Uw naam een lied in mijn mond
2010-12-10
Dichter Willem Barnard overleed zondag 21 november in Utrecht. Peter Sierksma kende hem sinds 1997 persoonlijk en schreef onderstaand drieluik over Barnard aan de hand van de tekst van zijn Gezang 51.- Jaargang 54
- nummer 24
| I Lieve Heer, Gij zegt ‘kom’ en ik kom, Want mijn leven is onder de macht gesteld Van de Heer die mijn dagen en nachten telt En de Heer zegt ‘kom’ en ik kom. |
Dit eenvoudige gezang is geschreven door de vorige maand overleden Willem Barnard. Het is mijn lievelingslied.
Er staat geen woord te veel in en laat op een subtiele manier zien hoe prachtig en wonderlijk JHWH ons in Christus en Zijn geest nabij wil komen, ja, tot ons en in ons door wil dringen.
In het eerste vers worden we, als Abraham, geroepen. En, je ziet, we kunnen rustig komen en op weg gaan, want onze Heer, de Ene beschermt ons. De Ene, want Barnard had moeite het woord God al te makkelijk in de mond te nemen. Hij was zich altijd bewust dat Zijn naam niet voor niets heilig en daarom onuitsprekelijk (JHWH) is. Heilig dus, maar ook persoonlijk, want Hij telt onze dagen en nachten en is ons nabij. Bij licht en donker, als het goed gaat en als het tegenzit.
Nabij. Zoals in die wolk boven het volk Israël in de woestijn. Of om het met een ander gezang van de dichter te zeggen: Hij bewaart ons en ontzet ons van de boze en zijn macht… dat wil zeggen alle macht en streven van mensen en volken zoals Hij, de Schepper, het niet bedoeld heeft. (Gezang 460, ‘Looft de Koning heel mijn wezen’)
Willem Barnard werd in 1920 in Rotterdam geboren, op de grens met Delfshaven. Daar had zijn vader een kapperszaak en op de een of andere manier denk ik nog altijd dat hij daarom zo gehecht was aan zijn grote snor. Maar kapper werd hij niet. Willem kon goed leren en ging via het Marnix Lyceum naar Leiden om Nederlands te studeren. Zijn ouders waren hervormd en vooral zijn moeder had met haar piëtistische inslag grote invloed op zijn jonge geloofsleven.
Hoewel de oorlog en het denken van met name Karl Barth hem later een andere, meer-talige, kant op stuurden, heeft hij haar vroomheid (zoals hij het zelf aanduidde) nooit verloochend.
Niet voor niets vertaalde hij zonder schroom de bekende oude gospel ‘Rock of ages’ van Augustus Toplady.
Eenmaal in Leiden dreigde de oorlog. In 1939 werd Willem opgeroepen voor militaire dienst. Toen hij na het uitbreken van de oorlog weigerde de loyaliteitsverklaring te tekenen werd hij door de ‘Arbeidseinsatz’ gedwongen (dat is wat aardse machten doen, zij roepen niet, maar dwingen) naar Berlijn te gaan. Daar werkte hij, in ballingschap, voor Siemens. Toen hij ziek werd, mocht hij voor het einde van de oorlog terug naar Nederland, waar hij als theologiestudent alsnog ondergronds ging. Gestimuleerd door zijn vriend Ad den Besten debuteerde hij in 1944 als dichter onder het pseudoniem Guillaume van der Graft (Willem, met een knipoog naar een lievelingsoom en Willem de Zwijger en Graft naar het typisch Hollandse symbool van een ‘gracht’) in het clandestiene Utrechtse tijdschrift Parade der profeten.
| II O mijn God, Gij zegt ‘ga’ en ik ga, Gij zegt ‘ga’ en ik ga, laat mij niet alleen, Wees het woord in mijn vlees en de geest om mij heen, Wees de adem waaruit ik besta. |
Willem Barnard wist zich geroepen. Als dienaar van het Woord. Hoewel hij zich in de eerste plaats dichter voelde, werd hij niet minder predikant. In 1946 publiceerde hij zijn eerste dichtbundel In exilio en nam hij, pas getrouwd met Tinka van Malde, het beroep aan van Hardenberg, zijn eerste gemeente. Daarna volgden Nijmegen, Amsterdam en Rozendaal (Gld.), met de aantekening dat hij in de laatste twee gemeenten als predikant van de Hervormde kerk een bijzondere culturele opdracht kreeg, die alles te maken had met de nieuwe psalmvertaling en de daarbij behorende liturgische vernieuwing.
Die opdracht had zijn hart, maar hoewel hij vol overgave en met groot plezier de nieuwe liederen met de gemeente doornam, voelde hij zich als pastor in gebreke blijven. En daar had hij last van. Zoveel dat hij in 1974, toen het Liedboek voor de kerken inmiddels verschenen was, zijn ambt neerlegde. Barnard daarover in zijn in 2004 verschenen dagboek Anno Domini: ‘Ik ben theoloog, jazeker. Maar ik ben het als artiest. En ik ben artiest, maar ik ben het als theoloog. Destijds heb ik gemeend als de anderen theologen theoloog te zijn en als de andere artiesten artiest. Maar dat kon ik niet, op straffe van verscheurdheid. De prijs die ik voor mijn heling, voor mijn “integriteit” moest betalen, was vervreemding van de ‘officiële’ theologische wereld en van het “officiële” artiestendom.’
Wie denkt dat de tweespalt de dichter en de theoloog improductief maakte, heeft het mis. Zeker als je terugkijkt is het ongelofelijk wat ‘VanderBarnardgraft’ zoals hij zichzelf een keer gekscherend noemde, in zijn leven geschreven heeft.
Als dichter brak hij definitief door met de bundel Vogels en vissen (1953). Met zijn experimentele poëzie, zichtbaar in gedichten als Aangaande Abraham, Schrijvenderwijs en Tegen de ketterij der straaljagers, werd Van der Graft al snel in een adem genoemd met generatiegenoten als Hans Andreus, Remco Campert, Gerrit Kouwenaar en Simon Vinkenoog. Verwantschap, met name in het experiment met vorm en klank, was er zeker, maar toch bleef Guillaume een buitenstaander. Anders dan de Vijftigers zocht hij als een pelgrim steeds opnieuw naar de diepere betekenis van de taal, die niet alleen maar van vandaag of gisteren maar van eeuwen her is.
Ondanks ‘perioden van droogte’ heeft Van der Graft tot op het laatst van zijn leven nog met grote regelmaat gedichten gepubliceerd. Zelfs toen hij nauwelijks meer met de hand kon schrijven (typemachines en pc’s waren niet aan hem besteed), maakte hij afgelopen zomer nog een gedicht voor stadsdichter Ingmar Heytze, dat zomaar verscheen in de Utrechtse daklozenkrant. In 2007 verscheen zijn verzamelde poëzie onder de titel Praten tegen langzaam water.
En dan het Liedboek. Onder eigen naam werkte Willem Barnard tussen 1951 en 1973 hieraan nauw samen met de componisten Frits Mehrtens en de eveneens pas overleden Willem Vogel en dichters als Ad den Besten, Muus Jacobse (Klaas Heeroma), Ton Naastenpad, J.W. Schulte Nordholt en Jan Wit. Net als de poëzie gaf de liturgie Willem de kans om het geheim van het evangelie te naderen. Voor hem waren liederen ‘gedichten om te zingen.’ Het maken van psalmvertalingen en ook het schrijven van nieuwe liedteksten was dan ook een ander onderdeel van het dichtersvak. Toen ik hem in 1997 voor dagblad Trouw interviewde zei hij daarover: ‘Liederen moeten metrisch aan bepaalde eisen voldoen. Bovendien zijn ze bestemd voor de gemeente, voor de liturgie. In zekere zin zelfs uitsluitend voor ingewijden. Waarmee ik niet bedoel dat buitenstaanders er niet bij mogen zijn, maar wel dat deze poëzie een bepaalde context als bekend veronderstelt. Neem het lied “Lieve Heer, Gij zegt kom”. Daar wordt impliciet naar het Heilig Avondmaal verwezen. Zonder de notie daarvan wordt het betekenisloos.’
