) en over de gedenkkwasten met enigszins fallische 'vorm, daar zet ik een groot vraagteken achter.
Wat de J. schrijft over 'de tien woorden', die ingegrift zijn en door dat ingegrift zijn een blijvend karakter lijken te hebben tegenover "de inzettingen, die in natte kalk geschreven zijn" en dus een voorbijgaand , karakter lijken te hebben,dat zal wel waar zijn. Maar het frappeert me wel, dat het Hebr. woord voor inzetting (choq) van het w.w. shaqaq komt, dat volgens Koehler-Baumgartner, ingriffen, graveren betekent.
Het gaat om de actualisering van de geboden, maar is er nou zoveel verschil tussen het actueel toepassen van de blijvende 10 geboden en de inzettingen en verordeningen naar later tijd. Gaat de HERE God niet zelf ons voor in de bijbel met de verklaring en toepassing van het vierde gebod. b.v., als Hijzelf- in Deut. een andere motivatie geeft of laat geven dan in Exodus?

Het vierde gebod gaat met ons mee en lettend op de heilshistorische datum geeft de HERE God het ons in de mond om in de proloog van de tien geboden de uitleiding van de ene kerk van oud en nieuw verbond uit de slavernij van satan en zonde .te bezingen als een vervulling van de uittocht van 'onze vaderen' uit het concentratiekamp van Egypte.
En dan zingen we van de verzoening door Jezus Christus en zingen het lied van Mozes en van het Lam.
En dan vieren we de Dag des Heren, de eerste dag der week, in de christelijke vrijheid, waarbij we genieten, dat het elke dag 'zondag' is!

Bij de andere van de tien geboden zoeken we ook naar wat de welbehagelijke wil van God is t.a.v. de vragen, die zich voordoen. b.v. bij het 6e gebod, (abortus, euthanasie, kernbewapening, doodstraf), 7e 'gebod (genenonderzoek, trouwen, samenwonen, homofilie) enz., waarbij de 'inzettingen en verordeningen', ook een rol spelen. En dat terecht naar art. 25 N.G.B., welk artikel ds. de J. aanhaalt. De ceremoniële wetten zijn verouderd, maar hun waarheid in Christus blijft. Intussen gebruiken wij nog de getuigenissen, genomen uit de wet en de profeten om ons in het evangelie te bevestigen en ook om ons leven te regelen, in alle eerbaarheid, tot Gods eer, volgens zijn will dl. 2, pag.44.

Al met al een inspirerend boek. Het is mooi uitgegeven in twee handige deeltjes door Kok te Kampen in samenwerking met de E.O.



Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief