Kerkscheuring

2010-12-10
  • Jaargang 54
  • nummer 24
In het novembernummer van Kontekstueel blikt de Roterdamse ds P.L. de Jong terug op de scheuring die in 2004 ontstond in de toenmalige Nederlandse Hervormde Kerk, kort voor die opging in de PKN.

In de sfeer van de afscheiding, waarin ik ben opgegroeid, ging het eigenlijk altijd om strijd over de rechte leer en de ware prediking. () Maar tijdens mijn studie begon de twijfel toe te slaan. Vooral bij het vak kerkgeschiedenis. De geschiedenis van de kerk - de grote en de kleine - heeft iets diep menselijks. Op een bepaald moment vertrouwde ik niemand meer in zijn zogenaamde geloofsstappen om een kerk of kerkgenootschap te verlaten en even later een ‘eigen kerk’ te stichten. Hooguit Calvijn misschien nog.
Ik begreep ook totaal niet waarom de Hervormde Kerk een halve eeuw nodig had en zelfs een oorlog om eindelijk samen te komen tot een nieuwe kerkorde en een nieuwe gestalte van kerk zijn. Waarom duurde dat zo lang? Binnen de gereformeerde gezindte bepaalde een kerkscheuring in hoge mate je identiteit. Ook pinksterkerken bleken meer gave te hebben voor splitsen dan voor samenvoegen. In een orgaan als ‘Contactorgaan Gereformeerde Gezindte’ werd decennia lang een hoop levend gehouden waarop praktisch niemand van de deelnemers echt zat te wachten, laat staan dat men er echt iets voor deed. Samen op Weg sleepte zich jaren voort zonder groots perspectief. Ik stond erbij en ik keek ernaar. Maar één ding stond altijd voor me vast: een scheuring zou op die manier nooit plaats vinden in een echte kerk als de Nederlandse Hervormde Kerk.
Het is anders gelopen. In de jaren negentig namen de spanningen steeds meer toe. Bijna tien jaar volgde ik een en ander als lid van de synode. Op 1 mei 2004 was de Protestantse Kerk in Nederland een feit. Een paar dagen ervoor was de Hersteld Hervormde Kerk officieel gesticht. De fusie was een feit, maar de scheuring ook. En wat ik nooit voor mogelijk had gehouden gebeurde. In mijn eigen tijd. In april 2004 vergaderden kerkenraden nog samen en vierden soms nog het Avondmaal. Vier weken later ging men uit elkaar.

Al voor het definitieve ontstaan van de PKN was er in de Hervormde Kerk de Commissie Bijzondere Zorg gevormd. Die commissie heeft eerst getracht de scheur te voorkomen. Als dat niet lukte, is zij de gemeenten gaan helpen die in zwaar weer terecht waren gekomen. Vervolgens kwam een bijzondere fase, waarin de commissie erop toe ging zien dat ook de afgescheiden gemeenten (die inmiddels de Hersteld Hervormde Kerk waren gaan vormen) kregen waar ze recht op hadden. En dan ‘recht’ in de geestelijke zin van het woord; in juridische zin hadden de gemeenten die kozen voor de HHK nergens recht op. Maar deze commissie heeft ervoor gezorgd dat ook degenen die zich hadden afgescheiden een eigen kerkelijk leven konden opbouwen.
De Jong maakte deel uit van deze commissie. Na de beschrijving van de eerste drie fasen, eindigt hij:

Er was geen fase 4 gepland. Maar misschien is die nog wel zo belangrijk. De rook lijkt opgetrokken. PKN-gemeenten, die een fors deel zagen wegvloeien, krijgen lucht en leven wonderbaarlijk op. Herstelden bouwden vele nieuwe kerken. In de PKN-synode lijkt bijna iedereen de scheuring verdrongen te hebben en vergeten te zijn. In de HHK-synode is men druk de eigen kerk verder op te tuigen en zich te profileren binnen de refo regio.
Je denkt: dit was dus een scheuring? En of daar nog wel eens iemand wakker van ligt? Kan de PKN zegen verwachten als deze scheur niet ergens zeer blijft doen en er wordt ingezet op heling? Is haar hang naar meer eenheid met andere kerken - Nationale Synode zelfs - geloofwaardig als je als kerk nauwelijks de hand in eigen boezem steekt en omziet naar wat achterbleef?
Dat geldt ook de Hersteld Hervormde Kerk. Kan na een tijd van scheuren een tijd van herstellen alleen het eigen hoekje betreffen? Recentelijk verscheen een persbericht van een gespreksgroep bestaande uit voornamelijk prominenten van de HHK en van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond. Ze betreuren het elkaar te zijn kwijt geraakt, maar over het scheuren van de Ned. Herv. Kerk als gestalte van het lichaam van Christus geen woord. Zulke verklaringen zetten zelden zoden aan de dijk. In gesprekken met de Christelijke Gereformeerde Kerken werd kennelijk wel ‘succes’ geboekt. Zo afhoudend de CCK synode meestal is op dit gebied - vraag het de Nederlands Gereformeerde Kerken en het hoofdbestuur van de Bond - zo toeschietelijk toonde men zich laatst opeens naar de HHK. De CGK besloten zelfs dat de kansels voor elkaar opengaan. () Maar () welke kansels gaan open en voor wie wel en wie niet? Heeft men enig idee? Zijn de CGK veranderd in hun kerkvisie? Of heeft de HHK nu bedacht dat zij gewoon een ‘afgescheiden kerk’ is? Fase 4 zal heel veel tijd nodig hebben.

Drs. Menko Biewenga is predikant van de NGK Enschede.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief