Boekbespreking

1989-04-28
  • Jaargang 33
  • nummer 9
Godsdienstvrijbeid bedreigd?

Mr. drs. S.O. Voogt, St. Wetenschappelijk Studiecentrum RPF.
Prijs f 14,90, 1988, 101 blz.

In dit geschrift staat centraal de vraag of onze godsdienstvrijheid bedreigd wordt. Dit o.a. naar aanleiding van een voorontwerp van een wet gelijke behandeling 1981 en de herziening van de grondwet 1983.
Als uitgangspunt voor zijn onderzoek neemt de schrijver de definitie van godsdienstvrijheid, zoals die in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948 is opgenomen. Art. 18 van de Universele Verklaring luidt: "Een ieder heeft het recht op vrijheid van 'godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid.hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven, zijn godsdienst te belijden door het onderwijzen ervan, door de practische toepassing, door eredienst en het onderhouden van de geboden en de voorschriften. "
Als hulpmiddel voor zijn onderzoek gebruikt hij een zogenaamd 'drieschillenmodel'. De binnenste schil omvat de gewetensvrijheid, dat is de vrijheid om al dan niet een bepaald geloof aan te hangen. De tweede schil betreft religieuze samenkomsten, voor het gemak 'eredienstvrijheid' genoemd. De derde schil betreft andere vormen van leven naar je geloof, zoals het uiting geven aan dat geloof in woord en geschrift en in het maatschappelijk verkeer.
In het volgende hoofdstuk wordt een historisch overzicht gegeven van de godsdienstvrijheid. Aan het slot concludeert de schrijver, dat krachtens de herziene Grondwet 1983 ook de derde schil tot de godsdienstvrijheid wordt gerekend, waarmee een eeuwenlange ontwikkeling wordt afgesloten naar een stapsgewijze erkenning van de drie schillen.
In hoofdstuk drie merkt de schrijver op, dat het wel lijkt alsof nu alles prima is geregeld, maar er is een nieuwe complicatie bijgekomen. Op het gebied van de grondrechten is nog al wat veranderd.
Het belangrijkste is wel het nondiscriminatiebeginsel van art. 1 van de Grondwet. Je mag niet discrimineren op basis van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras of geslacht. Maar na deze opsomming volgt nog de toevoeging "of op welke grond dan ook". Discriminatie mag dus niet.
Tot voor kort was de opvatting, dat grondrechten geen werking hadden tussen de burgers onderling, geen horizontale werking dus. Dat staat echter niet in de herziene Grondwet.
Het gevolg is dat rechters en de gewone wet dit moeten uitmaken.
Er doet zich nog een probleem voor, nl. botsing van grondrechten, bv. tussen non-discriminatie en belijdenis en onderwijsvrijheid. Daar de Grondwet hierover geen regel geeft, betekent dit dat- rechter en gewone wetgever de mogelijkheid hebben om de godsdienstvrijheid in te perken.
In hoofdstuk 4 bespreekt de schr. de godsdienstvrijheid in Amerika. Aan het slot wordt de zaak Simonis en Goeree nog besproken om te laten zien hoe er spanning is tussen nondiscriminatie en belijdenisvrijheid.
Tenslotte wordt in hoofdstuk 5 (Van vermeende gelijke monniken en verkapte discriminatie) uitgebreid ingegaan op de ontwikkelingen rond het voorstel voor een Algemene Wet Gelijke Behandeling van 25 maart 1988. Deze voorstellen liggen, zo meent de schr. volledig in het verlengde van de ontwikkelingen, zoals door hem geanalyseerd. Alleen wordt uitgegaan van een ruimere definitie van de godsdienstvrijheid.
Ik meen (en nu citeer ik het Interkerkelijk Contact voor Overheidszaken), dat "het wetsontwerp een aantal verbeteringen bevat, die meer recht doen aan de eigensoortigheid van de verschillende grondrechten en 'met name aan de vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing."
Wel moet met de schrijver erkend worden, dat er reden tot zorg is.
Naar mijn opvatting is de houding van de rechters ook een zaak, die soms zorgen geeft. Ik denk met name aan de uitspraak van de president van de Rechtbank te Arnhem.
Beoordeling van het gebed van een predikant valt buiten de competentie van de rechter. ' Het geschrift van de heer Voogt is uitermate actueel en het is te hopen dat vooral in politieke kringen hier aandacht aan besteed wordt. De politieke partijen moeten nu zeer op hun qui vive zijn in verband met de komende behandeling van de Wet Gelijke Behandeling.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief