'Wat geven wij de jongeren mee?'

1990-10-26
  • Jaargang 34
  • nummer 22
In de GSEV-reeks (opgezet vanuit vrijgemaakt-gereformeerde kring) verscheen het boek 'Wat geven wij de jongeren mee?' Er werkten 6 auteurs aan mee. Ze beschrijven elk vanuit hun eigen vakgebied de belevingswereld van jongeren en proberen aan te geven op welke wijze de kerk in kan spelen op de specifieke vragen die jongeren in de jaren 90 tegenkomen.

Oefenplaatsen
Er zijn allerlei manieren om onze tijd te beschrijven. In deze bundel ligt het accent op een beschrijving van de leefwereld van de jongeren. Jongeren groeien op in een zo snel veranderende kultuur dat het voor ouders soms lijkt of hun kinderen een totaal andere taal spreken. In zijn bijdrage komt Van der Horst (werkzaam bij het Hoger Beroeps Onderwijs in Zwolle) tot een analyse van de huidige kultuur. Hij signaleert dat gezinnen zich steeds meer gaan isoleren (individualisering). Echter, juist wanneer er zoveel vragen zijn, zou je in de kerkelijke gemeenschap als broeders en zusters met elkaar moeten kunnen spreken over vragen rond de opvoeding van de kinderen (ook op bijbel/gesprekskringen).
Gesprekken zijn, zo zegt Van der Horst, ook nodig omdat er een generatie jongeren opgroeit die kritischer is geworden ten opzichte van de eigen (vrijgemaakt-) Gereformeerde kerkelijke gemeenschap. Gezin en kerkgemeenschap moeten een oefenplaats vormen, waarin mensen open met elkaar spreken over de toepassing van de bijbelse boodschap in deze tijd. "Dat toepassen betekent zoeken, onzekere vragen durven stellen. Toepassen betekent niet dat er bijbelteksten panklaar liggen te wachten. Om te kunnen praten moet er een veilig klimaat zijn. Dat vraagt om een sfeer zonder veroordelingen" (26).

Extrinsiek en intrinsiek geloof
Was de bijdrage van Van der Horst meer op de samenleving gericht, Scholte kruipt als het ware in de huid van de jongere. Hij doet dit aan de hand van de ontwikkelingstheorie van Erikson. Het is een helder en beknopt artikel, waarin veel recent onderzoek ter sprake komt.
De noodzaak van ruimte voor het stellen van kritische vragen vinden we ook bij Scholte. Hij maakt onderscheid tussen extrinsiek en intrinsiek geloof (66). Er valt over deze beide manieren van geloofsbeleving veel te zeggen. Scholte stipt kort een aantal karakteristieken aan. Heel in het algemeen kan men zeggen dat het bij extrinsiek geloven gaat om het opvolgen van regels. Bijvoorbeeld: je gaat naar de kerk omdat het zo hoort en omdat het hele dorp naar de kerk gaat. Deze vorm van geloven zou o.a. vaak samengaan met het denken in zwart-wit schema's.
Bij de intrinsieke vorm van geloof gaat het om een innerlijk doorleefd geloof. Voor de groei naar dit verinnerlijkte geloof is het nodig dat de jongere de ruimte krijgt om vragen te stellen en kritisch te denken. Opvoeders moeten laten zien dat het geloof meer is dan het volgen van een aantal regels (67).

Geloof en hulpverlening
Voordat men naar een psycholoog of psychiater stapt, moet men vaak een behoorlijk hoge drempel overwinnen.
Dat geldt zeker ook voor kerkmensen.
Men zou kunnen spreken van een 'grijs circuit' binnen de kerken, waarin mensen elkaar steunen en ondersteunen. Het is een bijbelse opdracht om op die manier naar .
elkaar om te zien. Toch wacht men, aldus Scholte, in orthodoxe kring wel eens te lang met het vragen om hulp. Er kunnen in gezinnen langdurig spanningen zijn, die niet worden opgelost. En (dat is de relatie met het thema van de bundel) spanningen in het gezin kunnen belemmerend werken op de geloofsoverdracht.
Ondermeer vanwege die gevolgen "zouden juist gelovigen bereid moeten zijn om op tijd aan hun relatie te gaan werken" (63).

Plannen maken
Twee bijdragen uit de bundel zijn geschreven door predikanten. Ds. H. Folkers schreef een heel praktisch artikel over kerkelijk opbouwwerk voor jongeren. Hij komt tot een soort 'leerplan', waarbij allerlei aspekten van het jeugdwerk de revue passeren.
Integratie van allerlei aktiviteiten is noodzakelijk. Wel merkt Folkers op dat dit op weerstand kan stuiten, omdat veel kerkelijke aktiviteiten strak zijn georganiseerd. "Bestaande strukturen zullen ter diskussie gesteld moeten kunnen worden" (47).
Overigens: dat het hier gaat om een intensief proces, wordt door Scholte (op basis van amerikaans onderzoek) in cijfers naar voren gebracht: "er is een minimum van 1000 uren godsdienstonderwijs, catechisatie en verenigingsactiviteiten nodig, wil er sprake zijn van een blijvend effect op de persoonlijkheidsvorming"
(65). Bij dat getal mag men vraagtekens zetten, maar geloofsopvoeding is dus niet iets 'wat je er even bijdoet'!
Ds. A.H. Driest schreef een goed gedokumenteerd artikel over pastorale zorg aan jongeren. Huisbezoek, kerkgang, catechisatie, vragen van jongeren, de jeugdouderling: het komt allemaal ter sprake.

Stevig, maar wel bereikbaar
De bundel is geen leesboek, het is meer een studieboek. Dit heeft als beperking dat enkele bijdragen niet voor iedereen even toegankelijk zijn.
Wie echter de moeite neemt om zich over deze drempel heen te zetten vindt in dit boek veel goeds, al is het af en toe stevige kost. De bundel is het zeker waard om bestudeerd te worden. Kerkeraden (maar ook anderen) zijn vaak hard bezig om allerlei akute situaties 'op te lossen'. Aan een diepere bezinning, het maken van plannen, het evalueren van de gang van zaken komt men lang niet altijd toe. Het hier besproken boek biedt tal van aanknopingspunten om - wanneer het gesprek gaat over jongeren in de gemeente - op nieuwe ideeën te komen of oude gedachten nog eens kritisch te bezien.
Wat de praktische uitvoering betreft verdienen vooral de bijdragen van de beide predikanten het om besproken te worden. Natuurlijk behoeft men niet alles over te nemen, maar er zijn toch allerlei suggesties uit te halen die ook in onze gemeenten gebruikt kunnen worden.
Een hoofdstuk dat ik mis in dit boek is de geloofsoverdracht binnen het gezin. Scholte schrijft terecht dat de funktie van het gezin voor de groei in het geloof belangrijker is geworden.
Driest merkt op dat pastorale zorg aan jongeren zich vooral moet richten op ouders en gezin (90). We vinden in de bijdrage van Leerlooyer (maatschappelijk werker) een analyse van de problemen die zich voor kunnen doen in het gezin wanneer ouders en kinderen elkaar los moeten (Ieren te) laten. Van der Horst schrijft over kwetsbare gezinnen. Ds.
Driest besteedt ook enkele bladzijden aan de 'thuiszorg'. Toch komt dit onderwerp m.i. niet voldoende geïntegreerd aan de orde. Gezien de vele vragen die er leven bij ouders zou een apart (en praktisch-getint) hoofdstuk over het omgaan met geloofsvragen binnen het gezin m.i. op zijn plaats zijn.

Tenslotte
De titel van het boek is 'Wat geven wij de jongeren mee?' De titel suggereert een boek over de inhoud van het geloof. Daar gaat deze bundel echter niet over; wat de kern van het geloof is mag bekend worden verondersteld.
De bundel gaat over de vraag op welke manier we jongeren kunnen helpen bij de volwassenwording.
En voor christenen is het geloof bij de volwassenwording de kern van het leven.
Tenslotte nog twee opmerkingen. De eerste is dat sociaalwetenschappelijk onderzoek verhelderend kan zijn als we met bepaalde vragen zitten, ook op het gebied van het pastoraat. Het kan ons inzicht geven in processen die een rol spelen bij (bv.) de geloofsoverdracht.
Toch kan datzelfde onderzoek lang niet alles verklaren. De auteurs pretenderen dit ook niet, maar in het kader van deze bespreking moet hier toch nog even aandacht voor gevraagd worden. Als we bv. spreken over 'kerkverlating' , dan moeten we konstateren dat er vragen blijven.
We weten wat gunstige faktoren zijn bij de geloofsopvoeding. Toch zijn er goede, harmonieuze gezinnen met ouders die dicht bij God leven waar kinderen toch een heel andere weg kiezen. Maar we mogen dan toch ook weten dat God naar hen om blijft zien.
De tweede opmerking is dat ik getroffen werd door de open manier waarop de auteurs de problemen in vrijgemaakt-Gereformeerde kring bij de groei van jongeren naar de volwassenheid aan de orde stellen.
Hoewel af en toe in de tekst duidelijk wordt dat het boek in de eerste plaats op de situatie van de eigen (vrijgemaakt-Gereformeerde) kerk is geschreven, hoeft men zich als Nederlands gereformeerde lezer toch geen buitenstaander te voelen, Misschien kan men zeggen dat vrijgemaakt-Gereformeerde jongeren af en toe wat meer in de luwte opgroeien. Die luwte is echter geen isolement: jongeren uit alle kerken komen nadrukkelijk met de huidige kultuur in aanraking. Dat betekent ook dat we van elkaar kunnen leren hoe we met de problemen die dit met zich meebrengt om kunnen gaan.

N.a.v.: Drs. W.C. van der Horst e.a.: 'Wat geven wij de jongeren mee?' GSEV-reeks, no. 19; Uitgeverij De Vuurbaak, Barneveld, 1990; ISBN 9060158687, 125 pagina's, f 17,90.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief