Ingezonden
1990-09-28
Michaël en Israël- Jaargang 34
- nummer 20
Misschien een voor de hand liggende reaktie, uit een voor de hand liggende hoek ook. Toch reageer ik met enige schroom, à la Elihu, gezien het verschil in leeftijd en staat van dienst. En ook met schroom, omdat het artikel waarop ik reageer is geschreven door iemand die ik altijd graag hoor preken. De preek over de engelen op de 'Jakobsladder' heb ik zelfs van de band willen horen, omdat mijn gemeente er zo vol van was. , Nu schreef dezelfde Ds. van de Brink deze keer (31 augustus) weer over bepaalde engelen, opnieuw was het een fijn verhaal, aktueel (de vorst van het rijk der Perzen = de boze geest achter Irak), máár, dit verhaal werd wreed verstoord. En dat was toen aartsengel Michaël even in verband werd gebracht met Israël, of beter: niet in verband werd gebracht met Israël.
Op zich leek het mij juist, dat Israël genoemd werd in ,een artikel n.a.v. de situatie in het Midden-Oosten.
Iedereen weet, dat eliminatie van Israël het uiteindelijke doel is van Saddam Hoessein, De zoveelste bedreiging voor het Joodse volk. Ik geloof dat het in de huidige situatie sowieso beter zouzijn geweest als Ds. van de Brink niet had geschreven, dat Israël zijn heil zoekt bij de atoombom, maar bij gasmaskers; de Joden zijn bang geworden voor gas, want daar hebben wat meer dwazen mee gewerkt... Dit,echter terzijde.
Maar dan de konklusie in deze Pastorale Notitie: Israël kan vanwege die atoombommen dus niet rekenen op steun van Michaël! Dat is een beangstigende gejjachte, ook als we die op onszelf betrekken. Want waar zoeken wij als NAVO-land ons heil, in elk geval tot voor een jaar? Behoren wij tot een duivelse organisatie?
Maar wat veel belangrijker is: is het wáár, dat Michaël en andere engelen alleen meestrijden met die mensen, die volledig op God vertrouwen?
Waar vertrouwde Jakob op, toen de engelen hem in een droom verschenen: op leugen en bedrog en op zijn eigen vluchtende benen.
Waar vertrouwde Israël op, toen de engel aan Gideon verscheen, aan Manoachs vrouw, aan Elia en Elisa, Elisabeth en Maria? Was het Israël in de tijd van Daniël zoveel beter dan het Israël van nu? Als diezelfde Michaël niet heeft gewaakt over het Israël van 1949, '56, '67 en '73, wie was het dan?
Mijn angst is, dat wij met twee maten meten: het ongehoorzame Israël van het O.T. kreeg kans op kans, daar kunnen wij niet onderuit, maar het huidige Israël is verloren. Wellicht denken wij zo tot onze eigen schade. Want is het werkelijk zo dat Gods bijstand afhangt van ons gedrag?
Halen we het evangelie zo niet naar beneden? Paulus gaat zingen over de ondoorgrondelijkheid van Gods wegen, want even daarvoor hoorde hij zichzelf de volgende woorden citeren en dikteren aan Tertius: Dit is mijn verbond met hen, wanneer Ik hun zonden wegneem.
God heeft hen allen onder ongehoorzaamheid besloten, om zich over hen allen te ontfermen (Rom. 11:27, 32). Nog verder terug in de brief heeft hij zijn tranen toevertrouwd aan het papier, zijn smart om de Joden (9:2v.). Die smart mis je zo vaak in onze kring, al zal Ds. van de Brink zijn konklusie niet zo kil bedoeld hebben als het lijkt.
Maar mijn zorg betreft vooral dat voorbijzien aan Gods onberouwelijkheid (11:29). Je mist dan toch wel een essentiële trek van het evangelie: toch overwint eens de genade al is het maar om de eer van Gods eigen naam (Ez. 36:22). Gelukkig voor Israël, gelukkig voor ons ook.
Want God is ook voor ons om niet genadig, en niet omdat wij zo goed zijn dat we in Christus geloven. En die indruk wordt weleens gewekt als Israël ervan langs krijgt.
F.H. Blokhuis, Hardinxveld-Giessendam
Naschrift
1. Dat Israël zijn kracht zoekt niet in Jezus Christus, maar in de atoombom, kan ieder waarnemen (met Paulinische tranen, inderdaad en niet "om Israël ervan langs te geven").
2. Mijn preek vroeg: "En wij? Stel je voor dat Amerika wegviel. Waar bleven we dan? Of zijn wij anders?"
3. Naar mijn mening is niet de huidige staat Israël ("Israël naar het vlees" (1 Kor. 10:18), draagster van de belofte ("zij zullen Mij tot een volk zijn", Ez. 37, 27 en .....ter plaatse, waar tot hen gezegd was gij zijt mijn volk niet, daar zullen zij genoemd worden: zonen van de levende God", Rom. 9:24-26, zie ook Handel. 15:14-18; 1 Petr. 2:7-10), maar ..het Israël Gods" ... Want niet allen die van Israël afstammen, zijn Israël", Rom. 9:6. Israël .... Dat zijn wij", die Hij geroepen heeft, niet alleen uit de joden, maar ook uit de heidenen, Rom. 9:24 vv .
Wat een verkiezing!
Inderdaad: Gods belofte aan Abraham is onberouwelijk. Vandaar deze genade over ons ...
4. Zodra wij ..hooggevoelende worden"
(Hand. 13:40 e.v.) en denken dat we vanwege de voortreffelijkheid van ons geloven of onze gereformeerdheid God aangenaam zijn, mogen we vrezen. Of ook als we ons gaan ..beroemen tegen de takken" (een anti-Israël houding). Let dan op de grote genade Gods, maar ook op zijn strengheid. Over de gevallenen strengheid, maar over u goedertierenheid.
Als u tenminste bij Gods genade blijft, anders zult ook gij weggekapt worden, Rom. 11:22.
Want als God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, zal Hij ook u niet sparen.
5. Toch overwint eens de genade.
Maar niet in universalistische zin.
Met alle vragen, die ook ik overhoud t.a.v. de inzet van Michaël en zijn engelen op seculiere. fronten, staat voor mij vast dat het in de eindtijd (midden in de politiek) steeds meer zal gaan om de vraag: Wat dunkt u van het verzoenende offer van Christus en van Zijn macht om de New Age te brengen? Indien iemand de Here niet liefheeft, hij zij vervloekt.
Maranatha!" 1 Kor. 16:22.
6. Ook hete tranen om takken die afgekapt worden, worden gedroogd straks. En voorgoed.
G. v.d. Brink, Veenendaal
------------------------------------
De formulieren van enigheid
Een paar maal heb Ik de artikelen van ds. De Jong over het ene talent gelezen, en iedere keer was er iets dat mij daarin hinderde. Niet omdat ik het met sommige 'uitspraken oneens was. Dat gebeurt mij wel vaker, maar dat hoeft mij noch anderen te storen. Opbouw is een discussie-orgaan, dat zijn lezers niet voorschrijft hoe ze moeten denken, maar opinies voorlegt ter overweging.
Verschil van inzicht was het dan ook niet dat mij dwars zat. Wat mi! teleurstelde, en misschien zo nu en dan zelfs ergerde, was de grote afstand die ds. De Jong in acht nam: afstand van de dingen waarover hij schrijft, en daarmee tegelijk van de mensen, die deze dingen gedaan hebben.
Laat ik als voorbeeld de Dordtse kerkenordening kiezen. Die geeft blijk, schrijft ds. De Jong, van autoritaire bedillerigheid; duidelijk is te zien dat ze stamt uit een tijd dat de maatschappij nog een heerschappij was. Nu kan het wel waar zijn, dat de Dordtse kerkenordening veel regelt, ook al is ze aanzienlijk korter dan de meeste van haar twintigsteeeuwse opvolgsters. Maar ik geloof niet dat we haar recht doen, wanneer we haar bestempelen als een product van heerschappelijk denken.
De kracht van de Dordtse kerkenordening is juist dat ze uit de kerken is voortgekomen, en niet door de overheid opgelegd. Eén kerk naar de smaak van de overheid ingericht zou er heel anders uitgetien hebben. Die overheid zou de kerk in haar macht gebracht hebben. Het beroepen van predikanten zou dan geregeld zijn op het stadhuis, evenals de verkiezing van ouderlinge en diakenen.
De vraag wie toegang had tot het avondmaal zou bearltwoord zijn door de burgemeesters, en niet door de kerkeraad. En ook de belijdenis van de kerken zou door de overheid zijn vastgesteld.
Dat is de boodschap," die ik in de Dordtse kerkenordening nog steeds beluister. Ze heeft uitdrukking gegeven aan het eigen recht van de kerk, ook tegenover wat ds. De Jong heerschappijen noemt, die de kerk wilden besturen als een overheidsdepartement.
