Huisbezoek aan jongeren (slot)
1990-08-17
De vraag is natuurlijk, wat we met onze kennis van de leefwereld van jongeren doen. Er zijn mijns inziens drie mogelijkheden: - Jaargang 34
- nummer 17
Negeren?
Je kunt in de eerste plaats er aan voorbij gaan. Je kunt deze kennis negeren en zeggen: wij hebben altijd ons werk gehad als ouderlingen; daar gaan we gewoon mee door want dat is onze opdracht. Dat kan een hele tijd succesvol verlopen, want bij ons zal de doorwerking van algemene trends altijd wat trager verlopen dan in de grote oecumenische kerken. Gelukkig is het best waar, dat ook de kerkverlating in onze kerken langzamer en gematigder verloopt dan in andere kerken.
Maar het nadeel van deze reactie is: het gaat goed tot het fout gaat. En dit negeren van de feiten gaat bij sommige van onze leden al heel gauw fout. Er zijn in de gemeente altijd bepaalde leden -- en dat hoeven zeker de slechtste niet te zijn -- die het meest in contact zijn met de wereld waar wij deel van uitmaken.
Bij hen zul.je het allereerst merken, dat de aansluiting begint te ontbreken en dat door het negeren van hun leefwereld het contact haast onmogelijk wordt.
Zoveel mogelijk aanpassen?
Een tweede mogelijkheid is dat we als kerk en met name als ouderlingen ons zoveel mogelijk aanpassen bij het eigentijds levensgevoel. Zo doet bijvoorbeeld de middenstand het. Het bedrijfsleven dat al die jeugdonderzoeken laat uitvoeren, doet dat om er zo spoedig mogelijk op in te spelen. Winkels gaan graag onmiddellijk verkopen wat de trend onder jongeren en daarna ook onder ouderen is. Logisch.
En zo proberen de meeste opvoeders en kerkelijke werkers het ook.
Vanuit het motief: je moet aanpassen om te overleven. Persoonlijk denk ik overigens, dat dit voor jongeren is om gek van te worden. Dat er altijd geprobeerd wordt om onmiddellijk toe te geven en aan te passen aan welke nieuwe trend ook maar. Dan krijg je de zielige vertoning van een vader die turbo-taal gaat gebruiken; die probeert om best wel dezelfde taal te spreken als zijn pubers. Een van de nadelen is dat dat toch niet lukt. Het is er altijd net even naast. In het kerkelijke zijn daar ook voorbeelden van.
Visnet ophangen
Bart Robbera" is consulent en toeruster voor de catechese in de geref. kerken voor de provincie Utrecht. Hij .beschrlitt een bloeiende wijkgemeente, weliswaar wat vergrijzend maar toch bloeiend. In een bepaald jaar kwamen er in die gemeente helemaal geen catechisanten. Naar aanleiding van dit incident bespreekt Robbers de catechisatie als zodanig en releveert, dat het bij het levensgevoel van 13-17 jarigen hoort, dat ze niet geïnteresseerd zijn in leerstof.
Hij bepleit daarom om de catechisatie VOOI:" de leeftijd van 13-17 jaar maar helemaal op te heften. In plaats daarvan moet er komen: "Hier en daar, nu en dan, een plaats waar je onbedreigd kletsen kan over alles en niets, nooit over jezelf, al ben je daar dan wel steeds mee bezig". Natuurlijk wordt dit niks. Nog even afgezien van de principiële kwestie dat je je taak als kerk verzaakt.
Maar bovendien: als je als kerk een plaats wilt maken waar jongeren over alles en niets kunnen kletsen, dan leg je het af tegen hun eigen clubs, in sport en café. Dit werkt net zo min als het oppeppen van de jeugdvereniging door een visnet op te hangen en een biljart neer te zetten.
Een andere oplossing om toe te geven aan het eigentijdse levensgevoel is dat je helemaal meegaat in het vertrouwen op ervaring, door af te stappen van de nadruk op de bijbelse boodschap (het woord dat van God naar ons toekomt) en alle kaarten te zetten op ervaring, gevoelens en dergelijke. Wanneer oecumenische kerken die altijd neerkeken op de evangelischen nu ineens bij de evangelische beweging komen aanbellen om de nadruk op ervaring over te nemen, dan is dat een voorbeeld van deze noodgreep. Als ze niet vanuit het evangelie zelf ervan overtuigd zijn dat de echte blijdschap ligt in het behoud door Jezus Christus, dan is dat vleugje evangelisch enthousiasme niet anders dan een visnet in het jeugdhonk.
Serieus ingaan op vragen
Ik pleit er dan ook voor om wel te rekenen met de leefwereld van jongeren, maar daarbij trouw te blijven aan de opdracht die je als kerken hebt. Het blijft de onopgeefbare taak van de gemeente om jongeren in te leiden in 'de gezonde leer' (Paulus).
Die opdracht is niet afhankelijk van de vraag of we daar succes mee hebben. En we geloven daarvan, dat de Here er zegen op wil geven als we trouw zijn.
Maar daarbij moeten we beseften, dat Gods woord ons zelf erin voorgaat om wel in te gaan op de samenleving en op de vragen die daar leven. De wetten van Mozes gaan bijvoorbeeld in op de samenleving van die dagen. En uit de brieven van Paulus blijkt, dat deze zijn eigen wereld kende. Me dunkt, dat we dat moeten navolgen. Trouw aan onze opdracht, maar met kennis van de wereld waar we in staan.
Betrokkenheid tonen
Een van de concrete consequenties van het gezegde is, dat we bij huisbezoek aan jongeren in de eerste plaats warmte en betrokkenheid moeten tonen. We zullen laten uitkomen, dat de gemeenschap der heiligen deze jongeren omvat. Dat ze niet alleen 'erbij horen', maar dat ze erbij nodig zijn. Naar het woord van de apostel, dat we nooit tot een lid van het lichaam kunnen zeggen: "ik heb u niet nodig" (I Cor. 12:21).
Hier is werkelijk een ervaringsaspect van het geloof: de ervaring, dat we horen bij de kudde van Jezus Christus en dat de schapen bij elkaar warmte en geborgenheid vinden.
Ze horen immers bij elkaar en bij de Herder, Jezus Christus. Hiervan iets te laten merken is een belangrijk onderdeel van het huisbezoek.
Dan hoort daar ook bij, dat je zult vragen wat voor hem of haar de persoonlijke manier is om het geloof te uiten. Ik denk dat een ouderling daar heel gewoon naar moet vragen: op welke manier krijgt het geloof in jouw leven vorm? Dan kan het gaan over vragen als; wanneer bid je, wat heb je er aan, welke problemen heb je erbij, hoe lees je je Bijbel en wanneer raakt dat je wel en wanneer niet, enzovoort.
Luisteren en nog eens luisteren
Hierbij is het van groot belang, dat je zult luisteren naar wat de ander raakt. Dit had gerust het eerste punt kunnen zijn: luisteren, luisteren, luisteren. Daarom ook oog hebben voor zijn of haar twijfel. Als je merkt dat iemand moeite heeft met het geloof, dan moet je als ouderling een sfeer creëren waarin die twijfel ook geuit kan worden. Dat kan immers een teken zijn, dat iemand er werkelijk mee bezig is. En met een woord van Francis Schaefter zal het dan zaak zijn om "eerlijk antwoord op eerlijke vragen" te geven. Vragen stellen moeten we niet ontmoedigen.
Ze bieden juist een unieke kans 01"0 werkelijke antwoorden te bieden, geput uit het woord van God en getekend door je eigen betrokkenheid.
Terwijl het tweede punt ging over geloven in de binnenwereld, heb ik het nu over de consequenties van het geloof voor het leven in de buitenwereld.
We moeten ons realiseren dat hier een moeilijk punt zit.
Natuurlijk is het altijd moeilijk geweest hoe je je geloof laat merken in de praktijk. Maar dat is voor jongeren juist in onze tijd een extra moeilijk punt. Vanwege die fragmentarisering die ik beschreef. Omdat ons geleerd wordt om het leven te scheiden in talloze partjes. Vroeger zeiden we wel eens: je moet oppassen voor een tweedeling tussen het leven in de kerk en het leven in de wereld. Het is inmiddels allang geen tweedeling meer, maar het leven is in veel meer mootjes gehakt. Je bent eraan gewend geraakt, dat je op school niet de taal van de kerk moet spreken, in de kerk niet de taal van Greenpeace en dat ze bij Greenpeace niet moeten horen dat je op hockey zit. We ontwikkelen een merkwaardig soort vaardigheid in het opdelen van onze werkelijkheid.
Omdat het woord van de Heer echter wel degelijk gaat over het hele leven, hoe wij dat ook ervaren, ligt hier een punt waar wij wel degelijk jongeren zullen moeten helpen en met hen mee denken. Hoe regeert het woord van de Heer op al die levensterreinen?
Als vermanen nodig is
Hierboven schreef ik over huisbezoek aan jongeren in het algemeen.
Maar er komen specifieke problemen om de hoek kijken als het nodig is om iemand te vermanen.
We hebben wel zo'n beetje behandeld welke problemen er aan de kant van de jongeren zijn. Denk aan de allergie voor betutteling; de versplinterde aandacht en de afkeer van instituten. Maar juist als een ouderling de taak heeft een vermanend huisbezoek te brengen, moet hij ook de problemen aan zijn eigen kant onder ogen zien.
Dat je die ander niet kwijt wil raken staat voorop. Je wilt niet allerlei harde uitspraken doen, met als gevolg dat de ander afhaakt. De schapen erbij houden is vaak onze eerste zorg. Aan de andere kant weet je, dat je ook een taak en een roeping hebt. Je mag niet op een schuldige manier zwijgen. Als het in iemands leven fout zit, kun je bij het bezoek niet volstaan met te informeren hoe het gaat op school. Hier ligt een dilemma, dat we onder ogen moeten zien.
Daarnaast signaleer ik de vraag die bij je op kan komen: durf ik zelf achter Gods woord te staan? Ik zeg maar eerlijk, dat mij dat ook overkomt.
Dat je bij jezelf zegt: ik weet wat de Here voor deze situatie zegt in zijn woord. Maar durf ik daarmee voor de dag te komen terwijl ik die ander in de ogen kijk? Over deze verlegenheid moet wel duidelijkheid komen, wil je een goed bezoek kunnen brengen. Het is niet iets dat je moet aanvaarden, maar wel iets dat je tevoren in gebed bij de Here moet brengen. Dit is een van de punten die ons ertoe zullen dringen om zelf in de binnenkamer de Here te zoeken.
Om de kracht van de Here in te roepen en te leren leven in het geloof, dat de geboden van God goed zijn. Heilzaam en levensbevorderend.
Eigen verantwoordelijkheid
Hoe ga je, gegeven deze moeiten, nu aan de gang?
De hoofdlijn is mijns inziens, dat je de jongere zult aanspreken op z'n eigen verantwoordelijkheid. Dus: juist iemand die fout zit aanspreken op wat hij in Christus is. Een kind van God, een geroepen heilige.
Ook als je weet dat je iemand moet vermanen, begint een bezoek mijns inziens dan ook met vragen. Vragen naar de motieven die men zelf heeft, naar een eigen verantwoording. Je moet niet beginnen om vanuit de Bijbel pijlen te schieten op die ander.
Maar je uitgangspunt nemen in de situatie van jongeren en dan met hen mee, vragenderwijs, doordenken hoe dat in het leven met God een plaats heeft. Je komt niet met kerkelijke regeltjes de verantwoordelijkheid van die ander overnemen.
Je komt hem integendeel aansporen om zelf verantwoordelijkheid te aanvaarden.
Als iemand langzaam dreigt weg te groeien bij de gemeente zou ik proberen om duidelijk te maken, dat dit gevoel van 'erbij vandaan te groeien' geen natuurverschijnsel is.
Zoals de wolken komen en gaan.
Maar dat je daar zelf verantwoordelijk voor bent. Je kunt niet zeggen dat alleen wie de bijbelkring bezoekt een goed christen is. Maar wel zegt de Here: "laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis" (I Petr. 2:5). Het is niet de taak van de bezoeker maar van het gemeentelid om hier invulling aan te geven.
Verder noemde ik het voorbeeld van jongeren die teveel drinken. Zou je dan niet beginnen te vragen wat die gewoonte voor effect heeft op hun eigen geloofsleven, op de omgang met God, de naaste enz.
Geroepen heiligen
Ik meen dat je door deze benadering niet alleen de allergie tegen betutteling omzeilt. Het is ook geheel in overeenstemming met de manier waarop Paulus zelfs een gemeente voor wie hij veel vermaningen in petto heeft, niettemin aanspreekt als geroepen heiligen en als mensen die rijk zijn in Christus. Juist wanneer je de ander op eigen verantwoordelijkheid aanspreekt moet je niet aarzelen om met het woord van God te komen. Daarbij zullen we proberen om het hart van de zaak te raken. Geen losse teksten, maar de verbinding met een Bijbelse grondlijn.
Waar het bijvoorbeeld samenwonen betreft, meen ik dat je niet moet aankomen met "dat er kinderen kunnen komen", of "dat het binnen de gemeente problemen geeft".
Je zult integendeel al pratend moeten toegaan naar de grondlijnen. De grondlijn, dat een huwelijk in de Bijbel een verbond is. Een relatie, die stevigheid heeft, waar een publieke kant aan zit enz. Uiteindelijk dien je de gemeente en ook jongeren het best door onomwonden de Bijbelse normen door te geven. Het is in de eerste plaats onze taak en in de tweede plaats prikken jongeren er doorheen als je met smoesjes komt die het woord aanpassen.
Mooi gezegd!
Wel zit hier een adder onder het gras. Namelijk dat jongeren weliswaar veel waardering hebben voor een principieel, duidelijk en helder betoog, maar dat het onduidelijk blijft wat ze daar nu mee zullen doen. Ik heb de indruk dat jongeren een aantal jaren geleden eerder in discussie zouden gaan en dat ze zouden zeggen: ik denk er heel anders over. Maar nu zal men eerder waarderend knikken: ja, die man is daar ook voor, om de mening van de kerk te vertolken. En vervolgens is dat maar één mening van de vele die je als jongere in je pakket hebt.
Dit bleek onder meer uit een onderzoek onder de jeugd in Christelijk Gereformeerd Zwolle4. Jongeren bleken uiterst positief te oordelen over de kerkdiensten en de preken, terwijl hun meningen over onder meer seksualiteit nauwelijks bleken af te wijken van wat in de maatschappij gangbaar is. Ik denk dat dit verschijnsel bepaald niet tot Zwolle beperkt is.
Hier ligt dan ook voor het huisbezoek een bijzondere uitdaging. Wat van de kansel gezegd wordt kan als mooi maar vrijblijvend worden opgeslagen in het vaatje met meningen van derden. Juist in het persoonlijk gesprek, in het huisbezoek, kan de vraag aan de orde komen: wat doen jullie daar nu mee en hoe werkt het door in de praktijk?
Noten
3 Catechese - tijd voor fundamentele omschakeling. In Trouw van 16-12-89.
4 Jaarboek van de Christelijke Gereformeerde Kerken 1990, uitg. Buijten & Schipperheijn, pag. 272.