Huisbezoek in de praktijk (2)
1990-09-28
II Inhoud en doel van het huisbezoek - Jaargang 34
- nummer 20
Waarover moet het gaan bij het huisbezoek, dat gebracht wordt? Natuurlijk is er verschil tussen het jaarlijkse bezoek, dat ouderlingen in de gezinnen en aan alleenstaanden brengen en het bezoek, dat de predikant in bepaalde omstandigheden brengt, hoewel het gerichte bezoek van de ouderling buiten de jaarlijkse visitatie de bezoektrant van de dominee benadert. Het gaat in het kader van het huisbezoek in de praktijk om de gemeenschap van het geloof en de gemeenschap van de heiligen (J.G. Woelderink).
Dat zijn inderdaad twee kernpunten.
Het gaat erom, dat we allen deel hebben aan hetzelfde heil. Christus is gekomen om ons leven te helen, te saneren. Is dat nu een levende werkelijkheid voor de christelijke gemeente? Want je kunt over allerlei dingen in je leven en in de kerkelijke samenleving praten terwijl je aan dat ene belangrijkste punt niet raakt.
En dan gaat het bezoek de mist in.
De motiverende achtergrond voor het te brengen ambtelijk bezoek is de verbondenheid in het geloof in de ene Heer binnen de kring van de ene gemeente. Dat heeft te maken met het Verbond, dat God met zijn volk gesloten heeft. De HERE is en blijft de Eerste. Wij zouden Hem niet kunnen beminnen als Hij ons niet eerst Zijn liefde getoond had. Dat spitst zich direkt toe op de Heiland, Christus, in Wie Gods liefde zich openbaarde als een liefde, die van één kant kwam. Wij waren immers verworden tot agressieve vijanden van God.
Geloof
We willen nader aandacht geven aan het geloof. Geloven is vertrouwen op de beloften van God. We kunnen als pastores niet genoeg op die beloften van het Verbond wijzen. Die beloften worden ons gepredikt via de verkondiging van het heilig evangelie. Er is geen echt geloof denkbaar zonder het Woord van God. Naar een bekende uitspraak van Calvijn staat het geloof in een zodanige voortdurende betrekking tot het Woord "dat het evenmin daarvan kan worden losgerukt als de stralen van de zon, van welke ze hun oorsprong hebben".
Daarom zal bij het bezoek het Woord centraal stàan. Eigenlijk is het het uitgangspunt en het eindpunt van het gesprek.
Geloven - hoe doe je dat? Dat is de vraag waarmee vaak ouderen en jongeren worstelen en daarom mag de pastor hen bijspringen en leiding geven vanuit de Schriften van O.T. en N.T. Het huisbezoek in de praktijk veronderstelt dus een parate Bijbelkennis.
Men zal ouderwetse termen moeten vermijden. Het spreekt aan wanneer men een poging onderneemt in eigentijdse woorden de boodschap van het evangelie te vertolken. Het wordt ook mee beschouwd als een bewijs, dat de boodschap van het evangelie door eigen ziel is gegaan. Laat men de afstand zoveel mogelijk inkorten op het huisbezoek. Ondanks het tegenover van het ambt is er de gemeenschap met elkaar in het ene geloof als kinderen van één Vader.
Vragen betreffende het geloof
Je komt het tegen, dat mensen zeggen, dat zij niet kunnen geloven.
Soms zeggen ze er dan ook nog bij, dat het geloof je toch maar gegeven moet worden. Men verwaarloost dan volkomen, dat de Here Jezus beveelt te geloven. Het is dus niet het één óf het ander, maar het één èn het ander.
We mogen dat nooit tegenover elkaar uitspelen. De HERE vraagt van ons in Hem te geloven. Maar Hij vraagt dat niet van ons, opdat wij uit onszelf een vertwijfelde en krampachtige poging zouden ondernemen onszelf aan dat geloof te helpen.
Dan praat je jezelf een bepaalde vorm van geloven aan. Luther waarschuwde in dat kader ernstig voor een eigengemaakt geloof. De HERE belooft ons juist wat Hij van ons vraagt. Hij geeft ons permissie een appèl op Hem te doen. Zo gaat dan ook het Verbond, dat de HERE met ons sloot, van onze kant met recht funktioneren doordat we belofte en eis in evenwicht met elkaar hebben leren taxeren. Het geloof is dus zo een dynamische kracht bij een ontvangend orgaan. Hier valt de nadruk zowel op Gods verkiezende liefde als op onze menselijke verantwoordelijkheid.
Van daaroit gaan we des te beter verstaan die Paulinische tekst Fil. 2 : 12, 13: "Daarom, mijn geliefden, gelijk gij te allen tijde gehoorzaam zijt geweest, blijft, niet alleen zoals in mijn tegenwoordigheid, maar nu des te;meer bij mijn afwezigheid, uw behoudenis bewerken met vreze en beven, want God is het, die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt." Luther geeft .ergens te kennen, dat het geloof een onrustig ding is. Daarmee komen we in aanraking als we bij de brs. en.zrs. op huisbezoek gaan. Het geloof kent zijn hoogten en zijn diepten. Men verkeert niet steeds op hetzelfde niveau. Dat moet je gewoon en met liefde konstateren en inkalkuleren. Volgens S.G. de Graaf moeten we de tekst uit Marcus 9 : 24 waar de uitroep van de vader van de bezeten knaap vermeld wordt: "Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!" exegetiseren als: Heer, ik geloof, kom mij in mijn strijd tegen mijn ongeloof te hulp. We mogen het geloof van de ander niet in ons keurslijf persen. Dan heersen wij over het geloof van onze naaste. De beleving van het geloof is variabel.
Als het maar blijft gaan om het christelijk geloof bij alle subjektieve gevoelens en ervaringen.
Want nooit mogen wij het gaan zoeken in iets van onszelf hoe religieus gekleurd ook. Het gevaar van Farizeïsme en Judaïsme ligt hier direkt voor de hand. Het toegeven daaraan op het huisbezoek speelt de duivel in de kaart, want het voert af van het vertrouwen op de vaste beloften van God.
Twijfel
In dit verband komen we de twijfel tegen. Laten we beginnen met te zeggen, dat christenen wel eens twijfelen, maar dat daarom de twijfel nog niet als Christelijk te betitelen valt. Er is voorts verschil tussen twijfel en aanvechting. De aanvechtingen bespringen ons van alle kanten.
Uit het wereldnieuws, het kerkelijke leven (met al zijn teleurstellingen), van de kant van onze aartsvijanden (duivel, wereld, eigen vlees), uit Gods Wet, die ons beschuldigt en uit het weten van Gods verkiezing, dat voor veel mensen een oorzaak van onzekerheid is.
Aanvechting is echter tegenwind. De golven kunnen hoog tegen het schip slaan. Maar twijfel betekent dat het roer gebroken is en het schip wordt meegevoerd door de wind (aldus C. Trimp). Wij kunnen een en ander wel onderschrijven, maar maken de kanttekening, dat er onderscheid in twijfel is. Wanneer het gaat om het in twijfel trekken van de waarheid van Gods Woord, geldt het woord van de apostel Jacobus: "want wie twijfelt, gelijkt op een golf van de zee, die door de wind aangedreven en opgejaagd wordt. Want zulk een mens moet niet menen, dat hij iets van de Here zal ontvangen, innerlijk verdeeld als hij is, ongestadig op al zijn wegen" (1 : 6b-8). Maar kan een jongere niet in een kolk van twijfel belanden met al zijn vragen, die op hem afstormen terwijl hij zich serieus rekenschap tracht te geven van de waarde van het Woord en van de christelijke normen voor zijn bestaan en voor de samenleving? Moeten we dat dan meteen op huisbezoek gaan bestoken met woorden als zonde en aantasting van betrouwbaarheid van de Bijbel? Kan men zodoende niet de jongeren onnodig vervreemden van de kerk?
Heeft ieder mens niet een brok ongeloof in zich? Natuurlijk mogen we daarbij niet blijven staan en zullen we mogen en moeten wijzen op de rijkdom van Gods stralende toezegging voor dit eo het toekomstige leven. Dat moet gebeuren binnen het raam van de H. Doop als bezegeling van Gods belovend spreken, op ieders naam gezet in de kerk. God zwoer een eed. "Wat uit zijn lippen ging blijft vast en ongebroken." We zullen in liefde zo iemand moeten begeleiden en met hem moeten bidden. Want het gebed komt hier in geding. Door de twijfel in welke vorm ook maar wordt het gebed afgekneld, omdat naar het woord van Calvijn bidden is: God aanspreken over Zijn beloften.
Rondom het Heilig Avondmaal
Uiteraard gaat de zelfbeproeving aan het Heilig Avondmaal vooraf.
Het geschenk, dat we in handen krijgen, is te groot dan dat wij nonchalant zouden aangaan aan de tafel van Christus. We moeten op huisbezoek steeds benadrukken, dat het de tafel van Christus is. Het gaat er dus om, dat wij ons aan Hem overgeven en dicht bij Hem blijven. Het is zelfs nog sterker. Het gaat erom, dat wij in Christus leven gelijk Hij in ons. Deze uitdrukking is ontleend aan Johannes 15. J.G. Woelderink waarschuwt tegen de gedachte van een mechanische uitwerking van de sakramenten.
Want die wordt ten enenmale uitgesloten door de werking van de H. Geest. We zullen moeten bidden om de werking van de H. Geest willen we vruchtbaar avondmaal kunnen vieren. Het is vanzelfsprekend, dat hier het geloof van belang is.
Maar we moeten niet doen alsof ons geloof in de relatie tot God van doorslaggevende betekenis is. Het is nl.
niet zo, dat ons geloof Gods houding tegenover ons bepaalt. God is de Eerste en de Laatste ook als het erover gaat genade te bewijzen. Het geloof is niet anders dan buigen onder de openbaring van God, ja zeggen tegen de HERE, een receptieve houding aannemen tegenover Gods beloften, de HERE zijn gang laten gaan in je leven. We moeten de mensen erop wijzen, dat zij soms met een verkeerde verwachting naar de avondmaalstafel gaan. Velen verwachten er allerlei wonderen van in hun eigen leef- en ervaringswereld vooral vandaag waar het gevoel zo'n extra nadruk krijgt in sommige kringen. Daarop moeten wij als ambtsdragers wél inspelen, maar tegelijk met de intentie om het waar nodig duidelijk te korrigeren.
Maar het is niet ons geloof, dat voor een sterkere verbinding met Christus zorgt, maar de werking van de Heilige Geest. Dat zullen weten volle dienen te honoreren. Het kan zijn, dat we aan de tafel enige moeite hadden ons geheel te realiseren wat het voor ons betekent: dat gebroken brood en die vergoten wijn als tekenen en zegels van het verbroken lichaam en gestorte bloed van de Heer. Maar zoals de Heilige Geest ons soms tijden na de bewuste zondag waarop we een indringende preek mochten beluisteren door zijn kracht en verlichting de boodschap van ds. tekst te binnen brengt, zo ook na de viering van het Avondmaal wanneer het erom gaat, dat wij van het zichtbare Woord in geloofsovergave doordrongen worden.
Op het huisbezoek moet ook de verwachting van de voltooide komst van Christus aan de orde komen. Dat houdt trouwens ook direkt verband met de viering van het H. Avondmaal.
We hebben de dood des Heren te verkondigen totdat Hij komt. Het Avondmaal biedt een venster op de bruiloft van het Lam. Op weg naar die bruiloft hebben we de strijd van het geloof te voeren. Daarom doet ieder, die het Avondmaal verzuimt mee te vieren, zichzélf tekort.
Waarom zouden wij onszelf rantsoeneren?
Overigens mogen we bij het gesprek niet in die sfeer blijven hangen, want dan kan het subjektieve element toch weer teveel aandacht krijgen.
Laten we niet vergeten de gemeenteleden voor te houden, dat zij zélf via de openbare belijdenis van het geloof om de toelating tot de dis van het Verbond hebben gevraagd. En verder is daar het liefdevolle bevel van de Heiland: "Komt, alle dingen zijn gereed!" ZÓ ontvangt het volk van God onderweg het brood en de wijn om verder te kunnen trekken op het trajekt naar het nieuw-Jeruzalem.
Kerkelijke gemeenschap
Uiteraard gaat netrop het huisbezoek over het H. Avondmaal mee in het kader van de beoefening van de gemeenschap der heiligen. We hebben elkaar in het gewone dagelijkse leven nodig als mensen van vlees en bloed. Maar we hèbben elkaar niet minder nodig als gelovigen voor de opbouw van het geloof en van de gemeente. We zijn zelfs ergens afhankelijk van elkaar. Als iedereen op eigen toer gaat in de kerk en zich geen syllabe meer van de ander aantrekt wordt de lîefde geheel gemist en gaat het kerkschip volledig de mist in. We rnoqen geen solist zijn, maar moete uit zijn op de soliditeit van de soüdarltett. De naastenliefde dient gerealiseerd en gekonkretiseerd te worden in het huwelijk en in het gezinsleven. In de voetwassing heeft de Heiland ons een voorbeeld gegeven hoe we met elkaar binnen de kerkelijke gemeenschap hebben om te gaan. Johannes 13 zouden we eigenlijk verschillende malen per jaar als ambtsdragers moeten lezen evenals dat hooglied van de liefde: 1 Kor. 13. Een christen mag er niet voor terugdeinzen zich te vernederen om de naaste te dienen, "Indien nu Ik, Uw Here en Meester, u de voeten gewassen heb, behoort ook gij elkaar de voeten te wassen." (Joh. 13: 14). Wat waren de volgelingen van de Heer tekort geschoten ten opzichte van hun Meester! En wat schieten wij dagelijk tekort ten opzichte van elkaar!
Men weet soms niet welke beelden men op huisbezoek moet gebruiken om de ander van zijn roeping binnen de kerkelijke gemeenschap te doordringen.
Terwijl beelden en voorbeelden een bijzondere funktie hebben in de poging de ander te overtuigen.
Als men bijvoorbeeld iemand moet vermanen vanwege ontrouwe kerkgang, kan men niet volstaan met het noemen van enkele Bijbelteksten.
Men zal als ambtsdrager, doorgloeid van de liefde van God, de ander moeten laten zien hoe heerlijk het is, ook uit eigen ervaring puttend, om voor het aangezicht van God in de gemeenschap van de gelovigen te verkeren in de samenkomsten van het volk van het Verbond.
Maar verder komt men soms in een bepaalde verlegenheid terecht wanneer de ander het regelmatig vermaan aanhoort, maar verder niet positief reageert. Ik las eens van een dominee, die steeds weer op bezoek kwam bij een onderwijzeres. Zij deed haar werk op school trouw, maar kwam nooit in de kerk. Terwijl zij toch aan een christelijke school verbonden was. De kinderen vertelden thuis, dat Juf zo fijn uit de Bijbel kon vertellen. En die kinderen vroegen zich af waarom die juffrouw nooit in de kerk kwam. Hield zij dan wel echt van de Here Jezus? Dat was voor de predikant aanleiding om die onderwijzeres te zeggen: "Doe het dan voor de kinderen, want zij missen u elke zondag!" Toen ging de Juf naar de kerk. Ik geloof, dat deze benadering pastoraal verantwoord was binnen het raam van de kerkgemeenschap. En wanneer iemand om welke reden dan ook weer in de kerk gekomen is, zal de H. Geest zijn werk wel doen door de verkondiging van het heilrijke Woord van God.
(wordt vervolgd)