Persschouw

1990-08-03
  • Jaargang 34
  • nummer 16
Kijk op de kerk
Dat is de titel van een artikel, dat Ds. L.M. Vreugdenhil te Vriezenveen in het 'Hervormd Weekblad' schreef.
Hij maakt daarin goede opmerkingen over de roeping van de kerk naar binnen en naar buiten toe.

Roeping
De roeping van de kerk kan in drie woorden worden samengevat: 'getuigenis', 'gemeenschap' en 'dienstbetoon'.
1. Getuigenis (Mat. 28:18-20; Mar. 16:15; Luc. 24:47; Joh. 15:26-27; 20:21-23; Hand. 1:8; 1 Petrus 2:9). De gemeente is geroepen om, al luisterend naar het Woord van God, op haar beurt dat goede nieuws van Gods liefde in Christus Jezus door te geven aan alle mensen. Dit luisteren en doorgeven gebeurt op vele manieren: in prediking, catechese, jeugdwerk, kringwerk, cursussen, zending, evangelisatie, het spontane getuigenis van gelovigen, enz.
2. Gemeenschap (Mat. 18:19-20; Hand. 2:42, 44; 4:32; 1 Kor. 12:26; 2. Kor. 13:13; 1 Joh. 1:3-7). De kerk is geroepen om de gemeenschap te vieren met God en met elkaar. Dit aspect van het kerk-zijn krijgt op vele wijzen gestalte: in de eredienst van de gemeente, in gemeenteavonden, bijbelkringen, huisbezoeken, spontane ontmoetingen van christenen, op conferenties enz.
3. Dienstbetoon (Mat. 25:31-46; Luc. 10:25-37; Joh. 15:9-17; 2 Kor. 8 en 9; Gal. 6:16; Heb. 13:3). De kerk heeft zelf haar bestaan te danken aan Christus' dienst aan ons. Hij diende ons met het offer van Zijn leven. De gemeente is daarom geroepen om, levend uit die liefde, ook zelf dienstbaar te zijn aan elkaar en aan de wereld. Dit wordt concreet op tal van terreinen: spontane onderlinge hulp, georganiseerde hulpverlening, zieken- en bejaardenzorg, werelddiakonaat, opkomen voor hen die gediscrimineerd worden, gevangen zijn of gemarteld worden wegens hun geloof of politieke overtuiging, inzet voor een rechtvaardige wereldsamenleving, de zorg voor het milieu enz.

Ambtsdragers en gemeenteleden
Deze drievoudige roeping komt tot de gehele gemeente, tot de 'gewone' gemeenteleden evenzeer als tot de ambtsdragers. Het is de gezamenlijke roeping van allen. Aan sommige gelovigen heeft Christus bijzondere gaven van leiderschap geschonken zodat zij de gemeente daarmee kunnen dienen: ..En Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus"
(Ef. 4:11-12). Het werk van de ambtsdragers wordt dus niet plaatsvervangend voor de gemeente verricht, het is juist bedoeld als ondersteuning van de gemeente, die haar roeping vervult. Het bijzonder ambt is er ter wille van het ambt der gelovigen.
Het is dan ook één van de belangrijkste taken van de kerkeraad om de verscheidenheid aan talenten en gaven van de Heilige Geest in de gemeente op te sporen, in te schakelen en tot ontplooiing te brengen.

We voegen er het volgende aan toe.
Het getuigen beperkt zich niet tot het releveren van allerlei zielservaringen, die de gelovige heeft opgedaan op cruciale momenten in zijn leven.
Bij getuigen gaat het naar schriftuurlijke maatstaf vooral om het zich baseren op de heilsfeiten. De Bijbel is de grondslag van het getuigenis.
De konfrontatie met de boodschap van Kerst, Pasen en Pinksteren (om het zo maar even samen te vatten) moet de medemens op vriendelijke doch besliste manier tot een keus brengen. Hij is zo beland op een tweesprong in zijn bestaan. Dat moet hem heel goed duidelijk gemaakt worden. En wat de gemeenschap betreft moeten we ons steeds goed bewust zijn, dat we zalig worden in gemeenschap met anderen.
Wie kerk zegt, zegt gemeenschap.
Individualisme en isolationisme doet de gemeenschapsbeoefening in de gemeente de das om. Wie zich alleen bemoeit met de mensen, die hem liggen, is niet toegekomen aan het abc van de christelijke liefde, die in de eerste plaats om praktizering vraagt binnen de kring van de christgelovigen.
Hieruit vloeit het dienstbetoon voort.
De kring wordt steeds groter naar mate God steeds meer mensen op je weg plaatst. Godsdienst betekent zelfverloochening. Wie ja zegt tegen de HERE moet nee zeggen tegen zichzelf. In het dienen moeten de leden van de kerk en de kerk als geheel de gestalte van Christus vertonen. Zo laten zij de waarachtigheid van het evangelie van Jezus Christus zien. Zo kan de wereld merken, dat we werkelijk discipelen van de Heer zijn. In zijn boek: OM KERK TE BLIJVEN, Amsterdam1966 - heeft C. Veenhof daarover o.a. het volgende geschreven: "De kerk is, naar de prachtige typering van Berkhof, de 'proefpolder' van de toekomende nieuwe wereld. En zij is dit ten overstaan van de wereld enten behoeve van 'alle dingen'. Dat wil zeggen: ze is dit, ze behoort dit althans te zijn, opdat de wereld het wonder van Christus' genadeheerschappij zou zien en begerig worden daarin ook te delen om dan met de kerk op weg te gaan in haar pelgrimstocht naar de voleinding.
Door haar waarachtig lichaam-van-Christus-zijn én haar vrij zijn van de machten-van-deze-wereld kan nu de kerk de wereld dienen. Zo alléén kan ze dat. Ze moet om dat te kunnen doen zeker niet introvert (naar binnen gekeerd, O;M.) zijn. Maar evenmin extravert! (naar buiten gekeerd, O.M.). Ze moet integendeel met het oog daarop steeds en geheel gericht zijn op haar Heer en Hoofd! Men zou kunnen zeggen: ze moet in verband daarmee supravert (naar boven gekeerd, O.M.) wezen. Om de wereld te kunnen dienen moet de kerk dus 'los', 'vrij' zijn van de wereld. Ze moet daartoe een kerk zijn, die echt kerk is ten overstaan van de wereld.
Anders gezegd: ze moet de wereld ctlenen vooral door haar radicaal anders zijn dan de wereld, door haar totaal anders staan tegenover de machten, die deze wereld beheersen, door haar principieel anders omgaan met de mensen in de kerk en daarbuiten". (a.w. p. 388-p.389).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief