Eeuwig zingen
1990-08-31
U hebt nu tot zes reizen toe kunnen kennisnemen van de continuïteit van oud- en nieuwtestamentische psalmzang.- Jaargang 34
- nummer 18
Die artikelen, welke alle de vijftoonsladder tot thema hadden, zijn listig over diverse maanden verspreid - maar dat had u wel door.
Opgeluisterd door prachtige melodieën is u voorzichtig wat wijsheid bijgebracht: over hele en halve toontrappen, witte en zwarte toetsen, grote en kleine-terts-Iadders, woestijnzang, gregoriaans, psalmtonale modi en nog veel meer. Dat ging allemaal over onze kerkzang, ons kerklied; waar we graag eeuwig aan meedoen.
Immers vormt een lied een huwelijk tussen woord en toon. Nu, dan moeten we ons maar niet tevreden stellen met een beetje kennis van de tekst - dan mogen we ook wel eens luisteren en kijken naar de melodieën.
Zijn we nu kerkzangers of niet? Nu is dus ons thema weer de eeuwige kerkzang en dan op noten, die van Horeb tot Rome, van Geneve tot Amsterdam hebben gediend.
Vijftoonsladder
De voorgeschiedenis van die vijftoonsladder laten we nu maar rusten, hoewel ook hier Gods scheppingsgegevens aanwijsbaar zijn. We gaan uit van de toonladder, welke de kinderen van Israel uit Egypte meebrachten.
Deze zg pentatonische reeks werd tot in Davids tijd gebruikt; ja, zoals we zagen zingen vandaag Schotten, leren en andere Kelten nog een aantal liederen op deze 5 toontjes.
We hebben begrepen, dat de vijf (wordt vervolgd) zwarte toetsen op ons klavier, die precies de pentatonische ladder vormen, twee duidelijke hiaten vertonen: de sprong van re naar fa en die van la naar do. Dit werd trouwens al duizenden jaren geleden gezien en gehoord. De Syriërs, wier handelswegen door Israel liepen, brachten liederen mee, waarbij de 2 hiaten op diverse wijzen waren gevuld.
Door die verschillende toongroeperingen kregen de 7-toonsreeksen geheel aparte karakters, welke in kleur en spanning boven de 5-toons ladder uitgingen.
Zeventoonsreeksen
De kennis der Syriërs werd later aangevuld, verbeterd en van theoretische grondslagen voorzien in de Griekse cultuur. Deze gaf aan de toon reeksen dan ook Griekse namen mee, als dorisch, lydisch, phrygisch, ionisch enz., namen die u in uw kerkboek waarschijnlijk tegenkomt.
Daarna hebben de Romeinen, met name paus Gregorius I (die zich heel niet paus wilde laten noemen, wist u dat?) de hele Griekse muziektheorie nog eens overhoop gehaald, herordend en tenslotte vastgelegd in het zogenaamde gregoriaans. Deze gregoriaanse ladders, uitgebreid tot de kerktonale modi, beheersten de gehele kerkelijke en nietkerkelijke muziek, tot aan renaissance en reformatie.
Kerktonale modi
Als u even niet oplet halen we nu een trucje uit, om u te helpen. We schrijven namelijk de u bekende do-re-mi ladder in muziekschrift uit, en plaatsen tussen de u bekende 5 noten MI en SI. We nemen elke toonladder apart.
Aanvaarden we in de eerste figuur de C (slottoon) als de grondtoon, dan herkennen we de toonladder van C grote terts. Maar deze reeks heette al eeuwen geleden de ionische reeks. U vindt deze reeks, zij het op een andere toonhoogte maar in dezelfde samenstelling, in de psalmwijzen 1, 25, 42, 68, 84, 98, enz. En wat we er van onthouden is dit: als C de grondtoon is heeft de ionische reeks geen kruis en geen mol, dus geen verhoogde of verlaagde toon.
Nu schrijven we dezelfde noten uit, maar nemen D als grondtoon (bij de psalmen is de slottoon altijd de grondtoon). We stappen ongemerkt van noot op toon. U weet het verschil?
Een noot kunnen we schrijven en lezen; een toon kunnen we spelen en horen. En wat zien we nu? Dat we een kleine-terts ladder samenstelden, uit hetzelfde materiaal.
Maar - in tegenstelling tot de ons vandaag algemeen bekende kleineterts ladder, waar de B blijvend tot Bes wordt verlaagd - handhaaft deze reeks zijn grote sext (sext = zesde). We noemen deze modus de dorische en vinden die in tal van psalmwijzen, als: 2, 5, 8, 9, 10, 12, 13, enz. En we onthouden ervan: dorisch is een kleine-terts modus, met een mol te weinig (of, getransponeerd, een kruis teveel). We achten dorisch zwak-mineur. Slechts bij uitzondering, en dan nog op goede gronden, krijgt een dorische psalmwijs een verlaagde sext, als ps. 48.
Schrijven we opnieuw dezelfde noten op, maar nu uitgaande van de grondtoon E. Dan vinden we weer een kleine-terts ladder; maar het kruis, dat bij de ons bekende mineurladder de tweede trap F verhoogt tot Fis, is afwezig. Die lage F heeft een neerdrukkend karakter; we zouden deze reeks, de phrygische, sterk mineur willen noemen. En we onthouden dat phrygisch een kruis te weinig, of, getransponeerd, een mol teveel heeft. Zie psalmwijzen 17, 51, 100 e.a.
We slaan de F-Iadder even over en bouwen nu een reeks op G. Hier zien we een grote-terts ladder - psalmwijzen 19, 139,46 enz. - maar de verhoogde septime (= zevende) die we bij majeur mochten verwachten, ontbreekt. Ergo deze mixolydische ladder heeft een kruis te weinig of een mol te veel voor moderne oren.
Deze modus zouden we zwak majeur willen noemen.
We komen aan de A-ladder en noemen deze de aeolische reeks. Ze komt bij diverse psalmwijzen voor als 38, 110,4 en 72. Zoals we van A kleine-terts verwachten komen er geen kruisen of mollen aan te pas; de ladder is normaal mineur.
Tenslotte noemen we nog de F-Iadder. Die sloegen we even over omdat in deze modus geen psalmwijzen voorkomen. Bij de F-Iadder missen we de verlaging op B, waar we een vaste mol hadden verwacht, die een Bes moest leveren. Door deze stralende kwart (= vierde) noemen we deze lydische modus sterk majeur. U vindt ze gebruikt bij componisten als v. Beethoven, Grieg en Badings, om enkele te noemen.
Resumerend
We treffen dus 3 majeur- en 3 mineur toonaarden aan. Een zwak, een normaal en een sterk mineur; ook een zwak, een normaal en een sterk majeur. Uit deze royale middeleeuwse spijskaart kozen de latere componisten de gemiddelden uit: ionisch en aeoliseh, die zich tot grote en kleine terts lieten ontwikkelen.
De mooie tussentinten gingen verloren. Daarentegen kwamen willekeurige verhogingen en verlagingen, die grenspasjes leveren naar andere toonaarden.
Daarom moeten we zuinig zijn op ons psalmboek. Daarin treffen we namelijk Gregoriaanse modi tussen andere, die zich als modern majeur en mineur laten behandelen. De stoerheid zit meestal in dat ene kruisje teveel of te weinig. In 1500 zou zulk een kerkboek nog geheel in de greep van het gregoriaans zijn gecomponeerd; in 1600 zouden majeur en mineur het karakter bepalen.
De gemengde samenstelling van onze psalmwijzen, uit de tijd waarin de Roomse Kerk haar greep op de cultuur verloor, dateert ons psalmboek in het midden der zestiende eeuw.
En in alle hier gegeven toonladders treft u - dat mag u nooit ontgaande vijftonige reeks van Mozes' psalmen aan, die u als de zwarte toetsen van uw klavier hebt leren kennen, en waaraan zelfs de modernste Zwölftöner-componisten niet ontkomen.