Kinderen van Eén Vader (1)
1990-10-12
Kerkverlating en Kerkstrijd- Jaargang 34
- nummer 21
Terwijl de kerkverlating steeds verder om zich heengrijpt, laten de kerken van gereformeerde signatuur een beeld zien van grote verdeeldheid.
Wanneer de gelegenheid zich voordoet, zet men zich tegen elkaar af. En zelfs brs. en zrs. van eenzelfde kerk kunnen het vaak niet nalaten in het publiek elkaar aan te vallen op een wijze, die niet in overeenstemming is met de Schrift.
Toen voor enkele maanden bij het Schildersymposium syn. gereformeerden, vrijg. gereformeerden, chr. gereformeerden, ned. gereformeerden en zelfs enkele hervormden broederlijk (of is het zusterlijk) bijeen waren ter herdenking van de honderdste geboortedag van prof. dr. K. Schilder had ik een zwakke hoop, dat dit misschien tot meer en betere contacten tussen de gereformeerde Christusbelijders zou leiden.
Bij deze bijeenkomst waren veel ongedwongen ontmoetingen. Het doet je goed als je ziet, dat prof. Berkouwer, voorzitter van de synode 1943-45en dr. W.G. de Vries, schoonzoon van prof. Schilder, elkaar vriendelijk ontmoeten. Persoonlijk vond ik het fijn dr. Okke Jager, die indertijd als predikant te Almelo getracht heeft synodalen en vrij gemaakten dichter bij elkaar te brengen, weer eens te ontmoeten.
Helaas is men sinds het symposium niet verder gekomen. De kerkelijke strijd en twisten gaan onverminderd verder.
Synodalen en vrijgemaakten
In 1986 zei prof. Berkouwer in een interview over de kerkscheuring, dat deze naar zijn mening nooit had mogen plaats vinden en dat we eigenlijk deze zaak weer in het reine moesten brengen. In zijn in 1989 verschenen boek 'Zoeken en vinden' laat hij duidelijk zien, dat het in de synode 1943-45 (onder zijn leiding) helemaal fout gegaan is.
Hij vraagt zich af hoe het denkbaar en mogelijk is geweest, dat dit schisma uitbrak in die verschrikkelijke jaren van bezettingstijd van 1940-1945. Intussen had de synode in 1988, vooral naar aanleiding van de uitspraken van Berkouwer, een uitspraak gedaan niet over een gemeenschappelijke schuld (dat is meestal nogal goedkoop) maar over het aandeel van de syn.-gereformeerde kerken.
De synode erkende, dat men in de zorg voor de zuiverheid van de leer een struikelblok had gelegd voor brs. en zrs. en dat men te weinig oog had voor de gewetensnood van brs. en zrs. en dat men op deze wijze aanleiding had gegeven voor scheurmaking. De kerken hadden van tuchtoefening moeten afzien.
Een dergelijke schuldbelijdenis was voor een synode een hele stap. De synode van Leeuwarden van de vrijg. gereformeerden gaf hierop een reactie. Helaas was het geen bijdrage voor een betere verstandhouding.
De synode van de syn. gereformeerden, zo zei men, sprak wel een schuldbetuiging uit over het eigen aandeel in de scheuring, maar er werd niets gezegd over de 'waarheid' waarover het in feite ging. Er wordt slechts schuld beleden over het onrecht dat men mensen had aangedaan, maar niets over de ongehoorzaamheid aan de Heer van de kerk. Men miste een normatieve uitspraak over de gebeurtenissen rondom 1944. De syn. gereformeerde kerken tolereren immers allerlei visies, die regelrecht tegen de Schrift ingaan. Nu in deze kerken een pluralisme heerst wil men blijkbaar ook wel ruimte geven aan de gereformeerde leer over verbond en doop.
Triest, dat de ene synode zo reageert tegenover een andere synode, die schuld belijdt (men spreekt daarbij de syn. geref. synode aan als "zeer geachte dames en heren".).
Ook al is men overtuigd van het recht en de plicht tot vrijmaking (en dat is ook nog altijd mijn vaste overtuiging) dat neemt toch niet weg de erkenning, dat in 1944 ook van onze kant fouten zijn gemaakt? Het is helaas evenzeer waar, dat in de syn. geref. kerken een angstwekkende tolerantie heerst. Allerlei valse leringen worden toegelaten. Had men echter de schuldbelijdenis van de syn. geref. synode nlet-rnoeten aangrijpen om tot een gesprek te komen?
Hoevelen zijn er ook in deze kerken, die de Schrift nog als het betrouwbare Woord van God aanvaarden.
Ik denk b.v. aan het Confessioneel Gereformeerd Beraad, waarr;nee we ondanks de kerkelijke gescheidenheid, eens geestes zijn.
Uit bovenstaande opmerkingen zou men kunnen concluderen, dat ik mij als ned. gereformeerde ook door de syn. gereformeerde schuldbekentenis aangesproken voel. Nu dat is ook zo. Ik meen, dat juist de ned. Gereformeerden de erfenis van de Vrijmaking het best bewaard hebben.
Geeft een schuldbelijdenis, ook al is die gebrekkig, niet de plicht om daar positief op te reageren?
Prof. Runia vroeg zich in het 'Centraal Weekblad' terecht af, of je als kerken zo met elkaar kunt omgaan.
Waar is hier de bereidheid om met de 'tegenstander'(?) de tweede mijl te gaan. Waar is hier ook maar enig besef, dat we ook als kerken moeten leven uit de barmhartigheid van Christus. Ik vind dit alles, zo besluit prof. Runia zijn artikel, uiterst teleurstellend en beschamend!
De synode van Leeuwarden had veel royaler moeten reageren op het schuldbelijden van de synod. gereformeerden.
Ik meen, dat in het antwoord van Leeuwarden een stuk wereldgelijkvormigheid schuilt.
Chr. gereformeerden en ned. gereformeerden
Het is duidelijk, dat de chr. gereformeerden dichter bij ons staan dan de syn. gereformeerde kerken.
Wijlen prof. dr. J.P. Versteeg, die beide kerken goed kende, heeft eens gezegd, dat chr. gereformeerden en ned. gereformeerden elkaar uitstekend aanvullen. De langere geschiedenis van de chr. geref. kerken zorgt voor continuïteit, de korte van de ned. geref. kerken voor dynamiek.
Een kerk heeft beide nodig. Ten tweede de kerkorde. De betekenis van de kerkorde krijgt in de chr. geref. kerken de meeste aandacht.
In de ned. geref. kerken heeft men echter meer oog voor de hantering' daarvan. Het derde punt betreft het geloofsleven, waarbij in de chr. geref. kerken de nadruk wordt gelegd op wedergeboorte en bekering en in de ned. geref. kerken op de groei van het geloofsleven. Deze elementen mogen niet tegen elkaar uitgespeeld worden. Ze vullen elkaar aan. De ned. geref. kerken leggen bij de heilsbeleving het accent op de rijkdom van de vergeving. Bij de chr. geref. kerken komt de ernst van de zonde meer naar voren. De eenheid tussen beide kerken moet gestalte krijgen door acceptatie, niet door annexatie. Niet het eigene verzelfstandigend, maar elkaar in het eigene dienend. Daarbij moet je plaatselijk naar eenheid zoeken, bv. door kansel ruil, gezamenlijke diensten en afvaardigingen naar meerdere vergaderingen.
Deze plaatselijke samenwerking mag echter niet buiten de meerdere vergaderingen omgaan.
Ik geloof, dat prof. Versteeg hier de juiste weg aangaf.
In bepaalde plaatsen is men ook een eind gevorderd. In vier plaatsen vond al integratie plaats: Lelystad, Almere, Nieuwegein en Houten. In verscheiden plaatsen vindt kanselruil plaats. In andere plaatsen, bv. in Enschede, wordt op bescheidener wijze samengewerkt.
Toch zijn we nog lang niet Waar we wezen moeten. Een moeilijk punt is de gevarieerdheid in chr. geref. kring. Meedere samenwerking zou in bepaalde plaatsen tot spanningen leiden. Sommigen menen, dat enkele van onze predikanten zich op minder juiste wijze over de belijdenis hebben uitgelaten, of hebben moeite met de vrouw in het ambt of toelating van kinderen aan het Avondmaal, zoals op enkele plaatsen voorkomt.
Gelukkig sprak de chr. geref. synode uit, dat de geconstateerde verschillen geen belemmering mogen zijn om te erkennen, dat de ned. geref. kerken zich in alles willen stellen op de grondslag van en begeren te leven naar de geref. belijdenis.
Wel is men van oordeel, dat de verschillen vanwege hun ernstige aard aanleiding moeten zijn tot bezinning en gesprek, opdat zo de belemmeringen voor de kerkelijke eenheid uit de weg geruimd worden. De contacten worden dus gehandhaafd.
Moge de Here onze God geven, dat deze contacten een positief resultaat hebben.