Godsverduistering

1990-08-31
  • Jaargang 34
  • nummer 18
Een groeiend aantal kerkverlaters zegt rechtuit: "Het woord 'God' zegt me eigenlijk niets meer. Ik zie niet in, welk verschil het maakt of ik al dan niet geloof. De kerk waaruit ik stam is eigenlijk best een aardige club, waar ze ook allerlei goede dingen doen, maar nu het woord God me niets meer zegt, zegt de kerk me dus ook niets meer". Zo worden we in Nederland langzamerhand naar de kern van de zaak gedreven: God is geen relevante factor meer in ons leven en samenleven.

prof. dr. H. Berkhof: In Voorbij Domineesland

De kern van de zaak
Aan de Leidse emeritus-hoogleraar Berkhof komt de eer toe, de diskussie in kerkelijk Nederland rond het probleem van de kerkverlating op een hoger niveau te hebben gebracht.
Dat begrip 'kerkverlating' verwijst naar het trieste verschijnsel, dat er tegenwoordig nog maar weinig kerkelijke gezinnen zijn, waar niet een of meer van de kinderen het christelijk geloof voor gezien houden.
Sinds 1985 - het jaar waarin het bekende boek Het lege testament werd gepubliceerd - is er heel wat over de oorzaken daarvan gepraat en geschreven. Ligt het daaraan, dat de ouders het geloof niet echt hebben voorgeleefd? Heeft de kerk door een veel te traditionele instelling de kans laten glippen om jongeren te interesseren voor de bijbel en het geloof? Staat de beschamende kerkelijkeverdeeldheid hun soms in de weg om nog te geloven?
Hoe belangwekkend al die suggesties ook zijn, volgens Berkhof brengen ze ons niet bij de kern van de zaak. Hij vreest, dat de kerkverlating op een veel diepere krisis wijst die door geen geloofsoverdracht, mo-, dernisering of oecumene te bezweren valt. Onze samenleving heeft zich in de loop van de tijd zo ontwikkeld, dat God zélf voor talloos veel mensen niet meer ter zake doet. Ze zouden niet weten waar ze Hem voor nodig zouden hebben. Ze zijn geen atheïsten, die grïmmig zeggen: "God? Die bestaat niet!" Welnee: ze maken zich in het geheel niet druk over Hem. Hij is eenvoudigweg te oninteressant om van te beweren dat Hij niet bestaat. En, zegt Berkhof, dat ligt niet enkel aan die mensen, als zouden zij zich in hun ongeloof koppig afsluiten voor de met handen te tasten werkelijkheid van God.
Nee, dat ligt ook aan de kultuur, de maatschappij waarin wij leven. Die wekt de indruk, dat God volkomen is uitgeschakeld en achterhaald. Je komt Hem in de samenleving nergens meer tegen. Het lijkt wel, alsof God inderdaad opgehouden heeft te bestaan, zo weinig als Hij terzake doet in het politieke, ekonomische en kulturele leven.

Godsverduistering
Berkhof duidt dit alles aan met de term 'Godsverduistering'. Hij zinspeelt daarmee op het verschijnsel van een zonsverduistering: de maan staat dan precies tussen de aarde en de zon in, zodat wij de zon op dat moment niet meer kunnen zien. Zo, zegt Berkhof, leven wij niet maar in een tijd, dat veel mensen willens en wetens de ogen gesloten houden voor het licht dat van boven komt, voor God dus. Het is erger: er heeft zich iets tussen dat licht en ons oog ingeschoven. En wat is nou dat 'iets', waardoor God uit het beeld verdwenen is? Dat is de 'mondigwording' van het westerse mensdom. De mens heeft zich in de loop van de eeuwen ontworsteld aan allerlei machten boven hem. Hij is gaan ontdekken dat hij eigen baas is, dat hij zelf moet vaststellen hoe hij zijn leven moet inrichten, dat hij zelf en niemand anders verantwoordelijk is veer het leven. Bij stukjes en beetjes hebben wij die mondigheid veroverd. We zijn er achter gekomen dat we ons geen schrik heeven laten aanjagen door witte wieven. We hebben ontdekt dat kanker geen goddelijke wraakaktie is maar een woekering van cellen. We hebben geleerd dat we niet aan hogere machten de schuld moeten geven als er hongersnoed komt, maar kunstmest moeten gebruiken en bacteriën moeten doden. We zien nu ook in, dat niet een paus of een dominee of krant ons kan voorschrijven hoe wij moeten leven, maar dat het een beslissing en een aanvoelen van enszèlf moet zijn, of er kinderen komen of niet, of je zwart mag werken of niet.
Welnu, vanuit dit beginsel van mondigheid is de westerse samenleving ingericht. Is het een wonder, dat in zo'n samenleving het licht van God niet meer kan deordringen? Een God die voorschrijft hoe wij moeten leven, die ons van (een deel van) onze verantwoordelijkheden ontheft, die de teuwtjes van de wereldgeschiedenis in handen heeft - zo'n God is totaal vereuderd. Wie graag in zo'n God wil geloven, die ga z'n gang, maar de werkelijkheid is anders. De moderne samenleving zit zo in elkaar, dat de rol van God daarin feitelijk is uitgespeeld. De mensheid is een kind dat velwassen is gewerden en in alles wat hij doet en denkt gewaar wordt: ik sta nu op eigen benen.
Dat, zegt Berkhof, is ,de eigenlijke achtergrond van kerkverlating. De mondigheid van de mens, die heeft zich voor talloos veel tijdgenoten ingeschoven tussen God en hen. Met de beste wil van de wereld kunnen zij Hem niet meer zien. En niet alleen zij: hoeveel gelovige christenen zijn er ook niet, die soms worden aangevochten door het angstige vermoeden, dat het woord 'God' niet naar een werkelijkheid verwijst, maar hoort bij een voorbije tijd, toen mensen nog kinderen waren die een vader boven zich hadden ...

Diskussie
Het is natuurlijk niet nieuw, wat Berkhof te berde heeft gebracht. Zo publiceerde Van Riessen reeds in 1967 (!) zijn beek Mondigheid en de machten, waarin hij aan de orde stelt dat "alle mensen een wereld ervaren, die zich voordoet alsof God er niet zou zijn." Toch is het als een schok ervaren, dat Berkhof die term 'Godsverduistering' kerkelijk Nederland inslingerde. Naar ik meen heeft dat verschillende oorzaken. In de eerste plaats heeft Berkhef zich vroeger heel positief uitgelaten over het proces van 'mondigwerding' van de mens. Het heeft een schrikeffekt, als een zo bekend en gewaardeerd theoloog als hij dan plotsklaps aandacht vraagt voor een donkere schaduwzijde ervan. In de 'tweede plaats heeft Berkhof de moed gehad, een in de kringen van de Raad van kerken - waarvan hij voorzitter is geweestmin of meer over het hoofd gezien thema op de agenda te zetten. Zelf zegt hij het zo: "We zijn met veel dingen bezig, maar niet hiermee."
En inderdaad: in de kringen van de Raad van kerken had men het over alles behalveover dit aIlerwezenlijkste punt. Ook daarom is het geen wonder, dat men zich opgeschrikt voelde. Zo heeft Berkhof bereikt wat inderdaad hard nodig was: dat het thema van de 'Godsverduistering' in bespreking kwam. Op een artikel dat hij schreef in Trouw van 1 april 1988 volgde een stroom van reakties, die later gebundeld zijn in het boek Voorbij Domineesland. Het is jammer dat men zo'n flauwe, niet erg tot lezen nodigende titel aan deze bundel heeft meegegeven, want zij is het waard om ervan kennis te nemen.
Men komt vooral onder de indruk van de ernst van het verschijnsel en de moeite of zelfs de onmogelijkheid om er een oplossing voer te vinden, wanneer men de reakties uit allerlei hoeken van de kerken en daarbuiten tot zich door laat dringen.

Graafland over Godsverduistering
Toch zal ik niet zozeer uit dit boek putten om nader in te gaan op het onderwerp 'Godsverdulsterlnq', maar uit een dit jaar verschenen studie van prof. dr. C. Graafland.
Helaas heeft ook dit boek een weinig inspirerende titel meegekregen: Gereformeerden op zoek naar God, maar uit de ondertitel blijkt dat het hier over precies hetzelfde aktuele vraagstuk gaat: Godsverduistering in het licht van de gereformeerde spiritualiteit.
Het is om meer dan een reden een interessant boek. In de eerste plaats treft de toon waarop het geschreven is. Graafland geeft geen beschouwing op afstand, maar laat duidelijk merken dat hij zich persoonlijk betrokken weet bij en geraakt is door de vraagstelling. Zijn bewogenheid is ook af te lezen uit het feit, dat hij over het algemeen heel geduldig en voorzichtig in gesprek is met mensen, met wie hij hevig van mening verschilt. Dat doet weldadig aan: hij neemt hun problemen uiterst serieus, zonder in wazigheid terecht te komen. In de tweede plaats is zijn boek waardevol, doordat het een, nauwkeurige analyse geeft van de gedachtengang van Berkhof. Na 'Graafland' realiseer je je, dat je bij 13erkhof gemakkelijk over dingen heen leest. In de derde plaats treft de moed van de schrijver. Hij richt zich in zijn boek onmiskenbaar tot de kerken in de rechterflank van de gereformeerde gezindte en deinst er daarbij niet voor terug, die broeders en zusters door elkaar te rammelen en wakker te schudden. Als Nederlands gereformeerde lezer volg je dat op enige afstand, totdat je merkt: deze kritiek treft ons ook! Dat verklaart voor een deel de knorrigheid, die spreekt uit de twee artikelen die prof. J. Kamphuis in het Nederlands Dagblad aan het boek wijdde: Graafland kijkt in alle loyaliteit toch tamelijk kritisch naar onze traditie! In de vierde plaats - en dat is verreweg het belangrijkste - voegt Graafland iets nieuws aan de diskussie toe. Hij merkt op, dat geen van de medewerkers aan Voorbij domineesland het probleem van de 'Godsverduistering' vanuit de gereformeerde traditie benadert. Zijn stelling is nu: dat is een gemis. Want áls de gereformeerde traditie het waard is om in ere te worden gehouden, dan móet het mogelijk zijn er houvast aan te ontlenen bij het aanvatten van dit hete hangijzer. Zo gaat hij dan ook aan de slag; hij brengt twee ogenschijnlijke tegenpolen bij elkaar: enerzijds het typisch moderne probleem dat de mondigwordingvan de mens voor God geen plaats overlaat - anderzijds de klassieke gereformeerde belijdenis, die tot stand kwam lang voordat dit probleem ook maar in zicht kwam. Vervolgens wil hij laten zien dat er vonken zullen overslaan, dat die oude belijdenis inderdaad iets te zeggen heeft ten aanzien van dit moderne probleem, maar dat ook omgekeerd de krisis waarin we ons bevinden ons met nieuwe ogen doet aankijken tegen die traditie.

Een dialoog uit de jaren '50
Graafland grijpt voor deze konfrontatie terug op een diskussie, die in 1955/56 gevoerd werd tussen Berkhof en de gereformeerde bonder ds. Boer. In dat gesprek kwam inderdaad aan de orde, of wij nog wel uit de voeten kunnen met die oude belijdenis, nu er zulke andere en nieuwe vragen gesteld worden. In de tijd van de Reformatie stond de vraag centraal: "Hoe krijg ik een genadige God?" Maar in de twintigste eeuw, vooral na de Tweede Wereldoorlog, werden veel mensen geplaagd door twijfels die hen een veel fundamentelere vraag deden stellen: "Is er wel een God?" Dat is voor Berkhof aanleiding om tegen ds. Boer te zeggen: wij komen met de gereformeerde belijdenis niet meer uit.
Want die vraag naar het bestáan van God is nieuw; zij is voortgekomen uit het proces van de mondigwording van de mens, dat pas goed op gang is gekomen in het eind van de 18e eeuw. Op zo'n nieuwe vraag is ook een nieuw antwoord nodig. Ds. Boer zegt in reaktie daarop: Geen sprake van! Die vraag is niet zozeer nieuw, als wel goddeloos! Er spreekt immers ongeloof en twijfel uit. Als zodanig is het een ongeoorloofde vraag, waarop God ook nooit een antwoord zal geven. Volgens de bijbel geeft God mensen die zulke vragen stellen maar één ding te verstaan: dat zij rebellen zijn en dat God daarom zéer kwaad op hen is.
Daarom is ook in de twintigste eeuw de meest fundamentele vraag die.er is: "Hoe krijg ik een genadige God?
Hoe ontkom ik aan de verschrikkelijke gevolgen van de rebellie tegen God?" Ziedaar het thema dat door de gereformeerde belijdenis aan de orde gesteld is en dat in alle tijden het centrale thema blijft. Want hoezeer de tijden ook veranderen en in hoeveel opzichten de mens van de twintigste eeuw een ander is dan die van de 16e eeuw, één ding verandert niet. Dat is de realiteit van de zonde, van de toorn van God daarover en van de verzoening ervan door het bloed van Christus. De mens die twijfelfaan het bestaan van God doet niet iets wezenlijk nieuws ten opzichte van Adam, die vanuit het verlangen om als God te zijn van de verboden vrucht at. Beide twijfelen aan de waarheid van Gods woorden; in zoverre stellen zij zich beide boven God. Voor beide is er dan ook maar één uitweg: dat zij om genade smeken.
Volgende keer zullen we zien wie er volgens Graafland gelijk heeft.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief