Woekeren met het ene talent (4, slot)
1990-08-17
Respekt- Jaargang 34
- nummer 17
Aanleiding tot deze artikelen was het bericht over de samenspreking tussen de nederlands gereformeerde en de vrijgemaakt gereformeerde kerkeraden in Enschede-Noord. Wat daarvan te denken? Zullen wij hun initiatief volgen? Ik meen op te merken dat wat daar in Enschede van de grond gekomen is in onze kerken niet op algemene weerklank stuit. En dat niet omdat onze mensen de eenheid met de vrijgemaakten onder geen voorwaarde zouden begeren maar omdat zij samenspreken op de Enschedeese manier perspektiefloos vinden. En dat is het ook. Om als kerken samen te spreken is een wederzijds respekt wel een minimumvereiste.
Dat respekt is er van de zijde der vrijgemaakten voor ons niet. Zeker, men respekteert ons wel als christenen. In de tussenchristelijke verhouding is wel enige verbetering gekomen sinds de veroordeling van ds. Hoorn. Men erkent nu dat er buiten de enig ware kerk zaligheid is en dat er dus buiten de vrijgemaakte kerken christenen zijn.
De tijd dat er tot op begrafenisbijeenkomsten toe totvrijmaking werd opgeroepen - een logisch uitvloeisel van de enig-ware-kerk-leer - is voorbij, uitzonderingen daargelaten.
Zelfs wordt nu toegegeven dat er tijdelijk op een plaats twee ware kerken kunnen bestaan. Maar het zijn toch alleen de christelijke gereformeerde kerken die van deze standpunt-oprekking profiteren. Voor de nederlands gereformeerde kerken heeft men niet anders dan grote verachting. Men ontziet zich niet leden, groepen van leden en zelfs gemeenten uit dat kerkverband los te weken. Dat zo'n kleine kerkgemeenschap daardoor wel eens in financiële moeilijkheden zou kunnen komen omdat er toch gezamenlijke verplichtingen zijn aangegaan, kan hun geen lor schelen. Men heeft het immers op onze kerkelijke ondergang voorzien. "Komt, laten wij hen als volk verdelgen, zodat aan de naam 'nederlands gereformeerd' niet meer gedacht wordt" (vrij naar Psalm 83). Elke verzwakking is dus welkom. Stad en land reist men af om tegen ons te waarschuwen. Kerken met welke zij willen samengaan moeten alle banden met ons verbreken.
Gaat een lid van hen naar ons over dan achtervolgt men hem met de kerkelijke tucht. Onze studenten mogen niet aan hun universiteit studeren en promoveren zit er zelfs voor onze daar afgestudeerden niet in. Wat we theologisch klaarmaken wordt nog geen plaatsje in de literatuurlijst van hun publikaties waardig gekeurd.
Het geweten
Ik roddel niet, dit zijn feiten. Een kerk van ons die met zo'n kerk gaat samenspreken moet weten waar ze aan begint. Ze zit niet als evenwaardige partij tegenover de ander. Ook als wel eens even die schijn gewekt wordt, het is in feite niet zo. De werkelijke figuur is die van de schuldige tegenover zijn rechter. Ik vind de vrijgemaakte kerken respektabele kerken met heel veel goede dingen, maar naar ons toe hebben ze duidelijk een blinde vlek: ze zien ons absoluut niet zitten. Gevoelsmatig heeft men met ons meer moeite dan met de synodaal-gereformeerde kerken. Ouders wier kinderen zich als lid bij ons aansluiten reageren daarop soms zelfs heftiger dan wanneer ze puur onkerkelijk worden.
Uiterst pijnlijk. Hoe zou dat toch komen? Ik houd het erop dat hun geweten tegenover ons nog steeds niet tot rust gekomen is. Van de verschillen tussen ons die in christelijke zin niet eens groot zijn moet daarom telkens een overdreven voorstelling worden gegeven. De maatregelen van destijds tegen ons moeten achteraf nog in hun juistheid schitteren. Vandaar ook het voortdurende gejaag achter onze vermeende afvalligheden aan: zie je wel dat we toen niet tegen windmolens gevochten hebben? Je krijgt herhaaldelijk de indruk dat ze nog altijd zichzelf moeten overtuigen.
Werkzaamheid van het geweten dus.
Ja, en ook nog dit: wij zijn de streep door hun enig-ware-kerk-rekening omdat wij met een andere invulling van het gereformeerd-zijn komen dan zij, een invulling die intussen toch onmiskenbaar gereformeerd is zoals ik heb geprobeerd duidelijk te maken. Hoe doorbreken we dit alles toch eens en hoe komen we met hen tot een dragelijker verhouding? Het helpt ook al niet wanneer wij elkaar bezwerend toespreken ons van hun opvattingen en tradities niet te ver te verwijderen: niet doen, anders wordt grote zus boos, - want grote zus is gewoon boos op ons ongeacht hoe wij ons gedragen. We kunnen (ook) daarom maar beter onszelf blijven.
En als zuslief ons al prijst dan geldt dat altijd individuen uit onze kerken, nooit onze kerken zelf en de ondertoon is dan ook duidelijk merkbaar: die persoon is goed, die hoort dus bij ons. 'Dus', want naar ons toe zijn de vrijgemaakten zichzelf tot maatstaf.
Bitter
Ik merk dat er in mijn schrijven een bittere toon is gekomen. Ik wil ook wel zeggen hoe dat komt. Ik ben geïrriteerd over het hautaine geschrift van dr. W.G. de Vries, 'De Vrijmaking in het vuur' (1990, nr. 12 in de serie 'Woord en Wereld'), waarin het gaat over het ontstaan van de nederlands gereformeerde kerken in de zestiger jaren. Dit boekje zal in ons blad nog besproken worden maar dat verhindert mij niet er ook een opmerking over te maken. Of eigenlijk twee. Eerst dit.
Wanneer De Vries een beeld ontwerpt van de nederlands gereformeerde kerken zoals die vandaag reilen en zeilen wordt in het notenmateriaal niet eenmaal naar een nederlands gereformeerd orgaan verwezen. Ook niet naar het blad Opbouw dat toch voor het ontstaan en het voortbestaan van de nederlands gereformeerde kerken tamelijk kenmerkend is. Alle informatie over ons gewordt ons via vrijgemaakte publikaties of via citeringen uit ongenoemde periodieken. Zo lees ik op p. 94: "In 1983 schrijft drs. W.G. Rietkerk enige artikelen in Opbouw, waarin hij de Dordtse Leerregels bestrijdt ..." Geen verwijzing naar een vindplaats volgt. Wat ds. Rietkerk nu precies geschreven heeft is zeker niet belangrijk. En dat is niet de enige keer. Ook mijn referaat voor de jaarvergadering van Opbouw wordt wel genoemd (p. 97), maar degene die zich afvraagt wat die De Jong daar nu precies beweerd heeft wordt niet geholpen met een verwijzende noot. In de lijst van de verwijzende noten kom je slag op slag de Reformatie tegen, maar Opbouw - ach, dat is maar zo'n blaadje. Verachtelijk wordt het een plaats ontzegd. En wat nederlands gereformeerde schrijvers daarin naar voren brengen, het is de moeite niet waard. Ze zijn toch fout. Let wel, deze auteur durft zich in zijn voorwoord onpartijdig te noemen. Maar ergerlijker is het volgende. Tot drie maal toe kom ik in deze brochure de kenschetsing tegen die De Vries zich tegenover onze kerken veroorlooft: "een huis dat tegen zichzelf verdeeld is", eenmaal met de toevoeging: "Volgens Christus zal zo'n huis niet kunnen bestaan (Marcus 3:25)"
(de pp. 93, 94 en 98). Ziezo, daar zit dan deze Jona onder zijn veilige bladerdak af te wachten tot het Ninevé van de nederlands gereformeerde kerken ondersteboven gekeerd zal worden. Laat hij maar oppassen dat de wonderboom boven zijn eigen hoofd niet verdort. Wie meent te staan zie toe dat hij niet valle. Nota bene, Christus geeft dit scherpe oordeel als Hij het heeft over het rijk van satan. Dat zal innerlijk verdeeld als het is geen stand kunnen houden. Nu weet ik wel, je kunt deze woorden van de Meester uit dat belaste verband waarin ze staan uitlichten en op zichzelf nemen als een algemene waarheid.
Laten we hopen dat het zo bedoeld is. Intussen kunnen de gedachten niet nalaten dit verband met het rijk der duisternis erbij te betrekken. Dat heb je zo bij enige kennis van de bijbel. En dan komt wat De Vries schrijft schrijnend en grievend over.
Kom nou!
Is het nu werkelijk zo dat als je je wat vragen veroorlooft over belijdenis en kerkorde en zo, geschriften die lange eeuwen terug opgesteld zijn, en er ontstaat daarover begrijpelijke en nodige diskussie, je onmiddellijk een huis wordt dat tegen zichzelf verdeeld is? Dan kan er toch niets in bespreking genomen worden?
Is het verder zo dat in eenzelfde kerkverband alle kerken een precies gelijke praktijk van inrichting moeten hebben? Dus in Lutjebroek niet anders dan in Amsterdam? Dat is toch niet reëel? Je veroordeelt jezelf als kerken dan toch tot een starre eenvormigheid? Bij elke diskussie en elk verschil in praktijk immers kan dat mes op tafel gegooid worden: "huis tegen zichzelf verdeeld".
De woorden zouden zelfs als titel kunnen dienen voor de rubriek 'ingezonden' van het Nederlands Dagblad waaruit toch ook nog al wat verscheidenheid van mening blijkt.
Het valt me trouwens toch op hoe mensen onder één konfessionele hoed diepgaand met elkaar van mening kunnen verschillen. Neem nu Schilder en Janse over wie het de laatste tijd nogal eens gaat. Wat liepen de houdingen van die twee wijd uiteen in de oorlogstijd! Voor de dagelijkse levenspraktijk van toen was wat zij zeiden dermate tegengesteld dat de mensen daardoor in de grootste verwarring konden komen en ook wel gekomen zijn. Ik bedoel, het was niet zomaar een akademisch verschil van mening. Toch waren ze allebei zeer gereformeerd en trouwe aanhangers van de Drie Formulieren van Enigheid. Zou dat er niet op wijzen dat degenen die van zulke formulieren de 'enigheid' der kerk verwachten bedrogen uitkomen?
Van die drie formulieren zijn de eerste twee ook niet als formulieren van enigheid gemaakt. Ze zijn tot die ondragelijke funktie pas later 'verheven'. Nee, geloofseenheid is een geheimenis en als zodanig een eigen werk van de Heilige Geest.
Wanneer je de bewaring van dit grote goed uitbesteedt aan menselijke geschriften, hoe goed ook, dan "stel je vlees tot je arm", zoals mijn goede vader op z'n jeremiaans (17:5) placht te zeggen. Maar (om terug te keren tot ons onderwerp) nodige en nuttige diskussies met daaruit voortvloeiend verschil in praktijk doodslaan met de kreet "huis tegen zichzelf verdeeld",kom nou! Ja, zal De Vries zeggen, binnen het kader van konfessionele en kerkordelijke overeenstemming is er vrijheid van diskussie. Maar het voorbeeld van Schilder en Janse toont aan dat een verschil van mening zo diep kan gaan dat die konfessionele of kerkordelijke eenheid niet meer relevant is. Laat iemand van de vrijgemaakten nu eens een eerlijk antwoord geven op de volgende vraag: wat is erger, dat binnen een kerkverband de ene gemeente vrouwelijke ambtsdragers heeft en de andere niet of dat binnen datzelfde verband de ene geestelijke leidsman meende in verzet te moeten gaan tegen de bezetter en de andere voorlichter van mening was dat onderwerping aan de Duitsers geboden was? Het laatste was toch voor de christelijke levenspraktijk veel ingrijpender? Toch kon je dat verschil niet konfessioneel of kerkordelijk benaderen. Het onttrok zich aan die kontrole, zoals dat vandaag met meer saillante geloofspunten het geval is. Neem nu alleen het onderwerp 'Israël' maar ...
Onze eer
Wij hebben verschillen en wij praten er openlijk over. Bijvoorbeeld in opbouw. Het gaat bepaald niet over pietluttigheden zoals de vraag wie nu precies de auteur van de Brief aan de Hebreeën is. Nee, we diskussiëren over de vrouw in het ambt, over het duizendjarig rijk, over de vraag hoe het geloof dat de bijbel Gods betrouwbare woord is te rijmen valt met alles wat de Schrift (over zich)zelf zegt. Ik doe maar een greep. En op alle punten die aangesneden worden staan de kolommen van ons blad open voor de tegenstem.
Nee, we gaan hier niet prat op, we denken alleen dat het nodig is.
Het is onze eer het zo te doen dat iedere welwillende toehoorder of meelezer zal moeten erkennen: het gaat daar christelijk toe, met grote liefde tot God en de naaste. Niet dat we dit gegrepen hebben maar wij jagen ernaar. We hopen dat de mensen zo vertrouwen zullen krijgen in onze kerken omdat daarin serieus wordt ingegaan op echte vragen en omdat daar niet heengeteut wordt om punten van de leer en van de levenspraktijk die al eeuwen lang pijn veroorzaakt hebben. Moeten we daarmee ophouden? Wat is het alternatief?
Dat er een tegenstelling groeit tussen ambt en gemeente omdat het ambt weigert in te gaan op problemen waar de gemeente mee zit. Om konkreet te zijn: dat er een wereld van verschil ligt tussen de sfeer op een vrijgemaakte studentenkonferentie en die in een boek als van dr. De Vries. Kijk, voor die gapende kloof tussen de 'officiële"
kerk en haar subkultuur, daar zijn wij vuur-bang voor. Inderdaad hebben wij verschillen, maar dr. De Vries moet zich niet in ons vergissen.
Wel degelijk zijn wij een in de Heer en bovendien onmiskenbaar gereformeerd. Ik zou De Vries dan ook willen vragen op te houden met zijn onheilsprofetieën als zou een voortbestaan er voor ons niet inzitten.
Eerlijk gezegd, wij nemen dat van onze mede-christenen en naaste kerkelijke buren niet. Wij worden er verdrietig van en zichzelf maakt hij er belachelijk mee omdat het geen weerklank vindt bij Gods echte kinderen.
Wat nu, zouden zij wel en wij niet staan onder de belofte dat de Here zijn kerk zal bewaren? Het is waar dat wij deze belofte dagelijks verzondigen maar welke kerk zou durven beweren dat ze de vervulling ervan verdient? Natuurlijk, het standpunt van dr. De Vries brengt mee dat hij ons kritiseert. Daar heb ik geen moeite mee. Wanneer het een goede kritiek is die hij levert en niet zomaar een 'afval'produkt (O, wat zijn die nederlands gereformeerden toch afvallig!) waarvan er twaalf in een dozijn gaan dan zal ik er met belangstelling kennis van nemen. Wij zijn echt niet zo zelfvoldaan dat wij menen het zonder anderen af te kunnen.
Maar een beetje respekt voor onze kerken, - ja, op mijn verlanglijstje naar de vrijgemaakten toe staat dat bovenaan. Zolang dat respekt ontbreekt is samenspreking zinloos, erger, zal zelfs samenwerking op punten waar dat ondanks kerkelijke gescheidenheid mogelijk is niet van de grond kunnen komen.
Terwijl wij elkaar nodig hebben.