Die verdienste lijkt mij heel wat groter dan het mogelijke bezwaar van een te ver gaande regelzucht.
Het is in de zeventiende eeuw dikwijls niet gelukt dat recht van de kerk tegenover de overheid tot gelding te brengen. De Dordtse kerkenordening is dan veelal meer richtingwijzer dan reglement. Maar ze heeft een structuur aangegeven die tot op heden in hoofdzaak bruikbaar is gebleken.
Nu kunnen we natuurlijk zeggen dat het hier uiteindelijk gaat om een kwestie van accenten. Ds. De Jong wijst op de zwakke en ik op de sterke zijde van de Dordtse kerkorde.
Maar misschien is dat niet helemaal toevallig. Er kan een algemeen verschil in waardering uit blijken, over de waarde die de erfenis van het verleden voor ons nog heeft. Dat geldt dan wel in het bijzonder van de belijdenis van onze kerken.
Onze omgang met de confessie is het belangrijkste vraagstuk dat ds. De Jong aansnijdt. Daar zou ik dan ook wat uitvoeriger bij willen stilstaan.
Ds. De Jong pleit voor een soepele, geestelijke binding, die ons los maakt van de letter. Een strakke juridische binding is gevaarlijk, omdat juist de kleinste geesten dan wantrouwen en achterdocht zullen zaaien tegen goede dienaren van het evangelie.
Met zo'n stelling weet ik nauwelijks raad. Ten eerste zou ik niet graag mijn broeders en zusters in kleine en grote geesten verdelen. Ten tweede zie ik niet hoe een soepele binding die kleine geesten onschadelijk kan maken. Wie graag wantrouwen en achterdocht zaait kan dat altijd doen, en ik denk zelfs dat hij daar des te eerder behoefte aan zal hebben in een kerk die de mensen weinig confessioneel houvast biedt.
Ten derde lijkt mij de tegenstelling tussen kleine geesten en goede evangeliedienaren wat goedkoop.
Zo wordt de vraag niet zuiver gesteld.
Ook bij een strakke binding aan de belijdenis zullen kerkelijke vergaderingen hopelijk de wijsheid hebben te kiezen tegen kleinzielige vitterigheid en vóór oprechte bediening van het Woord. De vraag is juist wat er moet gebeuren bij wederzijdse goede trouwen bij eerlijke bedoelingen van beide kanten. Zijn we dan met een soepele binding het beste geholpen?
De belijdenisgeschriften heten formulieren van enigheid. Ds. De Jong vindt dat geen goede benaming.
Catechismus en Nederlandse Geloofsbelijdenis zijn niet met die bedoeling opgesteld, schrijft hij, en pas later ..tot die ondragelijke funktie verheven". Maar zoveel tijd lag daar toch niet tussen. De Nederlandse Geloofsbelijdenis is van 1561, en reeds tien jaar later, in 1571, bepaalde de synode van Emden dat alle predikanten die zouden hebben te ondertekenen. Dat besluit had ook niet eerder kunnen vallen, want die synode van Emden was de eerste die vanuit de Nederlandse kerken ooit gehouden is. Een onnatuurlijke ontwikkeling was het evenmin. Het eerste artikel van de confessie opent nog altijd met de woorden: "wij geloven allen met het hart en belijden met de mond". Nu weet ik wel, dat het woordje 'allen' in de oorspronkelijke Franse uitgave niet voorkomt, maar ik denk dat het de bedoeling van de belijdenis heel goed uitdrukt, en het heeft van het begin af in de Nederlandse tekst gestaan. De belijdenis geeft aan wat wij allen geloven.
Ze zegt wat wij als kerkleden met elkaar gemeen hebben. De predikanten die deze confessie hebben aanvaard, kunnen wij het vertrouwen geven dat we aan goede dienaren van het evangelie schuldig zijn.
Maar dan moet de gemeente daar ook op aan kunnen. Ze moet weten dat haar predikanten voor die confessie eerbied hebben, en dat mag die predikanten ook niet ondraaglijk zijn. Respect betekent niet dat de belijdenis eens en voor al vast staat.
leder kan tot de overtuiging komen, dus ook iedere predikant, dat op bepaalde punten de belijdenis zou moeten worden herzien. Wie dat vindt kan zijn gevoelen aan de kerken voorleggen. Hij zal daarin heel voorzichtig moeten zijn, want die belijdenis is niet alleen van ons. Ds. De Jong wil graag dat kerken van gereformeerde confessie elkaar aanvaarden, en ik wens dat met hem. Dan mogen wij elkaar die aanvaarding niet moeilijker maken dan nodig is door lichtvaardige verandering van de belijdenisgeschriften.
