Godsverduistering (4, slot)

1990-10-12
  • Jaargang 34
  • nummer 21
Afscheid van Graafland
In wat ik tot dusverre schreef, heb ik nog lang niet alles aangestipt wat Graafland aan de orde stelt in zijn boek over de 'Godsverduistering'.
Zo moet ik voorbijgaan aan wat hij zegt over datgene, wat misschien wel het allermoeilijkst te verteren is in de gereformeerde traditie: de leer van uitverkiezing. Hij toont uit de bijbel aan, dat men onvermijdelijk bij Gods verkiezing uitkomt wanneer men gelooft dat alleen Gods genadige toewending tot ons de Godsverduistering kan opheffen. Tegelijk verwijt hij Calvijn, dat diens verkiezingsleer het de mensen wel moeilijk gemaakt heeft om de blijdschap te ondergaan van dat geloof. In dit verband laat Graafland zich opnieuw kritisch uit over de Dordtse Leerregels: hij vindt dat zij zich op het punt van de verwerping 'niet zo gelukkig hebben uitgedrukt' en dat zij beter in een heel andere volgorde over verkiezing, verzoening, geloof en volharding hadden kunnen spreken.
Dergelijke kritiek lijkt mij belangrijk en ook terecht, zodat er reden is om er in deze kolommen (nog) eens op in te gaan, maar een reeks artikelen over Godsverduistering is daar natuurlijk niet de aangewezen plaats voor. Om bij dat onderwerp te blijven, moet heel wat van Graaflands boek onbesproken blijven. Sterker nog: we moeten er nu afscheid van nemen, omdat het naar mijn mening in zeker opzicht te weinig bevat.
Te weinig doet hij naar mijn mening met zijn erkenning, dat de wereld er nu wezenlijk anders uitziet dan in de tijd van het ontstaan van de bel ijdenisgéschriften.
Hij stemt Berkhof wel toe, dat het probleem van de Godsverduistering een ongekende radikalisering betekent van de vervreemding van God zoals die ook in de 16e eeuw reeds bekend was, maar gaat - anders dan Berkhof - op de aard van die radikalisering nauwelijks in.
Het lijkt mij noodzakelijk en mogelijk, om daar nog enkele opmerkingen over te maken. De eerste betreft het besef dat God irrelevant is geworden; de tweede de verhouding tussen de menselijke mondigheid en de Godsverduistering.

God irrelevant
Een van de meest onthutsende kanten van de Godsverduistering is, dat zoveel mensen God als irrelevant ervaren. Daar gaat voor een christen een niet geringe aanvechting van uit. Want als er nu één ding in de bijbel duidelijk gemaakt wordt, dan wel dat God op zo'n manier God is, dat je eenvoudig niet om Hem heen kunt! Neem nu de reakties op het optreden van de Here Jezus: je kon Hem gefascineerd aanbidden, of je geërgerd van Hem afwenden, maar je kon onmogelijk zeggen: Hij is volmaakt oninteressant. Neem eens de verschijning van de ark in het land van de Filistijnen: eerst juichen ze, dan huiveren ze, maar er is geen moment waarop ze deze troonzetel van de God van Israël als nietszeggend kunnen ervaren. Dat lag niet daaraan dat de Filistijnen zo'n ontwikkeld religieus gevoel hadden, maar dat kwam doordat God zichzelf als uiterst relevant bewees! En daar wringt nu in onze tijd de schoen. Is het enkel aan de religieuze afstomping van de moderne mens te wijten dat hij God als irrelevant ervaart, of zit het dieper? Ik vrees dat laatste: het lijkt soms wel alsof God zèlf er geen aanleiding meer toe geeft, je over Hem te verwonderen of je tegen Hem te verzetten. De bijbelse verzekering dat niets of niemand relevanter is dan God, slaat zogezien nergens meer op.

Gods zelfverberging
Maar is dat mogelijk? Kan het zover komen, dat God niet slechts als irrelevant ervàren wordt, maar dat Hij fèitelijk ook terugtreedt uit het menselijkleven?
Zijn er tijden, waarin het aan de realiteit beantwoordt als mensen zeggen: "God is geen belangrijke faktor meer in het leven ...?" Naar ik meen zijn er inderdaad zulke tijden en beleven wijzelf zo'n tijd. Er is immers zoiets als de zelfverberging van God: diep gekrenkt en gebelgd kan Hij zich zo terugtrekken, dat Hij een leegte achterlaat: Ik denk bijvoorbeeld aan de verschrikkelijke woorden die Hij in Deut. 32:20 spreekt aan het adres van de opstandige Israëlieten: Ik wil mijn aangezicht voor hen verbergen en zien, wat hun einde wezen zal.
Hier heeft de HEREzichzelf bij wijze van oordeel 'irrelevant' gemaakt: er is niets meer van Hem te merken; zijn opzienbarende bemoeienis met zijn volk slaat om in een afwachtend toezien hoe het zich verstrikt in een leven zonder Hem...
Niet altijd betekent het spreken over Gods verberging in de bijbel, dat daaraan een feitelijke stand van zaken beantwoordt. In menige psalm wordt voorbàrig over zo'n verberging geklaagd, vgl. psalm 31:23.
Echter: het feit dat de beleving van Gods verberging niet altijd aan een realiteit beantwoordt, betekent niet dat het onmogelijk is dat God zich metterdaad van het toneel van het leven terugtrekt. In het Nieuwe Testament wordt dat door Paulus bevestigd: Gods toorn neemt soms deze vorm aan, dat Hij mensen kan prijsgeven aan zichzelf, kan overgeven aan onreinheid, aan schandelijke lusten, aan een verwerpelijk denken, Rom. 1:24,26,28.
Kortom: de bijbel rekent met de mogelijkheid, dat mensen het zich niet verbeelden als zij de indruk hebben dat God irrelevant geworden is. Er kan in de Godsverduistering de massiviteit van oordeel zitten. Dat betekent tegelijk, dat die verduistering een tijdelijk karakter kan hebben.
Wij kunnen de Here God hierop aanspreken: U zult toch niet toelaten dat de wereld definitief konkludeert dat U van het toneel verdwenen bent? Zo drijft de Godsverduistering ons niet alleen tot het gebed om de Geest die blinde ogen ziende maakt, maar ook tot de bede: Uw naam worde geheiligd - "laat de wereld zien wie U bent!" (Ezechiël 36:22,23)

Mondigheid
Er is nog een andere kant aan de Godsverduistering waarover meer te zeggen valt dan Graafland doet. Ik heb die al in het eerste artikel aangeduid in een weergave van het spraakmakende artikel van Berkhof: de mens is steeds minder van God gaan ervaren, naarmate hij zelf mondiger is geworden. In de 16e wist en kon de mens zoveel minder dan wij, dat hij veel eerder de hand Gods aanwezig achtte dan wij. Wie begrijpt hoe onweer ontstaat, hoeft zich niet meer te behelpen met het geloof dat het de stem van God is.
Een hartpatiënt diede mogelijkheid heeft om zich door een mens te laten helpen, zal minder snel een beroep doen op God. En als de ontwikkeling zo doorgaat, als we steeds meer te weten komen en steeds meer kunnen, zal God op den duur nóg minder vaak tehulp hoeven worden geroepen als een verklaring voor verschijnselen of als een redder in de nood. Met andere woorden: de regel van Johannes de Doper lijkt hier in omgekeerde zin van toepassing op de verhouding van de mens tot God - "Ik moet wassen; Hij moet minder worden."
Het zou wel eens kunnen zijn dat wij hier de wortel bloot leggen van allerlei problemen waar wij in de kerk mee te maken hebben: dat gevoel, dat God steeds verder moet plaatsmaken voor de in macht en kennis toenemende mens. Het vraagstuk van het Schriftgezag, het beeld van God dat de moderne mens heeft, de visie op Christus, de leer van zonde en genade: steeds is hetzelfde punt in het geding, namelijk de verhouding tussen het menselijke en het goddelijke. In allerlei hedendaagse theologie zie je dan ook die 'opschuiving' van God op al deze punten gestalte krijgen: in de bijbel spreken mènsen over God; God is lang zo machtig en groot niet als vroeger gedacht werd; Christus is de nieuwe, tot op heden ongeëvenaarde mens; genade is dat God ons stukwerk aanvult, enz. Het verschijnsel van de Godsverduistering is zogezien niet anders dan de aanvaarding van de konsekwentie, waar mensen binnen de kerk nog voor terugdeinzen, namelijk om God helemaal uit te vlakken en alleen de mens nog over te houden.

De weg terug?
Maar wat staat dan die mensen te doen die er niet áán willen, dat God steeds verder wordt teruggedrongen totdat uiteindelijk alleen de mens overblijft? Sommigen zeggen: wij moeten de weg teruggaan! Dat komt hier op neer: wij moeten God weer groot maken door terug te keren tot de menselijke onmondigheid. Dat zie je bv in het fundamentalisme: daar wordt de inspriratie van de bijbel weer mechanisch opgevat, zodat de goddelijke faktor de menselijke terugdringt.
Dat zie je ook in bepaalde Pinksterkringen: je moet niet de dokter roepen als je ziek wordt, maar bidden!
Naar mijn idee is dit echter geen uitweg uit de Godsverduistering. Het is niet alleen de vraag of het nog kàn, de weg terug, maar ook of het moet. Want is het waar, dat de menselijke mondigheid zich niet verdraagt met de aanwezigheid van God? Kun je echt niet meer geloven dat God van zich doet horen in het onweer, als je ontdekt hebt dat het met elektrische ontladingen te maken heeft? Vervalt de zin van het gebed, als je je door een razend knappe hartchirurg kunt laten opereren?

Geen konkurrentie
Daar geloof ik niets van! Dat model, dat God in belang af moet nemen als de mens in betekenis toeneemt, dat deugt bij nader inzien niet! Naar mijn mening wordt dat bijzonder overtuigend aangetoond door Van Riessen in zijn boek Mondigheid en de machten (onlangs nog eens gepopulariseerd in zijn Christelijke politiek in een wereld zonder God).
Ik vind het een misser dat Graafland naar geen een publikatie van hem verwijst; zijn eigen opmerkingen over het 'harmonie-denken' tussen God en mens hadden daardoor meer reliëf kunnen krijgen. Volgens Van Riessen gaan zij heel wel samen: een souvereine, machtige God en een in kennis en mogelijkheden zich al verder ontplooiende mens. De ontwikkeling van wetenschap en techniek staat als zodanig het geloof in God niet in de weg. God heeft de mens geschapen met het oog op die ontplooiing, zonder dat Hij daarmee onvermijdelijk zijn eigen ruimte zou inperken. De mens die door Hem begiftigd is met duizelingwekkende mogelijkheden en verantwoordelijkheden, blijft een schepsel, dat erop aangelegd is in onderworpenheid en aanbidding zijn Schepper tegemoet te treden.
Knellen gaat de verhouding tussen mens en God pas, als de mens zich onafhankelijk van en zo in zeker opzicht op voet van gelijkheid met God opstelt. Dat is de menselijke zonde: je kennis en macht gebruiken om onder God uit te komen. Dan komt er inderdaad konkurrentie tussen God en mens; dan voelt het leem zich de gelijke van zijn vormer (Jesaja 45:9). Maar dat is niet noodzakelijk!
In principe is het mogelijk, dat de mens zich in een geweldige ontplooiing van macht en kennis toch volkomen afhankelijk weet van God en zijn volkomen souvereiniteit aanvaardt. Macht en kennis worden niet opgedeeld tussen God en mens: vroeger Hij 90% en wij 10, nu Hij 30% en wij 70. Eerder is het een verhouding van Hij 100% en wij óok 100%. Van Riessen weet best dat hier iets niet klopt. Volgens hem moeten wij ook niet proberen met ons denken greep te krijgen op de verhouding God-mens. Dat is tot mislukken gedoemd. Veeleer zouden wij ons moeten beijveren om in onze mondigheid God groot te maken, om vanuit onze eigen glorieuze ontplooiing enkel en alleen tot zijn glorie te leven (psalm 8).