| III Want o Heer, ik zeg ‘kom’ en Gij komt, Ik zeg ‘kom’ en Gij komt en uw bloed wordt wijn En uw lichaam brood voor wie nederig zijn En uw naam wordt een lied in mijn mond. |
Gezang 51 is dus een avondmaalslied. Hoe dwars Barnard vaak ook was (hij werd kritisch op het moment dat gelovigen denken JHWH in hun zak te hebben en op grond daarvan anderen de les te moeten lezen), zijn geloof beleed hij iedere zondag bij het avondmaal, dat hij sinds het begin van de jaren tachtig in de Oudkatholieke kerk vierde. De gedachtenis van de vleeswording van het Woord en het lijden en de liefde van Christus voor ons, schepselen, was voor hem de kern van alles. Die kern heeft zijn werk bepaald. Niet voor niets gebruikt hij vaak het beeld van de graankorrel, die eerst in de aarde moet dalen voor hij vrucht kan dragen. En niet voor niets ook het beeld van de rode grond (‘adama’), van aarde, bloed en wijn voor het lijden in de wereld.
In zijn bundel Woorden van brood (1954) zie je mooi hoe zijn poëzie soms samenvalt met zijn liedkunst en zijn hartstochtelijke uitleg van de Schrift, zoals wij die kennen uit een boek als Stille omgang (1992):
Eucharistie
Dagelijks gaat gij teloor
in licht op het water
in woord op het land
en dagelijks komt gij tot stand
in brood op tafel
Rood is de tegenstand
van bloed en tranen
maar gij die woont in mijn hand
gij wint zonder moeite
de wijsheid terug uit de maan
het leven terug uit de dood
uw naam is met wijn geschreven.
De laatste regel is in 1999 door Maria Pfirrmann als titel gebruikt voor haar proefschrift, over het directe verband tussen Barnards theologische en dichterlijke werk, dat een jaar eerder al even fijnzinnig was ontvouwd door A.F. Troost in Dichter bij het geheim.
Want een geheim, dat bleef de Bijbel (Gods taal en openbaring) voor Willem. Iedere dag studeerde hij, ging hij er mee om. Hij stond er mee op en ging er mee naar bed. Toen hij in 2007 na een vervelend ongeluk (hij werd aangereden door een fiets op de stoep voor zijn huis) in een rolstoel terecht kwam, schreef hij tijdens zijn revalidatie vanuit zijn kamer in het Bartolomeüsgasthuis hoe het is om bij de dag te leven: ‘Hulpbehoevend, - dankzij het boek Genesis (2 vs 18-19) heb ik daar een andere kijk op gekregen.’
Willem wist zich afhankelijk. In eenzame, maar ook in diepere zin: afhankelijk van de Taal, die hem op de been hield.
In 1997 leerde ik Willem Barnard bij toeval kennen. Wij waren, letterlijk, buurtgenoten, en dat maakte de afstand (van kennis en leeftijd) overbrugbaar. Behalve veel gepraat, hebben we ook veel gelezen. Poëzie, dat kon niet anders, maar ook de psalmen, die hij recent nog in een prachtige vierdelige uitgave, ‘bemijmerde’. Soms barste hij onder het lezen opeens in zingen uit. Want, zei hij dan, als we uitgezongen waren, ‘zo is het toch, de lofzang houdt ons gaande!’
Juist daarom hoop ik vurig dat we nu, nu hij niet meer in ons midden is, zijn liederen en gezangen in de gemeente zullen blijven zingen. Omdat het moet (Gezang 301)? Nee. Maar wel omdat we geroepen zijn om te leven en de aarde vervuld is met Zijn liefde en ‘goedertierenheid’.
| Gezang 51 is tijdens Willem Barnards begrafenis als openingslied in de kerk gezongen. Bij het uitgaan klonk het door zijn vriend Jan Willem Schulte Nordholt vertaalde gezang 290: ‘Er is een land van louter licht.’ |