Een predikant over zijn organist
1989-04-28
Twintig jaar geleden schreef de onder ons bekende ds.W. Barnard van Rozendaal een artikel, dat we nu eens geheel opnemen. Ieder, wie ons Liedboek ter harte gaat,' kent de pastorale dichter W. Barnard, alias Guillaume van der Graft. - Jaargang 33
- nummer 9
Hij schreef dan in zijn 'Kerkbrief voor de dienst van 28 September 1969 het volgende.
"Het orgel komt in de bijbel niet voor. Wel heeft de statenvertaling bijvoorbeeld in psalm 150 en in Genesis 4:21 dat woord 'orgel' staan maar dat is daar een letterlijke vertaling van het griekse 'organon', en dat betekent gewoon: werktuig, instrument.
Wat daar in Genesis en in het verhaal van Jubal en in psalm 150 staat, is eigenlijk de pansfluit, de syrinx, de rietfluit, maar het is toch anders.
Dat is jammer. Ik had graag gewild, dat het orgel echt in de bijbel voorkwam.
Dan hadden we dat vandaag in de dienst gelezen. Want onze organist voltooit vandaag het vijfentwintigste jaar van zijn dienst!
Hartelijk groet ik je vandaag, Arnold Lubberhuizen, die daar bovenhooggeplaatst en nederigmet handen en voeten psalm 150 uitlegt: alles wat adem heeft love de Heer!
Het orgel komt in de bijbel niet voor.
In de kerk wel. Het staat daar als een koor van luchtpijpen, zonder mensenlijven er omheen; alleen luchtpijpen - een en al bereidwilligheid om te zingen.
Het staat er - kun je ook zeggen als een geweldige borstkas met niet een, maar tientallen luchtpijpen en bronchiën er in. Kon een mens maar zo zingen!
Maar een gemeente kan zo zingen: één lichaam, vele kelen. Het orgel staat er als een getuige uit een andere wereld dan die van de mensen; de wereld van de dingen, van de aarde zelf, van metaal en hout, tin, koper, ivoor. De dingen van de aarde zijn gewillig tot lof van de Schepper, mits een mens ze goed besteedt.
Een organist doet dat. Hij bespeelt het orgel, hij speelt met de geschapen dingen, en maakt ze tot dienaren, tot liturgen. De tonen gaan op een rijtje staan, springen over elkaar heen; het is als een reidans. Het is de orde van de geschapen dingen, die zonder woorden toch lof zingen.
Het gaat in de kerk niet zo zeer om de gevoelige streling of prikkeling van de mensen; dat die in hun ziel of ergens omtrent hun middenrif de ontroering voelen knijpen! Het gaat er veeleer om, dat alle dingen en alle mensen, elk in zijn orde, als schepselen tot eer van de Heer zich bewegen en spelen voor zijn aangezicht!
Daarom heeft de spraakmakende gemeente ook gelijk, die zegt: het orgel speelt. Jawel - het is de man, die speelt. Hij speelt op het orgel.
Maar daardoor gaat 'het orgel spelen'.
Instrumenten, werktuigen, speeltuigen zijn nodig in de dienst. Wij kunnen niet volstaan met spreken ook niet 'op een' verhoogde toon'.
Wij moeten spreken en zingen en ' spelen. De lucht moet trillen in de borst, de geest moet vaardig worden in het lichaam; de geest moet ook als een adem des levens waaien, door dat 'orqanon', dat werktuig, dat gewillige, gehoorzame instrument. Door de dienst van de organist.
Helaas wordt die man op de orgelbank door veel predikanten te weinig geëerd. Het is niet zelden een stroeve verhouding tussen de man van-het-woord en de man-van-de-muziek. Eerstgenoemde meent dan, alles te zeggen te hebben - in meer dan een betekenis.
Op een kattebelletje,dat de koster vijf minuten voor de tijd naar boven brengt, staan dan de nummers van de psalmen en gezangen genoteerd - zonder nadere uitleg of inkleding.
Van de weeromstuit worden de organisten dan wel eens rebels: Ik mag wel zeggen dat hier, in Rozendaal, geen disharmonie bestaat tussen 'de man boven' en 'de man beneden'. Met een enkel gebaar, een oogwenk, verstaan wij elkaar.
Dat berust op langdurige samenwerking en wekelijks voorafgaande bespreking van de dienst.
Maar ik zou me nog kunnen voorstellen, dat (bij alle vriendschap en collegialiteit) een organist er bezwaar tegen zou maken, telkens iets nieuws te moeten doen. Want ik ben niet gemakkelijk! Ik kom met zangwijsjes aanzetten, zonder orgel partij - daar moet dan maar iets bij verzonnen worden. Ik vraag om respons van de gemeente, waarbij de organist voortdurend oplettend mee moet leven. De kantorij zingt 'tegenstemmen' - waarbij de begeleiding' zich maar moet aanpassen.
Gelukkig is Arnold Lubberhuizen niet alleen een aardige man - hij is ook een vaardige man. Vaardig en, slagvaardig. Wanneer ik dan ook gelukwensen uitspreek, zijn het in de eerste plaats gelukwensen aan het adres van de zingende schare!
Ik wens ons toe dat wij nog lang zullen zingen bij de muziek van het orgel, door onze dorpsgenoot en dienstgenoot bespeeld. En ik wens 'oom Arnold' toe: dat hij nog lang met handen en voeten psalm 92 zal mogen toepassen:
'Waarlijk, dit is rechtvaardig, dat men de Heere prijst! "
Dat men Hem eer bewijst, zijn Naam is eerbiedwaardig!' En ook: 'Gezegend zal hij' wezen,die ons bij name riep, die zelf de adem schiep waarmee Hij wordt geprezen.
Laat alom musiceren met stem en instrument, maak wijd en zijd bekend de grote naam des Heeren. Vandaag, besluiten wij met een gedicht van Karel v. Lansdorp:
De eredienst
Een geest van eerbied,
van ontzag, een woord van ootmoed,
van bevrijding en van dank,
een feestelijke zang,
een vreugdevolle schittering van orgelstemmen,
een heerlijk samenklinken:
een reidans van gedachten
en van zegging
en van tonen
eendrachtig lovend Hem.