Bevrijdend
Het bevrijdende van de visie van Van Riessen is, dat hier het vaste verband tussen menselijke mondigheid en Godsverduistering wordt losgemaakt. Hij wil zijn lezers de ogen openen voor het le).Jgenachtige in de voorstelling, dat toegenomen menselijke macht en kennis automatisch God naar de rand toeduwen.
Dat hóeft helemaal niet. De Godsverduistering is niet het onvermijdelijke resultaat van de ontwikkeling van wetenschap en techniek! Het is de mensel'ijke zonde, die in toegenomen macht en kennis een bij uitstek geschikt middel ontwaart om ernst te maken met de felbegeerde terzijdestelling van God. Maar de zonde ligt niet onontkoombaar besloten in de mogelijkheden die God aan ons als zijn schepselen gegund heeft. In het door Christus verloste leven wordt de oorspronkelijke verhouding tussen God en mens hersteld. Wat heeft het ons veel te zeggen, dat wij geroepen worden tot de navolging van Hem, die zijn machtsuitoefening laat uitlopen op onderwerping aan de Vader (I Cor. 15:23-28).
Naar mijn idee reikt de bijbel ons voldoende aan, om op allerlei fronten aan dit konkurrentie-schema te ontkomen en de bevrijding te ervaren die uitgaat van de wetenschap, dat God God kan blijven, ook als de mens tot optplooiing komt. Ik geef twee eenvoudige voorbeelden.
1. In het boek Spreuken wordt zowel over de menselijke verantwoordelijkheid om zich voedsel te verschaffen gesproken als over zij n aangewezen zijn op Gods zorg voor hem.
Vgl. Sprt!uken 14:4 met 10:22. Die twee spreuken doen elkaar geen konkurrentie aan; zij zijn tegelijkertijd waar!
2. In psalm 69 stelt de dichter zowel zijn eigen integriteit als gelovige vast, als zijn verdwaasdheid en schuldige daden, vgl. vs 10 en 6. Alweer geldt, dat het ene niet in mindering komt op het andere: 'een mens kan diep ootmoedig van genade leven zonder dat hij zichzelf daarmee volkomen de grond inboort.

Overmacht
Het wordt de hoogste tijd om deze reeks af te ronden. Daartoe keer ik terug naar het begin: de door Berkhof geschilderde achtergrond van de kerkverlating. Ik hoop duidelijk gemaakt te hebben, dat er heel veel meer is dan het falen van de geloofsopvoeding, waardoor (jonge) mensen er het religieuze bijltje bij neerleggen. Laten ouders die het verdriet van de kerkverlating in hun gezin kennen, daar toch oog voor hebben en zich niet blind staren op hun eigen tekortkomingen. Er is echt zoiets als óvermacht, de overmacht van een wereld zonder God die op hun kinderen afkomt. Het is wellicht een groter wonder, dat de geloofsoverdracht het van die overmacht wint dan dat ze het er tegen aflegt.
Wij zullen ons daar meer rekenschap van moeten geven dan wij in het verleden gedaan hebben. Datzelfde geldt trouwens van evangelisatie: wie het evangelie probeert te verbreiden met behulp van de oude.
methodieken, zonder recht te doen aan het feit dat wij leven in een tijd van Godsverduistering, spreekt over de hoofden van ontzaglijk veel mensen heen. Tussen haakjes: wie klimt er eens in de pen om in OPBOUW over 'evangelisatie in een tijd van Godsverduistering' te schrijven?
Zeggen hoe het niet moet is immers weinig bevredigend ...
Intussen bedreigt die overmacht niet alleen onze geloofsoverdracht, maar ook ons eigen geloof. Het lijkt in deze tijd beslist moeilijker te zijn om in God te geloven, dan toen er in de wereld om ons heen nog volop plaats voor Hem was. Toch moeten wij dat wel in de juiste proporties blijven zien. Het is waar: wie in een tijd van Godsverduistering als christen overeind wil blijven, moet krachtig tegen de stroom oproeien. Maar hoe is dat geweest voor de oude Israëlieten, die in een wereld die vergeven was van de godenbeelden een God moesten dienen zónder beeld? En wat te denken van onze broeders en zusters in Afrika, die tegen een oppermachtig magisch denken moeten optornen wanneer zij tot Christus komen? Als wij een beetje bekomen zijn van de schrik, dat de moderne wereld op ons afkomt als een gesloten systeem, kan misschien weer tot ons doordringen dat het geloof in de God van Israël, de Vader van Jezus Christus, altijd al haaks heeft gestaan op de bestaande situatie. Misschien moeten wij er gewoon weer mee gaan rekenen, dat dat geloof niet anders gestalte kan krijgen dan langs de weg van een radikale bekering ...

Vreemdelingschap
Daarmee bedoel ik, dat wij niet via een vloeiende overgang uit de Godsverduistering weg kunnen komen en het licht van God weer op zullen vangen. Wij zullen de betovering moeten doorbreken die uitgaat van een wereld die Hem uitrangeert. Dat is iets anders dan: terugkeren tot onmondigheid en een middeleeuws wereldbeeld. Ik pleit niet voor wereldvreemdheid, waarbij wij terugschrikken voor wetenschap en techniek en toegenomen verantwoordelijkheid als zodanfg. Veeleer zal het erom gaan dat wij, zonder te verloochenen dat wij door God geplaatst zijn in een tijd van geweldige menselijke ontplooiing, radikaal open staan voor zijn aanwezigheid als onze Heer. In de halfslachtigheid van een theologie, die Hem naar beneden drukt tot een god die wordt aangevuld door ons mensen, zie ik helemaal niets. Laten wij God aanbidden als wie Hij pretendeert te zijn: groots, heilig, machtig, souverein.
Laten wij ons voor Hem schepsel weten, knecht, zondaar, uitverkorene.
Laten wij zoeken naar zijn leiding, bidden om zijn kracht, geloven in zijn wonderen, hopen op zijn toekomst. Laten wij onszelf, met al onze kennis en macht en verantwoordelijkheid, zonder reserve uitleveren aan Hem, om wie en door wie alle dingen bestaan.
Dat zal betekenen, dat wij ons, dwars tegen dat overweldigende besef van Godsverduistering in, weer heel konkreet oefenen in de persoonlijke en liturgische omgang met God. Want is onder de druk van het gesloten wereldbeeld dàt niet als eerste aan het verschrompelen?
Sluipt het niet binnen, het gevoel dat God inderdaad aan de rand van het leven staat, zodat wij gevaar lopen steeds lauwer en flauwer worden in het bidden tot Hem, het luisteren naar Hem, het zingen tot zijn glorie, het schuld belijden aan Hem?
Dat zal niet minder betekenen, dat wij zullen vervreemden van een wereld, die alles maar dan ook alles ondergeschikt maakt aan de behoeften van de mens. Dat kunnen wij naar meen·ik van Berkhof leren: dat de Godsverduistering zich manifesteert in zulk soort dingen als milieubederf, de onrechtvaardige verhoudingen tussen eerste en derde wereld, een medische ethiek van pure zelfbeschikking enz. Ook daarin zit een betovering die wij als christenen moeten doorbreken. Tot het werk van de Geest zou wel eens kunnen behoren, dat Hij ons dàar de ogen wijder voor gaat openen. Radikaal plaats maken voor God heeft onvermijdelijk als konsekwentie, dat wij ons niet langer herkennen in bv. het konsumptie-patroon van een wereld zonder God.
Kortom: christen zijn in een tijd van Godsverduistering zal neerkomen op een diep doorleefde en praktisch tot uitdrukking komende vreemdelingschap.
Vanuit die positie zullen wij Gods licht op kunnen vangen en uit kunnen stralen (Matt.5:14-16).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief