Tussen kerk en keuken
1989-04-28
Onze jongste zoon, Reinier, scheelt in leeftijd vrij veel met zijn oudere broers en zusje. Hij is wat je noemt een 'nakomertje', hoewel ik dat een snertwoord vind en liever de omschrijving zou gebruiken, die ik las in een interview met een vrouw, die ook haar laatste kind kreeg, nadat de oudsten de tien jaar waren gepasseerd.- Jaargang 33
- nummer 9
Ze zei: "Niks nakomertje ... Hij is een grandioze toegift". Dat leeftijdsverschil heeft tot gevolg dat wij in de opvoeding stevige assistentie hebben. Eerlijk gezegd vinden zij de manier waarop wij hem aanpakken soms maar niets. Laatst had hij nogal een troep in de kamer gemaakt, toen een van de grote jongens binnenkwam, over een autootje struikelde en wat bars zei: "Reinier ... ruim je rommel op! Je speelt er niet eens mee". "Nee", zei Reinier narrig, "dat doe ik niet".
Ik suste: “Laat hem maar, dat komt straks wel". Hoofdschuddend en wat meewarig keek zijn grote broer mij aan. "Tjonge: .. daar komt niets van terecht. Wat verwennen jullie hem zeg".
Toevallig was ik net op zijn kamer geweest en ik was van die aanblik nu niet bepaald uit mijn bol gegaan, dus ik zei: "Dat wil ik wel geloven, want bij jou is het ook al niet gelukt.
Het is een stal op je kamer". Hij grijnsde, breed en vertrok naar het gewraakte vertrek.
"Ruim je je troep weer op!", riep ik hem met voldoening na. De vriendjes van Reinier vinden die grote broers en zus machtig interessant en nodigen zichzelf regelmatig uit voor een etentje tussen de middag.
Een tijdje geleden ging Janneke, onze dochter, Reinier uit school halen en kwam, behalve met haar broertje, thuis met Robertino, een vriendje dat zich niet mag verheugen in de onverdeelde sympathie van de rest van de familie. Ik haalde mijn wenkbrauwen op en schokschouderend zei ze, nadat de jongetjes buiten gehoorafstand waren: ;,Ach ... hij wilde zo graag en z'n moeder stond, toen hij vroeg of hij bij Reinier mocht spelen, erbij met een gezicht of ze ook bij ons wilde spelen. Da's moeilijk weigeren hoor." Daar kon ik helemaal inkomen, want ik ken die moeder ook.
Robertino ging op verkenning uit in huis en bleef op een gegeven moment staan bij een foto van mijn vader. "Wie is dat?", zei hij, licht slissend doordat twee voortanden in zijn bovengebit ontbraken. Hij was duidelijk aan het wisselen. "Da's mijn opa", zei Reinier en pakte een paar vellen tekenpapier en viltstiften.
Robertino ging ook aan tafel zitten en vroeg verder: “Waar woont die opa?” "Bij de Here God". Reinier zette met groen vastberaden de eerste lijnen op papier: "Die is dus dood", stelde Robertino vast.
"Nee ... die leeft. Bij de Here God in de hemel", wist Reinier.
"En hoe is hij daar dan gekomen? Heeft hij dan soms vleugels?", ging het vriendje verder.
"Nee. Hij is toch geen engel", zei Reinier. Hij keek Robertino aan met een licht medelijdende blik. Die begon ook te tekenen en zei na een poosje: "Onze poes is ook dood".
"Die is dan ook bij de Here God", troostte Reinier.
"Dat kan niet hoor", reageerde het jongetje ongelovig. Reinier legde zijn groene viltstift weg en pakte een knalgele. Toen zei hij streng en nadrukkelijk: "Rob ... De Here God hoort alles. Hij hoort ons nu ook ... En Hij geeft mij gelijk!"