Boekbespreking

1990-08-31
  • Jaargang 34
  • nummer 18
En God roept de vrouw
AI lange tijd wordt er een discussie gevoerd over de plaats en taak van de vrouw in de kerk. Voor en tegenstanders van de feministische theologie staan fel tegenover elkaar. Het is blijkbaar geen eenvoudige zaak om op grond van wat de Schrift ons zegt directe lijnen naar onze tijd te trekken.
Martie Dieperink, die zelf een feministische achtergrond had, maar zich daarvan heeft afgekeerd, heeft onlangs een boek over dit vraagstuk geschreven. AI eerder heeft deze vrouwelijke theologe van zich laten horen, o.m. door een studie over de New Age beweging.
Hoewel ze in dit boek 'En God roept de vrouw' het feminisme duidelijk en geargumenteerd afwijst, komt ze wel op voor de emancipatie van de vrouw. De vrouw moet in de kerk, zo schrijft zij. voldoende ruimte krijgen om haar gaven, die ze van God ontvangen heeft, te ontplooien. Waar het echter om gaat is, dat de christenvrouw die taak vervult, waartoe God haar geroepen heeft. We moeten dus zien te verstaan op welke plaats de vrouw door God is gesteld.
Daar deze problematiek in alle kerken en kringen speelt, heeft ze voor deze studie de reformatorische, de evangelische en de katholieke litteratuur gelezen, die ze kon vinden.
Het valt echter wel op, dat ze zich in hoofdzaak heeft beperkt tot geschriften, die de laatste tien jaar zijn verschenen.
Jammer, want ook in vroegere jaren is hierover veel geschreven.
Ik denk, om slechts één boek te noemen, aan het geschrift van dr. N.J. Hommes, 'Oe vrouw in de kerk', uitgekomen in 1951.
De schrijfster begint met de vraag of de Bijbel een patriarchaal boek is.
Het antwoord is, dat de Bijbel niet in de eerste plaats een mannenboek is, maar het Woord van de sprekende God. De feministische theologie beweert, dat God zich wel in de Bijbel heeft geopenbaard, maar dat dit steeds is gegaan via de vertaling van zondige mensen. Daartegenover wijst de SChrijfster op de belofte van Christus, dat Hij de Trooster zal zenden, die de weg zal wijzen tot de volle waarheid. Deze feministische interpretatie loochent het werk van de Heilige Geest, zo is haar conclusie.
Het moderne gelijkheidsdenken wordt door haar afgewezen. God maakt geen onderscheid in klassen of rassen, maar dat betekent niet, dat elk onderscheid tussen man en vrouw ophoudt te bestaan. De Bijbel kent geen ideologie van gelijkheid, maar dat betekent niet, dat elk onderscheid tussen man en vrouw ophoudt te bestaan. De Bijbel verkondigt de gelijkwaardigheid van man en vrouw.
Naast die gelijkwaardigheid wijst de Bijbel ook op het verschil tussen man en vrouw. Adam, die het eerst geschapen is, vertegenwoordigt als man de mensheid. De vrouw is uit de man geschapen als hulp. Man en vrouw moeten elkaar aanvullen.
T.a.v. de plaats in het gezin stelt zij.
dat man en vrouw samen voor het gezin zorgen, maar er is voor beide wel een taakverdeling. De Bijbel geeft als algemene richtlijn aan, dat de man zijn werk buitenhuis doet en voor het levensonderhoud van het gezin zorgt en dat de vrouw in het huis op een meer directe manier in de behoeften van het gezin voorziet.
Eeuwenlang, zo meent zij was het ook al gebruikelijk, dat de man kostwinner is en de vrouw in huis voor het gezin zorgt en dat ligt in Gods scheppingsorde verankerd.
Ik zet hier toch een vraagteken achter.
Waar leert de Schrift dit? Vergeet de schrijfster ook niet, dat bedrijf en gezin vroeger niet zo ver uiteenlagen.
De ondergeschiktheid van de vrouw, zo stelt zij. is niet maar een gevolg van de zondeval, waarvan we door Christus bevrijd zijn maar berust op de scheppingsorde. Deze ondergeschiktheid duidt niet op minderwaardigheid.
Man en vrouw. moeten wederzijds aan elkaar onderdanig zijn.
De man heeft echter het beslissingsrecht in zaken die met Gods ordening te maken hebben. Ik geloof, dat de schrijfster ook hier de plaats van de vrouw wat miskent.
Wat te gemakkelijk concludeert ze soms tot het primaat van de man. Zo concludeert ze uit het feit, dat Jezus alleen met mannen het Avondmaal gevierd heeft, dat Hij bepaalde ambtsbedieningen alleen aan mannen heeft toevertrouwd.
Van vrouwelijke ambtsdragers wil ze niet weten en zij tracht ook te bewijzen, dat in de eerste eeuwen vrouwen ook geen ambten in de kerk hebben bekleed. Te gemakkelijk gaat ze m.Î. voorbij aan het feit, dat bv. in Rom. 16:1 Phebe, diakones van de gemeente genoemd wordt.
Merkwaardig is, dat op blz. 100 gesteld wordt, dat we er rekening mee moeten houden, dat onze kerkelijke ambten anders kunnen functioneren dan in bijbelse tijden. Daardoor kan een vrouw als ouderlinge of diaken taken verrichten, waartoe ze gerechtigd is, hoewel het ambt van oudste of diaken in de Bijbel uitsluitend door mannen werd bekleed. We mogen dus, zo zegt zij. niet ongenuanceerd de vrouw in het ambt afwijzen. Dus toch een kerkelijk ambt voor de vrouw?
Ik heb nog al wat kritische opmerkingen over dit boek gemaakt. Toch kan ik lezen van dit boek zeer aanbevelen.
Het zet aan tot denken over dit belangrijke vraagstuk. Verder is er veel uit te leren over de taken, die de vrouw volgens Martie Dieperink wel vervullen mag.
Het is goed, dat we ons als kerken rustig over dit vraagstuk blijven bezinnen zonder elkaar bij verschil van mening te verketteren.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief