Godsverduistering (2)
1990-09-14
Hebben wij voor het moderne probleem van de Godsverduistering nog iets aan de oude belijdenisgeschriften?- Jaargang 34
- nummer 19
Vanuit die vraagstelling haalt Graafland de diskussie op tussen Berkhof en Boer. Terwijl Berkhof zegt, dat de belijdenisgeschriften dé vraag naar het bestaan van God nog niet kennen en daardoor In gebreke blijven om mensen die worstelen met die vraag te helpen, stelt Boer dat de centrale vraag van de belijdenisgeschriften ook in de moderne tijd de diepste Is die zich laat stellen: hoe krijg ik een genadig God?
Gelijk en ongelijk
Nu merkt Graafland terecht op, dat deze diskussie tussen Berkhof en Boer in die zin al weer achterhaald is, dat er in de jaren '50 tenminste nog zoveel betrokkenheid op God was, dat men het als een belangrijke vraag ervoer: "Bestaat Hij wel?"
Kenmerkend voor het probleem van de Godsverduistering is echter, dat mensen zich totaal niet meer druk maken over het bestaan van God.
Omdat God zelf als irrelevant wordt ervaren, is de vraag naar zijn bestaan dat ook.
Met zo'n opmerking geeft Graafland te kennen, dat hij oog heeft voor de ontwikkeling die de westerse mens heeft doorgemaakt en nog altijd doormaakt. Daarmee kiest hij partij voor Berkhof en tegen Boer. Hij vindt dat Berkhof gelijk heeft als hij aandacht vraagt voor het nieuwe van de situatie, die ontstaan is als resultaat van het proces van mondigwording van de mens. Hij verwijt Boer dat die te 'statisch' denkt, als zouden de ontwikkelingen in de menselijke geschiedenis in wezen niet terzake doen en men met tijdloze antwoorden op tijdloze vragen zou kunnen volstaan. Toch deelt Graafland niet Berkhofs konklusie, dat vanwege de voortschrijdende ontwikkeling de oude antwoorden niet meer passen op de vragen van nu. Hij vindt namelijk dat Boer in zoverre gelijk heeft, dat in de moderne vraag naar het bestaan van God zich toch iets van de oeroude vervreemding tussen God en mens manifesteert. Boer zegt veel te snel dat die vraag ongeoorloofd is en gaat voorbij aan het feit, dat ook gelovigen in hun wanhoop en vertwijfeling tot zo'n vraag kunnen komen. Maar hij wijst er terecht op, dat het moderne, radikale ongeloof van de mondig geworden mens, in zijn kern niets anders is dan de terzijdestelling van God door Adam, die als God wilde zijn. De kultuur-krisis waaruit de vraag naar het bestaan van God geboren wordt, heeft haar wortels in de krisis van de zonde. In de maatschappelijke en filosofische ontwikkeling die ertoe leidde dat het bestaan van God ter diskussie gesteld is, is een proces werkzaam van radikalisering, van verdieping, van rijping van de oerzonde van de mens.
Ik acht het een bijzonder gelukkige greep van Graafland, dat hij op deze wijze het waarheidsmoment in de gedachtengang van Boer weet te redden, zonder in een statisch, tijdloos denken te vervallen. Is het niet heel bijbels om te erkennen, dat de tijden ook in die zin veranderen, dat er een voortschrijding is van de zonde en haar gevolgen, waardoor de wereld er op het eind volstrekt anders uitziet dan vlak na de zondeval?
Weerspiegelt het theoretische atheïsme van onze eeuw niet een ander, duidelijk later stadium van de geschiedenis dan het praktische atheïsme van psalm 14:1, waar wel het 'funktioneren', maar nog niet het bestaan van God ontkend wordt?
Een tijdloos hanteren van de belijdenisgeschriften lijkt mij dan ook gemakzuchtig en dom: het is een illusie om te menen, dat men op de vragen van vandaag kan ingaan met een repetitie van de antwoorden van de zestiende eeuw. Tegelijk is het waar, dat de kultuur-krisis van vandaag niet enkel maar nieuw is. Er is kontinuïteit met het verleden, doordat dezelfde krachten die sedert de zondeval de geschiedenis hebben opgestuwd, ook in het heden van de Godsverduistering werkzaam zijn.
Waar christenen zich in het verleden rekenschap hebben gegeven van die fundamentele vijandschap tegen God en de overwinning daarvan, kan het niet anders of hun antwoorden zullen ook ons raken. Met Graafland ben ik daarom van mening, dat er aan de belijdenisgeschriften meer te ontlenen valt voor bezinning op het probleem van de Godsverduistering dan men op het eerste gezicht zou denken. Maar wàt dan?
Zonde en genade
In de gereformeerde belijdenisgeschriften is de neerslag te vinden van de grote herontdekking van Gods genade, zoals die in Reformatie gestalte kreeg. De mensen van toen, die met inspanning van al hun krachten een brug trachtten te slaan naar God, werden opgeschrikt door een vreemde, vernederende maar ook verrukkelijke boodschap: "Schei ermee uit, met dat verwoede pogen om de afstand tot God te overbruggen.
Jullie zijn veel te blind en veel te zondig, dan dat jullie erin zouden slagen iets van God te zien en de vervreemding van Hem te overwinnen.
Erken nu maar, dat wij mensen, als het van ons afhangt, voorgoed zullen ronddolen in een duisternis zonder God. Maar geloof tegelijk, dat God ons in die duisternis tegemoet komt: Hij wil, in zijn onuitsprekelijk grote genade, van zijn kant de brug naar ons slaan. Geloof, dat Hij jullie de ogen zal openen voor zijn licht; vertrouw erop, dat door Christus' bloed de vervreemding van Hem totaal overwonnen is; verwacht van de Heilige Geest de goede werken die jullie zelf niet voor elkaar krijgen."
Het uitgangspunt van Graaflands boek is nu, dat tegen het kwaad van de Godsverduistering nog steeds geen ander kruid gewassen is dan deze boodschap van genade. Het zal er volgens hem om gaan, dat wij het gevoel van onmacht en radeloosheid, dat ons kan bevangen als wij in de moderne tijd zo'n kolossale vervreemding tot God ervaren, nederig én vertrouwend aanvaarden. Nederig zullen wij moeten erkennen: van ons uit is het onmogelijk, dat wij God weer in het vizier krijgen en Hem weer aan de horizon van ons leven zien verschijnen. Wij oogsten nu immers de wrange vrucht van een konsekwent NEE zeggen tegen God.
Wij hebben in de moderne westerse.
samenleving bereikt wat wij sinds Adam al wilden: de terzijdestelling van God. Wie in deze situatie nog denkt, dat wij, als wij Hem nodig hebben, ineens toch weer aan een beroep op Hem kunnen doen, heeft niet begrepen dat wij onszelf onmogelijk gemaakt hebben bij Hem.
Tegelijk zullen wij vertrouwend mogen zeggen: van zijn kant zal God naar ons toekomen; in Christus zal Hij ons niet langer aanzien als geharde 'revolutionairen en ons niet vastpinnen op onze dwaasheid. De boodschap van genade en vrijspraak mag ons hoopvol maken, als de wachter die op de morgen hoopt.
Om de hoek. ..
Zo wijst Graafland de weg van schuldbelijdenis en het ootmoedig wachten op Gods genade aan als de uitweg uit de Godsverduistering.
Daarmee verwerpt hij de 'oplossing' die Berkhof aanbiedt. Ook deze heeft oog voor de schuld die de mens heeft aan de Godsverduistering. Hij spreekt van een 'ontspoorde autonomie', waarmee hij iets dergelijks bedoelt als Boer en Graafland: in zijn mondigwording is de mens gaan denken dat hijzelf God is en niets of niemand boven zich heeft, met alle fatale gevolgen vandien. Want is het niet aan die onttroning van God te wijten, dat dictators als Hitier hun kans schoon zagen om zich als een god te laten bewieroken? M6et in een wereld, waarvan de mens zich het middelpunt waant, de natuur niet het loodje leggen? Gaat het niet onvermijdelijk op alle fronten fout, als de mens zijn eigen ideeën als wet aan de schepping oplegt? De terzijdestelling van God heeft een vreselijke ontwrichting van de wereld tot gevolg.
Maar, zegt Berkhof, gelukkig zijn er velen die oog hebben voor deze ontsporing en inzien dat wij ons op een verkeerde weg bevinden. De een roept op tot een bescheidener omgang met het milieu; de ander strijdt tegen het individualisme en voor sociale gerechtigheid. Sommigen huiveren zo voor de agressie die in mensenharten huist dat ze tot doemdenken vervallen; anderen hebben de hoop nog niet opgegeven op een betere wereld. Volgens Berkhof is het nu zo, dat al deze mensen er iets van begrepen hebben, dat die onbegrensde mondigwording tot het verderf leidt. Alleen - zij blijven steken in halve waarheden. Zij zouden moeten doorstoten naar de kern van de zaak en dan - dan zouden ze ontdekken "dat God alom de hoek op zestaat te wachten"! Immers, alleen bij God vallen al die waarheden op hun plaats: alleen als de mens Hem boven zich erkent, als een God met wijze wetten en een Overwinnaar van de menselijke zonde, alleen dan zal dat verzet tegen de ontspoorde autonomie tot resultaat leiden. Dat is de 'relevantie' van God: Hij heeft iets te zeggen aan mensen die ongelukkig zijn met de ontwikkelingen van de moderne tijd. De Godsverduistering wijkt dus, als mensen er oog voor willen hebben dat God in het verlengde blijkt te staan van de wegen die zij inslaan om te ontkomen aan de gevolgen van een ontspoorde mondigheid.
Oppervlakkig
Graafland vindt deze 'oplossing' te oppervlakkig: er wordt zijns inziens geen recht gedaan aan de diepte van de krisis tussen God en mens.
Het is veel te optimistisch om te veronderstellen, dat God "om de hoek op ons staat te wachten" om in te springen op onze onvrede met de ontstane situatie. Zo 'harmonisch' (de term is van Spijkerboer) sluit de Heilige niet aan bij de pogingen van vastgelopen mensen, om de gevolgen van hun keuze tegen Hem ongedaan te maken! God staat veel en veel kritischer tegenover de mondiggeworden mens dan Berkhof suggereert. Het kan pas tot een ontmoeting met God komen, als de mens dat inziet. De Godsverduistering kan pas wijken, waar mensen zich verootmoedigen over het kwaad van de onttroning van God en leren smeken om genade! Zijn werkelijkheid licht slechts op in de rechtvaardiging van de goddeloze.
Nu is Berkhof een veel te fijn registrerend theoloog om niet gevoelig te zijn voor deze reformatorische noties. Graafland wijst passages in zijn artikelen over de Godsverduistering aan, waarin hij andere dingen zegt dan dat God om de hoek op ons staat te wachten. Maar afgezien van Berkhof: het is in veel kerken en theologieën op het ogenblik mode, om zo harmonisch over de verhouding God-mens te denken. Mensen die zich druk maken om het milieu en de Derde wereld, worden geacht ongemerkt al een heel eind in de buurt van God terecht te zijn gekomen.
De alom ontluikende belangstelling voor spiritualiteit en religiositeit, die een reaktie is op de door techniek gestempelde samenleving, wordt met gejuich verwelkomd: zie je wel dat God dichterbij is dan we in ons pessimisme dachten!!
Het lijkt mij onontkoombaar om daar met Graafland van te zeggen: zo ontkom je niet aan de Godsverduistering!
AI die kerkverlaters, die kultuurkritisch bezig zijn of gefascineerd worden door het goddelijke in de werkelijkheid - zijn die inderdaad hard op weg naar de ontmoeting met de God en Vader van Jezus Christus?
Ik zou graag willen dat het waar was, maar vrees dat er iets heel wezenlijks ontbreekt: het bijbelse besef van een fundamentele diskontinuïteit tussen God en mens, ter overwinning waarvan Jezus Christus zijn bloed heeft moeten geven. Is voor de ware ontmoeting met de levende God niet kenmerkend dat er zondebesef is, bekering, buigen voor de Heer? De grote revivals van de 18e en 1ge eeuw zijn zonder dat alles eenvoudig niet denkbaar! Maar je ziet er momenteel maar bitter weinig van, buiten en binnen de kerk. Zolang dat het geval is, valt te vrezen dat de Godsverduistering voortduurt.
Te somber?
Omgekeerd is de vraag te stellen, of het nou echt in religieus opzicht zo veel lichter wordt als mensen loodzwaar moeten tillen aan de zonde. Is dat voor veel christenen niet juist fataal gebleken? Daar krijg je toch wat van: altijd te moeten horen dat wij van ons uit God wet kunnen vergeten omdat we zo onvoorstelbaar slecht zijn?
Het boek van Graafland wint niet weinig aan kracht, doordat het op deze vraag serieus ingaat. Hij wil recht doen aan het bezwaar, dat de gereformeerde traditie voor heel wat christenen de meest afsChuwelijke associaties oproept. Zo is hij moedig genoeg, om zich in zijn pleidooi voor die traditie te konfronteren met bijvoorbeeld Aleid Schilder. Ook bij haar merkt hij dat 'harmoniedenken' over de verhouding Godmens op. Zij wil immers semipelagiaans over de zonde denken, dat wil zeggen: zij erkent de aanwezigheid van de zonde, maar gelooft dat de mens ook goede kanten heeft, zodat hij niet met lege handen bij God aankomt. Alleen deze benadering kan volgens Aleid Schilder voorkomen, dat een mens tot diepe depressiviteit vervalt: ik ben niks en kan niks. .
Graafland houdt tegenover Aleid Schilder staande, dat dit beeld van God niet bijbels is en kan uitwerken in moralisme en humanisme. Maar tegelijk geeft hij haar toe, dat het evenmin bijbels is om depressief te worden van het geloof. Hij erkent, dat de gereformeerde traditie daar soms aanleiding toe heeft gegeven.
Toch meent hij dat het niet onvermijdelijk is, dat een diep zondebesef tot depressiviteit leidt. Hij wijst erop, dat zelfs de bloedserieuze Calvijn leerde, dat een mens ervoor moet oppassen een eenzijdig vernietigend oordeel over zichzelf te vellen. Er is immers ook de royale beaming van ons mens-zijn in de genade van Jezus Christus! En let eens op de zelfaanvaarding die Luther uitstraalt, die toch als geen ander verkondigd heeft dat een mens van zichzelf absoluut niets te verwachten heeft.
Ongetwijfeld is hier een belangrijk en gevoelig punt in het geding, dat ons noodzaakt de gereformeerde traditie behoedzaam te hanteren en wellicht ook anders te formuleren.
Maar ik zou daarbij niet graag de diepgang verliezen, waarmee de Reformatie met een beroep op Augustinus en uiteindelijk Paulus de westerse mens weer over zonde en genade heeft leren spreken. Is die benadering niet de enige, die voldoende ernst maakt met de realiteit van de Godsverduistering? Alleen wat zegt dat mensen die niet alleen God niet tegenkomen, maar daar ook geen enkele behoefte aan hebben?
Heeft dit hele verhaal niet uitsluitend en alleen betekenis voor diegenen, die in God geïnteresseerd zijn? En is het probleem van de Godsverduistering niet juist, dat wij in een wereld leven waarin zelfs de interesse in God totaal verouderd is?
Omdat ook Graafland hier nattigheid voelt, willen we hem over twee weken verder aan het woord laten.