Het zijn formulieren van enigheid, ook over de kerkmuren heen. Vinden wij een wijziging nodig, dan doen wij er goed aan in de gedachtenwisseling over een voorgestelde verandering ook te luisteren naar wat ons vanuit andere kerkgenootschappen gezegd wordt. Dat is een eis van echte gereformeerde oecumene.
Wat echter niet kan is dat ieder voor zichzelf beslist in hoeverre voor hem of haar die belijdenis nog aanvaardbaar is. Ds. De Jong lijkt daar wel voor te pleiten in zijn antwoord aan broeder Kadijk: het zou frustrerend zijn alle twijfel gewelddadig af te knijpen, en bovendien het theologisch denken tot saaiheid veroordelen.
Ik ben geen theoloog en spreek hier naar dat ik verstand heb, maar overtuigd word ik door die bezwaren niet. Wetenschap is groter dan wijzelf, en wie zich daarin werkelijk verdiept hoeft voor saaiheid niet bang te zijn. Dat geldt ook voor theologische wetenschap. Maar voor alle wetenschap geldt tevens, en dus ook voor de theologie, dat er geen waarheid bestaat, die strijdt met het Woord Gods. Een binding aan dat Woord knelt niet, en een belijdenis die tracht dat Woord na te spreken belemmert ons niet.
De weg die ds. De Jong wil inslaan is niet nieuw. Er zijn al heel wat kerken geweest in de loop van de geschiedenis, die zich losgemaakt hebben van bindingen aan de confessie.
Ik ken geen voorbeeld, waarbij dat op den duur niet tot een verlaten van de confessie geleid heeft.
Niet bij de eerste generatie, want die is nog sterk in het oude denken geworteld.
De eerste kritiek wordt meestal uitgesproken in wat ds. De Jong noemt 'konfessionele herkenbaarheid'.
Maar op langere termijn is het tot nu toe altijd een onstuitbaar proces gebleken. Ds. De Jong schrijft, dat wij als Nederlands Gereformeerde Kerken niet meer op de wijze van het oude ondertekeningsformulier vastgeklonken zitten aan de belijdenis. Ik weet niet wanneer die kerken daartoe dan besloten hebben. Het akkoord van kerkelijk samenleven zegt het anders, en dat kan niet gewijzigd worden door publicatie van een serie artikelen in Opbouw. Voor mij blijven die drie formulieren de uitdrukking van wat wij als Nederlands Gereformeerden allen geloven, in Amsterdam niet minder dan in Lutjebroek.
A.Th. van Deursen, Amstelveen
------------------------------------
Samen zwijgen
Het gebeurt nog regelmatig dat de verhouding met de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt (GKV) het leven van mensen in de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK) ernstig vergalt. De kerkelijke breuk is al meer dan twintig jaar oud, maar de wonden die toen zijn geslagen, doen nog zeer in 1990. Er is ook heel wat schade opgelopen: verbroken vriendschappen en familiebanden, afgesneden geloofsgemeenschap, emotionele wonden van verhitte vergaderingen. Elke oorlog brengt slachtoffers aan beide kanten.
Twee jaar geleden bracht de kwestie van correspondentie met de Dopperkerken in Zuid Afrika de oude pijn weer naar boven. Dit jaar is er naast de 'terugkeer' van de kerk in Enschede het boekje over 1968van Dr. W.G. de Vries. Nog steeds vallen er slachtoffers. De stemming wordt weer hard en verbitterd. Waarom?
Met de recente artikelen in Opbouw van ds. H. de Jong kan ik van harte instemmen wat betreft de positieve kanten van de NGK. De dwaalleer over de enige ware kerk speelt geen rol meer, het keurslijf van geboden en verplichtingen,op het gebied van onderwijs, politiek, maatschappelijk is ons ontvallen. - Ik generaliseer-
Wei staan we daardoor meer kwetsbaar door dit gebrek aan 'eigen' instituten. Als dit ons brengt tot een sterker vertrouwen op onze Here God, dan kan dit alleen maar winst zijn.
Mijn oproep is om de GKV stil te zwijgen. Geen structurele contacten, geen samenspreking. Boekjes en artikelen over de vrijmaking of 1968 naar de pruIIemand verwijzen. Geen artikelen in Opbouw meer hierover.
Door dit negeren krijgen wonden tijd om te helen. Omdat er geen verwachtingen zijn, is er ook geen irritatie.
De persoonlijke contacten over en weer kunnen daarentegen sterker worden. Je komt de vrijgemaakte broeder of zuster tegen bij activiteiten voor een christelijke boekwinkel, bescherming van ongeboren leven, hulpverlening aan bejaarden etc.
Doordat we geen interesse hebben voor hun kerk, is er meer ruimte voor persoonlijk contact.
Het stilzwijgen 'fan de GKV heeft ook een tweede gevolg. De energie die zo overblijft, kan gebruikt worden om contacten te verstevigen met christenen uit andere tradities. Door te leren van deze groepen kan ons geloofsleven verrijkt worden. Is b.v. onze kerkdienst niet gebaat bij meer 'actieve deelname van de gemeente.
De kerk van onze Here Jezus Christus is Zijn bruid. Deze bruid wordt sierlijk gekleed. Onze zonden en verkeerde gedachten moeten we belijden omdat ze niet horen bij onze Bruidegom. Maar wij kunnen de bruid niet zelf feestelijk en sierlijk tooien. Organisatorische eenheid kan een afgod worden, die als Dagon neerstort bij het naderen van de Heer. Met de vrijgemaakte kerken moeten we niet samen spreken, maar samen zwijgen, om ons te richten op onze Here God. Zou dan Christus' gebed om eenheid niet verhoord kunnen worden?
Caspar Waalewijn, Swaziland
-----------------------------------------------
De aard van de binding aan de 3FvE
Gelukkig is niet de binding als zodanig aan de Drie Formulieren van Enigheid in geding, maar alleen het karakter van de binding aan de bel ijdenisgeschriften.
Na onze (late) vakantie las ik enkele dagen geleden de heldere reactie van drs. H. de Jong op mijn ingezonden: zijn de 3FvE verbindend? (Opbouw 31-8-1990). Uit het weerwoord van Ds. de Jong blijkt dat:
a. elke voorganger zich aan de leer van de kerk behoort te binden; ook door 'een eenvoudige handtekening onder de belijdenisgeschriften';
b. hij vooral meer vrijheid gewenst acht bij het gebruik van de liturgische formulieren.
Ik ben erg blij dat Ds. de Jong de band aan de belijdenis wil vasthouden.
Ik betreur het dat ik zijn visie op de liturgische formulieren verward heb met de belijdenis; daarvoor mijn verontschuldigingen. Zijn nu alle misverstanden opgeruimd? Wel de be+anqrtjkste.. Komen onze standpunten nu overeen? Dat lijkt me nog niet het geval. Enkele vragen:
1. Is de onderscheiding tussen een juridische en een geestelijke, soepele binding wel hanteerbaar? En dus zinvol? Hoe moet ik me dat in de praktijk van ons kerkelijk leven voorstellen?
Het gaat toch om een heel praktische zaak voor onze predikanten, ouderlingen en diakenen? Mijns inziens is het nodig om, inzake het karakter van de binding aan de 3FvE vooral het Schriftuurlijke, maar daarna ook het juridische aan bod te laten komen.
2. Is de eenheidsfunctie van de belijdenisgeschriften ondragelijk? (zie Opbouw 17-8-1990, bladz. 293, 2e kolom bovenaan). Na en naast de Bijbel hebben ze die naam en dat karakter toch?
Afrondend: Enerzijds: Met Ds. de Jong denk ik, dat de vrijgemaakte kerken, althans een deel ervan, wel eens confessionalistisch gehandeld hebben. Bovendien: Over art. 36 NGB en over art. 27 NGB lopen ook daar de standpunten uiteen. Een belijdenis, die bindt boven de Schrift mag niet ons (onbedoeld) streven zijn.
Anderzijds: Vanuit de Bijbel ons gebonden weten aan de belijdenisgeschriften is, dacht ik, onderling afgesproken. (art. 17 AKS). Die binding verenigt ons bovendien met de gereformeerden in de Hervormde kerk en met de Chr.-Gereformeerde en vrijgemaakte kerken.
Tenslotte: De Formulieren van Enigheid dienen in gereformeerde kerken onbekrompen, maar ook ondubbelzinnig te functioneren, zolang geen algemeen aanvaarde modernisering of herziening is ingevoerd.
Dat mag geen vertrouwen op vlees zijn, zoals Ds. de Jong stelt. Maar wel dienen we rekening te houden met elkaars zwakheden.
Dronten, 14 september 1990 A. Kadijk
| In het volgende nummer hoopt ds. De Jong op de verschillende reakties op zijn artikelen nader in te gaan. De redaktie |